Zoeken in deze blog

maandag 8 april 2013

Grenzen aan de groei en het preciariaat

Berichten over de economie blijven me boeien. Dat zal wel komen doordat veel van ons hebben & houden ervan afhangt en doordat ik in veel vertogen in dag- en weekbladen de kern van de zaak mis. Die kern is volgens mij dat wij mensen minimaal een prettig leven willen en mede daartoe enig werk verrichten  voor zover we daartoe in staat zijn. Omdat we niet alles kunnen maken dat we nodig hebben, gaan we ruilen. En omdat ruilen van goederen en diensten soms onhandig is, gebruiken we het universele ruilmiddel geld.

Het enige handboek dat ik ooit gelezen heb, is De kern van de economie van Arnold Heertje, altijd goed voor pittige commentaren (zie ook hier). Verder heb ik gebladerd in Contact geld van Peter van Loo en anderen, dat keurig begint met een korte geschiedenis van geld.
Als uitgever heb ik vele boeken voor kinderen op mijn bureau gehad waarin getracht werd iets uit te leggen over de omloop van geld en spullen. Nooit vond ik ze bevredigend, misschien op dat ene boek na van Nikolaus Piper, Geschichte der Wirtschaft (Beltz & Gelberg, 2002); helaas bleek het uitgeven van een vertaling te duur.

Soms denk ik: ik ga het zelf schrijven. En sinds ik dat soms denk (ik heb nog geen letter geschreven) werd ik een aandachtige lezer van de economie-pagina's.

Die vertogen gaat heel vaak over geld en zelden over dat werk en de verdeling van de resultaten. Dat is niet raar, want de resultaten van onze noeste arbeid worden in geld uitgedrukt.
Ingewikkeld is het wel en dat komt mede doordat er ook in geld gehandeld kan worden. Veel van die vertogen lijken enigszins losgezongen van de alledaagse werkelijkheid. Dat is vooral zo met artikelen over de beurzen.
Journalisten die niet verder kijken dan de op en neer springende cijfertjes van de beurskoersen, missen de verhalen daarachter. Ze denken dat het met de economie en met ons goed gaat als de beurskoersen stijgen.
Sommige economen schenen te denken dat ze een exacte wetenschap beoefenden, met modellen die de toekomst konden voorspellen. Inmiddels weten we beter en zijn er onder economen verhitte debatten gevoerd.

Eind maart 2013 las ik in één nummer van De Groene Amsterdammer twee artikelen die elkaars tegenpool leken.
Het ene was van Rutger Bregman, 'Onbehagen in tijden van overvloed'.
Het andere was van Emma Brunt, 'Van koophuis naar Mongoolse tent, de nieuwe armoede'.
Jong (1988) tegenover oud (1943), hemelbestormende academicus tegenover sappelende freelancer, theorie tegenover praktijk, wijdse blik tegenover dagelijks leven.
Bregman ziet een heel rijk land, bijna een paradijs, bijna af. In de papieren versie staat er een prachtige foto bij van een straat in Haren. (Zie de helaas gebrekkige scan verderop.)

Maar hij 'behoort tot de eerste generatie in tweehonderd jaar tijd die het niet beter zal hebben dan haar ouders.' Hoe dat komt, daar schrijft hij niet over. Wel over mogelijke grenzen aan de groei. Want 'het lijkt wel alsof het kopen van spullen die we niet nodig hebben de definiërende activiteit van het moderne bestaan is geworden.' Terwijl 'we' er niet gelukkiger van worden. 'Al decennia is er geen verband meer tussen groei en geluk. In 1980 peilde het CBS dat 87 procent van de bevolking gelukkig was. Toen het onderzoek in 2010 werd herhaald – we waren inmiddels meer dan anderhalf keer zo rijk – bleek dat nog steeds 87 procent te zijn.'
Halverwege zijn artikel komt hij zonder inleiding met dat 'onbehagen' uit de titel op de proppen. Hij levert de oorzaak er meteen bij. 'Als we het zo goed hebben, waar komt ons onbehagen dan nog vandaan? Ik denk dat het de vooruitgang zelf is. Vrijwel alle overgebleven problemen worden immers daardoor veroorzaakt. Dat we steeds dikker worden komt door de overbevrediging van onze behoefte aan voedsel. De opwarming van de aarde wordt veroorzaakt door de overbevrediging van onze behoefte aan rommel. En als we gestresster zijn dan ooit, dan houdt dat direct verband met de toenemende werkdruk en keuzestress.'
Jawel, er zijn kanttekeningen.
'Er zijn meer dan 1,4 miljard mensen die proberen te overleven van een euro per dag. Armer worden ze niet, dan gaan ze dood. ‘Hulp helpt niet’, zeggen de kenners dan. En dus besteden we het aan andere dingen die niet helpen. Zo is in een paar jaar Irak – waar de kenners nog zo’n voorstander van waren – twee keer zo veel over de balk gegooid als heel Afrika sinds de Tweede Wereldoorlog heeft ontvangen. Die 1,4 miljard allerarmsten verdienen ongeveer evenveel als er wereldwijd aan reclame wordt besteed.'

Hij eindigt zijn pleidooi voor grenzen aan de groei en een andere zingeving aldus:
'Als we nadenken over morgen slaan we nu nog de catalogus van vandaag open. Maar het oude repertoire biedt slechts harder werken (rechts), meer schulden (links) en meer koopkracht (iedereen). Of we er nu in geloven of niet, de grenzen van dat oude vooruitgangsgeloof zijn in zicht. Mill schreef 150 jaar geleden: "Ik hoop oprecht dat, ter wille van het nageslacht, de mensheid tevreden zal zijn met een stationaire toestand, lang voordat de noodzaak hen er toe dwingt."
Stuiten we niet op de grenzen van de aarde, dan stuiten we op de grenzen van onszelf – van ons vermogen zin te geven aan het leven. Het enige wat dan nog rest, is klagen over ons armzalige lot.'



Vijf bladzijden verder opent Emma Brunt (of de koppenmaker van De Groene) aldus:
'Het aantal mensen met problematische schulden groeit gestaag, ook in de hoogopgeleide middenklasse, die armoede lang beschouwde als iets wat alleen anderen overkomt. "Langzamerhand komt er meer openheid en raken mensen de ergste schaamte voorbij."'
Haar vertoog gaat deels over haarzelf, de oudere freelancer die niet meer zo makkelijk aan opdrachten komt, en lotgenoten. Niets onbehagen over groei, geen bespiegelingen met uitzicht op lommerrijke straten in Haren, maar onbehagen over de huur niet meer kunnen betalen en moeten wonen in een Mongoolse tent (lotgenote Linda van D.).

Mooi beschrijft Emma Brunt hoe ze zelf 'met horten en stoten' ontdekte dat de inkomsten minder werden.
'De eerste vlagen van paniek dienden zich aan, maar met lange tussenpozen, want ik beschikte toch nog steeds over enige naamsbekendheid en een veelzijdig sociaal netwerk? Nou dan. Weliswaar werd ik een dagje ouder, om niet te zeggen gewoon oud, maar wat kon nu minder leeftijdsgevoelig zijn dan de vaardigheid om leesbaar te schrijven? Maar zo werkt het helaas niet in de journalistiek, en in de meeste andere creatieve bedrijfstakken ook niet, want daar staat ‘jong’ gelijk aan interessant en veelbelovend, en word je na je veertigste al met groeiende argwaan bekeken.

Daar kwam ik achter en wat toen volgde leek nog het meest op een rouwproces, compleet met alle stadia van dien: ongeloof, ontkenning en ettelijke pogingen om te marchanderen en het op een akkoordje te gooien met het lot. Gevolgd door vlagen van boze opstandigheid, depressie en schaamte en – gek genoeg misschien – ook door een hardnekkig schuldgevoel. Ja hoor, het is crisis, blablabla en nog zowat, maar niet iedereen wordt daardoor in gelijke mate getroffen. Ik ken genoeg mensen die nog steeds vier keer per jaar op vakantie gaan en zonder met hun ogen te knipperen een paar honderd euro uitgeven aan een nieuwe jurk of een paar designerlaarzen, dus het kan gewoon niet anders of ik moet een paar hopeloos verkeerde carrière-afslagen hebben genomen.'
En ze blijkt, bij onderzoek in haar kennissenkring, niet de enige en beschrijft enkele gevallen. Kenmerkend voor dat 'ongeloof' is dat ze het woord probleemgevallen consequent tussen aanhalingstekens schrijft. Ja, nu kan ze zich dus iets voorstellen bij die 'universitair geschoolde jongeren die geen baan kunnen vinden, bij ouderen die hun huis niet kunnen verkopen om hun pensioen aan te vullen, of bij de groeiende schare noodlijdende zzp’ers, die al dan niet noodgedwongen ooit voor zichzelf zijn begonnen, daartoe aangemoedigd door de overheid, die alle heil verwachtte van de vrije markt en het particuliere initiatief'.

Voeg hier de mensen aan toe die geschaard kunnen worden tot wat de Engelse econoom Guy Standing beschreef als The Precariat: The New Dangerous Class (Bloomsbury Publishing, 2011), en je komt bij de grootste omissie in het artikel van hemelbestormer Bregman, het toch al heel oude vraagstuk (ene Karl Marx had er ook al iets over te melden) van de verdeling van goederen en zekerheid.
Het begrip precariteit is overigens waarschijnlijk een Franse vinding, daar hanteerden groepen jongeren voor het eerst die term (précarité) en (bijvoorbeeld) De Balie pikte dat in 2006 op. Standing heeft met zijn boek van het begrip precarity een maatschappelijke klasse gemaakt: het precariaat.
Daartoe gaan binnenkort wellicht heel wat zzp-ers horen, dat toont Emma Brunt. Haar artikel was, hoop ik, weer goed voor enkele maanden huur. En gelukkig krijgt ze al AOW.

Bregman meldt over die verdeling:
'Let wel: de meeste landen hebben het evangelie van groei nog hard nodig. Zij smachten naar de zegeningen van vrijhandel, die nu nog worden geblokkeerd door het belastingparadijs Nederland en de landbouwlobby die ook wel Europese Unie wordt genoemd. En ook de vruchten van ons nieuwe vooruitgangsgeloof kunnen de achterblijvers goed gebruiken. Daarin wordt het surplus dat we nu gebruiken om troep aan te schaffen ingezet om internationale gelijkheid en rechtvaardigheid te bevorderen. Want de cijfers zijn nog altijd ontstellend: tien procent van de wereldbevolking verdient 58 procent van al het inkomen. Ze heeft 85 procent van alle rijkdom in handen.'
Het kan nog bonter.
'"91.000 mensen bezitten samen eenderde van alle rijkdom. Dat zijn de oliesjeiks, de gasboeren, de investeerders, de mediatycoons, de vastgoedmagnaten. Ter contrast: de armste helft van de wereld bezit samen 1 procent."' Zie hier. Bregman heeft wel enig oog voor de verdeling van welvaart in de wereld (niet in Nederland), maar hij heeft geen oog voor de verdeling van macht. ('Landen' smachten niet, alleen mensen kunnen smachten.) En hij heeft geen oog voor de taal van de macht.
Die taal van de macht en het geld, daarover schrijf ik misschien nog eens vaker. Zie ook hier.

Of dat kinderboek over geld van mij er ooit komt? Geen idee. Maar áls het er ooit van komt, dan sla ik die verdeling (zie boven) niet over, zoals nu erg vaak wel gebeurt.



zaterdag 6 april 2013

Boer en burger



En toen kwam deze kop voorbij, een klein cadeautje na mijn notitie van gisteren. Hij stond boven een artikel in De Groene Amsterdammer 04-04-2013 over onenigheid in Noord-Brabant over varkensstallen.
Die onenigheid laat ik voor wat-ie is, maar hier kwam de burger alweer voorbij - maar deze keer blijken boeren geen burgers, sterker nog, de koppenmaker of journalist Marten van de Wier heeft het over een 'Brabantse oorlog tussen boer en burger'.
En op p. 33 komt zelfs de reeks 'boeren, burgers, milieubeweging en politiek' voor, waaruit zou kunnen blijken dat milieu-activisten en politici ook al geen burgers zijn.
De buitenlui ontbraken. Als ik de notitie van gisteren erbij neem, zullen boeren kennelijk geen last hebben van de diversiteit in gemeentediensten waarvoor Piet Hein Donner waarschuwde.

Dat politici geen burgers zijn, maakte in datzelfde blad ook Marcel ten Hooven duidelijk in zijn bespiegeling over de Nederlandse politiek ('Nu nog wat meer theater, graag'): 'Door de technocratische logica die de eenwording nu beheerst komt het Europese project steeds verder af te staan van de werkelijkheid van de menselijke ervaring, met als gevolg dat de stappen die de beleidsmakers zetten voor de Europese burgers onnavolgbaar worden en het project zijn legitimatie verliest.
Dat zal zeker gebeuren als de Europese leiders openlijk tonen liever geen last van de burgers te hebben.'
Wel van boeren?

Hierna zwijg ik weer een tijdje over de burger. Ben ik zelf eigenlijk wel een burger?

vrijdag 5 april 2013

Burger en overheid

Ja! Daar was-ie weer! De burger... Zowel in de Volkskrant als NRC Handelsblad mocht Piet Hein Donner als lid van de Raad van State (maar ook als burger?) uitleggen dat hij wrijvingen ziet aankomen tussen 'burger' en 'overheid', als allerlei voorheen bij het rijk aangeboden diensten worden uitbesteed aan gemeentes.
Want dan zou 'de burger' in de ene gemeente meer rechten hebben dan in de andere.
Met name in het interviewtje in NRC Handelsblad is, hoe heerlijk, een echte regent aan het woord die in zijn tekst impliciet laat weten dat 'de burger' die ander is, niet hijzelf. Hij zal niet zeggen dat wij verschillend zullen worden behandeld door onze in gemeentedienst werkende medeburgers, alnaargelang de gemeente waarin we wonen.
Hij hoort daar niet bij, dat is duidelijk.
Het is zelfs de vraag of hij wel bij 'de overheid' hoort, want daarover heeft-ie het met dezelfde afstand. Toch heeft-ie het wel een keer over 'wij': de Raad van State.

Nu kwam en komt 'de burger' natuurlijk wel vaker langs, hij is bijna een stoplap geworden in teksten van politici en journalisten - die het dan nooit over zichzelf hebben.
Maar ik heb geen zin in turven en laat het dus bij notities als deze. Zie ook 'De burger en de premier', 'Burgers en Europa', 'Burgers, bestuurders en verzorgers', 'Het volk spreekt', 'Russen zijn geen burgers' en 'Maartje Bakker ontmoet de burger'.

maandag 25 maart 2013

Kinderboekambassadeur

Eindelijk heeft Nederland een kinderboekambassadeur. Die ambassadeur 'geeft de promotie van kinder- en jeugdboeken een herkenbaar gezicht en draagt de boodschap uit dat (voor)lezen een verschil kan maken in het leven van jonge mensen. Het kinder- en jeugdboek in het algemeen staat daarbij centraal en niet in de eerste plaats het werk van de Kinderboekenambassadeur zelf. De Kinderboekenambassadeur bereikt door publicaties, workshops, lezingen en andere activiteiten een breed publiek, waaronder leerkrachten, ouders en kinderen, maar ook politici en aankomend auteurs. De Kinderboekenambassadeur wordt aangesteld voor de duur van 2 jaar.'
Aldus Stichting Lezen, die met de CPNB en het Nederlands Letterenfonds initiatiefnemer is. Met jeugdboek bedoelt het persbericht vermoedelijk boeken bestemd voor 12+. Of 14+. Of jonge lezers van wie de geslachtshormonen beginnen op te spelen. De tautologie wordt niet toegelicht. Jacques Vriens, de eerste ambassadeur, trok er zich weinig van aan en zei bij zijn benoeming op 19 maart (o.a.): 'je doet kinderen tekort door ze geen leeservaring te laten opdoen'.

Of zo'n instituut enige indruk kan maken, hangt erg af van de gekozen persoon en het beschikbare budget. Van het laatste weet ik niets, maar met het eerste zit het goed: Jacques Vriens lijkt mij bij uitstek geschikt om als eerste ambassadeur op te treden. Hij is goed gebekt, heeft ervaring als schoolmeester en theatermaker, heeft kinderboeken geschreven die door veel kinderen worden gewaardeerd en niet door recensenten zijn neergesabeld, en heeft meermalen al het belang van goed leesonderwijs, schoolbibliotheken en kinderboeken  met verve verdedigd. Zie bijvoorbeeld in Leesgoed 2010-2 zijn artikel '‘Dus jij wilt mij dwíngen om te lezen!'. Betere keuze hadden ze volgens mij niet kunnen maken.

Intussen is het betitelen van ambassadeurs populair geworden in Nederlandse leesbevorderingskringen, want er zijn in het kader van het Jaar van het Voorlezen ook voorleesambassadeurs benoemd: Gerda Havertong, Ruben Nicolai en Merel Westrik. Hopelijk trekken de ambassadeurs in goede samenwerking op.
Het Jaar van het Voorlezen! Ja, want 'De Nationale Voorleesdagen werden dit jaar voor de tiende keer gevierd, Stichting Lezen bestaat 25 jaar, De Nationale Voorleeswedstrijd 20 jaar en BoekStart wordt 5 jaar. Aanleiding genoeg om 2013 uit te roepen tot Jaar van het Voorlezen.'
En dat wordt georganiseerd door 'de Leescoalitie, een samenwerkingsverband tussen Stichting Lezen, Stichting CPNB, Stichting Lezen & Schrijven en het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken'.
Er was een onderzoek aan voorafgegaan waaruit bleek dat '51% van de Nederlanders voorleest. Vier op de tien niet-voorlezers geeft aan voorlezen wel leuk te vinden en driekwart van de niet-voorlezers is zich zelfs bewust van de voordelen van voorlezen.'

Het instituut kinderboekambassadeur is vooral geënt op het Britse voorbeeld van de Children's Laureate (op dit moment Julia Donaldson). In Vlaanderen was er enige tijd een vergelijkbare Kinderconsul (Gerda Dendooven), op instigatie van de Vlaamse Stichting Lezen. Er wordt sinds 2008 weinig meer van vernomen. In de VS kent men sinds 2008 een National Ambassador for Young People's Literature (sinds 2012 Walter Dean Myers).

Ik ben natuurlijk benieuwd wat we verder nog gaan horen van de Nederlandse kinderboekambassadeur.

NB 9-4. Zijn eerste daad was een ingezonden brief in Trouw, met een pleidooi om meer met kinderboeken te doen aan de opleidingen tot leerkracht basisonderwijs.

donderdag 21 maart 2013

Einde Leesgoed

Op 28 februari maakte ik er al gewag van: het laatste nummer van Leesgoed verscheen. 'Dit allerlaatste nummer is in week 9, 2013 in druk verschenen, de website wordt niet meer bijgewerkt', staat te lezen op de bijbehorende website. Het laatste laatste nieuws dateert van 11 maart. Wie nog nummers wil bestellen uit de jaargangen 2009-2011, krijgt ze voor € 5,-. 'Voor slechts € 5,- per nummer leest u spraakmakende interviews, boeiende artikelen en handige lestips uit het verleden. Reageer snel, want op=op!'
'Uiteraard zijn de nummers van de laatste jaargang, 2012, ook verkrijgbaar zolang de voorraad strekt, maar dan tegen het reguliere tarief van € 11,95 per nummer, inclusief btw, exclusief verzend- en adminisatratiekosten.'

Het is een waardig afscheidsnummer, in dubbele zin, want er wordt ook afscheid genomen van Jan Simoen, die in de nacht van 4 op 5 januari jl. overleed. Hoofdredacteur Karin Kustermans staat in haar redactioneel bij dat overlijden veel langer stil dan bij het afscheid van Leesgoed. Daarover meldt ze dit:
'In de marktlogica van het bedrijf brengt dit blad niet voldoende op. Te weinig advertenties, te weinig abonnees, te weinig geld dus. De redacties van Leesgoed en Boekidee kunnen alleen maar hopen dat ons blad jullie, onze om en bij de 1.500 abonnees en nog meer lezers, wél iets heeft opgeleverd. Inspiratie, inzicht, leestips, prikkels, schoonheid... Wij hebben dit blad elke keer weer met veel liefde en plezier voor jullie gemaakt. We hopen dat jullie ervan genoten hebben en danken onze trouwe lezers.'

Aan Jan Simoen worden vervolgens (na de gebruikelijke en mooie dubbelpagina 'Beeld', deze keer uit Een zondag met Caillebotte van Toon Tellegen en Ingrid Godon, vast niet per toeval een fraaie Nederlands-Vlaamse productie) vijf pagina's uitgetrokken, inclusief een paginavullende foto en 2,5 pagina citaat: zijn laatste nieuwsbrief, waarin hij zijn naderend einde aankondigt. Een tumor die niet meer te bestrijden valt.
Of dat niet teveel is, 5 pagina's In Memoriam? Misschien niet als je die nieuwsbrief ziet als een staaltje van zijn schrijverschap, maar ik twijfel.
De alternatieve Woutertje Pieterse Lezing (dank, Ted van Lieshout) van Stefan Bosmans vind ik wel zonde van de pagina's. Ten eerste omdat het een reactie is op een Woutertje Pieterse Lezing 2012 door Edward van de Vendel waarvan niet vermeld wordt waar je die kan vinden, hetgeen teveel ons-kent-ons vooronderstelt, ten tweede omdat volstaan had kunnen worden met de zes stellingen van Bosmans:
1. Er bestaat geen boek dat geschreven is voor elk kind.
2. Er bestaat geen kind dat gemaakt is voor elk boek.
3. Voor elk boek is er wel een lezer.
4. Voor elke lezer is er ook een boek.
5. Daarom is elk kind een potentiële lezer.
6. Een leescarrière kan je sturen, kan je doen groeien... Maar dat vraagt dan wel begeleiding.
Aan Stefan had dan gevraagd kunnen worden elk van de stellingen kort toe te lichten, en aan Edward van de Vendel om erop te reageren. Was veel interessanter geweest.

Het artikel 'Bij een afscheid' (en nu wordt dat van Leesgoed bedoeld) heb ik op 28 februari al aangestipt: 'Karin en redactiegenote Wendy de Graaff schreven een zeer lezenswaardig afscheidsartikel, een "visie" op hoe het met de jeugdliteratuur "is gesteld" (niet zo goed, ondanks of juist door de enorme aantallen titels), betogen (wat mij betreft terecht) dat er meer dan ooit behoefte is aan gezaghebbend overzicht, en laten dit artikel volgen door een naschrift van henzelf onder de titel 'Nou en?' Nog eens een fel pleidooi voor literatuur, ook voor kinderen, en voor aandacht voor die literatuur.' Ik kan me er alleen maar bij aansluiten, en wat jammer dat de tekst niet meer op de website van Leesgoed te lezen zal zijn. Dat vrees ik althans, zie boven.

Ik citeer toch maar even uit dat artikel:
'Aidan Chambers stelde in een interview in Leesgoed: "Het belang van lezen gaat echt niet alleen over een fijn tijdverdrijf, over leesplezier. Het belang van lezen hefet niets te maken met liever een boek lezen dan naar een voetbalwedstrijd of een film gaan. Het is geen keuze. Het is essentieel. Flaubert zei: ik lees om te leven. Wij zouden moeten zeggen: we lezen om te overleven."
Als het alleen maar om lezen als een leuke hobby zou gaan, dan hoefden we ons er ook helemaal niet zo druk over te maken. Maar als lezen zo belangrijk is als Chambers en vele anderen met hem beweren - en dat is het, natuurlijk - dan moeten we ook onder ogen durven te zien dat ook wat er gelezen belangrijk is. Dat het ene boek meer te bieden heeft dan het andere.
Dat kinderen recht hebben op de beste boeken die we hun kunnen bieden. Dat rommelig maakwerk een aanfluiting is van wat lezen kan betekenen. Dat een eenzijdig, door bestsellerkoorts gedicteerd aanbod jonge lezers kansen ontneemt om de genoemde voordelen te ervaren. Dat prachtige kinderboeken een cadeau voor het leven kunnen zijn.'

Dat is allereerst een stellingname tegen de veelgehoorde kreet: áls ze maar lezen, doet er niet toe wat. Teveel gefrustreerde wanhoop klinkt in zo'n kreet door.
Ten tweede is het een onomwonden stellingname voor opvoeden, voor educatie. Ja, beste aanhangers van het literaire oordeel, wie zich bezighoudt met kinderen voedt nu eenmaal op en zodra je dat beseft (zoals iedere ouder doet), kun je dat maar beter naar beste kunnen doen. Dus wie zich bezighoudt met het aanbod van boeken (en andere teksten en culturele uitingen) voor kinderen, is bezig met opvoeden, met educatie. Voor mijn part noem je dat kunsteducatie. En dan is de boekenplank geen grabbelton, dan kies je er het beste uit dat je denkt te willen aanbieden aan je kinderen - of leerlingen. Verantwoorde selectie, heet dat. Verantwoord in die zin dat je bereid bent je keuze te verantwoorden, als opvoeder en uit respect voor de kunstenaars.
Inherent aan deze stellingname is de aanname dat wij volwassenen onze kinderen iets kunnen leren. Dat betekent niet dat wij volwassenen zelf de wijsheid in pacht hebben: vermijd mensen die denken alles al te weten! Maar als het goed is, zijn wij simpelweg al een stukje verder op weg, en delen we onze ervaring met alle kinderen (en volwassenen) die ons zijn toevertrouwd. Ugh.
Als het niet goed is, tja, dan belanden we in duisterder hoeken van de samenleving.
Ten derde wordt hier geponeerd dat lezen 'essentieel' is. Die mening deel ik. Een enorm deel van onze kennis en ervaring ligt opgeslagen in teksten.
Ten vierde wordt indirect ('bestsellerkoorts') gewezen op de dubbele positie van de handelaar, in dit geval te vinden in uitgeverijen en boekwinkels. Enerzijds is er de handelaar die naar eer en geweten het beste wil bieden dat hij of zij vindt, en daarmee iets hoopt te verdienen. (Want ook handelaren willen leven.) Anderzijds is er de handelaar die zo snel mogelijk zo rijk mogelijk wil worden, doet er niet toe hoe, de handel in bedrukt papier lijkt per toeval gekozen. Het beste is in de opvatting van deze handelaar dat wat het snelst geld oplevert. Beide typen vind je soms in één bedrijf verenigd, maar de verschillen zijn duidelijk en helaas trekt in deze harde wereld de louter op winst beluste handelaar vaak aan het langste eind.

En voor alle zekerheid: de 'beste boeken' zijn niet per definitie de onleesbare boeken. Ik noem één voorbeeld: Matilda, van Roald Dahl.

Met dit artikel heb ik meteen genoemd wat er volgens mij uitspringt. Het komt, denk ik, uit de tenen van de auteurs.
De overige, nog niet genoemde bijdragen zijn lezenswaardig, maar niet spraakmakend.
Dat geldt voor de column van Marian de Smet, over het einde van een verhaal, voor de Top Tien van Gideon Samson, het interview met het duo Janneke Schotveld en Annet Schaap, het interview met (vertrekkend, al weer een einde) boekwinkelier Lia Reedijk, de recensies, de praktische en dus uitvoerenswaardige tips in Boekidee, de column 'Magie' over leren lezen van (oud-Leesgoed-redactiegenoot) Wim Hofman.

Al mogen deze bijdragen niet spraakmakend zijn, ze zijn allemaal met zorg gemaakt, en die zorg, die niet door handelsbelangen ingegeven bekommernis om het kinderboek die Karin Kustermans en Wendy de Graaff hier zo goed onder woorden brachten, die gaan we nog missen.

NB. Achteraf zag ik nog eens het interview met mij door Wendy de Graaff in Leesgoed 2010-6 terug. Ik citeer mijzelf:
'Ik vrees dat in de nabije toekomst een tijdschrift-websitecombinatie als Leesgoed zonder enige subsidie (intern of extern) of sponsoring niet meer kan bestaan.'
Waarvan helaas acte.







De verrekijker

heet het Boekenweekgeschenk 2013, geschreven door Kees van Kooten. De al dan niet fictieve verrekijker van zijn vader speelt er een rol in en op de voorkant is de auteur afgebeeld staand voor een spiegel, met een verrekijker en een boek op een tafeltje. Dat wekt de indruk dat wat hij schrijft 'waargebeurd' is, net als het op binnenzijde achterkant afgebeelde stuk uit een dagboekpagina. (Of een hele pagina, kan ook.)
De tekst op de achterkant belooft dat Kees van Kooten 'zijn verrekijker scherp stelt op de digitale media, het papieren boek, ons aller handschrift, de pornoficatie van de samenleving, zijn eigen diensttijd, de wereld der insekten, de achteruithollende wellevendheid, het hotelwezen, de jaarlijkse lintjesregen en de nostalgie' en dat is een redelijke adequate samenvatting.




Maar het is geen goede metafoor, want Kees van Kooten is eerder een dichtbijkijker, een waarnemer met oog voor details; een loep past beter bij hem dan een verrekijker.

Hij is een zeer talentvolle babbelkous, met schalkse woordspelingen (schalks is volgens mij het juiste woord) en soms rake observaties. Maar helaas weidt hij soms wel erg lang uit over zaken als bijvoorbeeld het tafeltje van Jean-Henri Fabre. Halverwege begon ik te bladeren, in plaats van met rode oortjes zin na zin tot me te nemen.

Bovenaan de bladzijden ontrolt zich als een lint de litereaire jaarkalender 2013, en daarboven weer handgeschreven uitspraken (vooral goede voornemens) van meester Van Kooten. ('Zeggen noch schrijven dat alles beter is dan toen we het nog slecht hadden.')

Op zijn best een amusant tussendoortje, dit boekenweekgeschenk.







dinsdag 19 maart 2013

Sprakeloos

Er zijn beelden die me meer raken dan andere. Zo'n beeld zag ik bij de bespreking in de Volkskrant 18-3-2013 van Love Doll Factory, een fotoboek van Marco van Duyvendijk: een berg poppen. Liefdespoppen, rubberen blote dames.



Griezelig, unheimisch, en ik keek ervan op. Aan zulke poppen is kennelijk voldoende behoefte om fabrieken mee gaande te houden. Ik probeerde de afbeelding op internet te vinden en kwam zo wel bij andere mooie foto's (veel portretten) van Marco van Duyvendijk terecht, maar niet die welke in de krant stond. (Vandaar de slechte scan hierboven.)
Dit vond ik bijvoorbeeld  prachtige foto's (klik om te vergroten):


:

Maar daar gaat het me nu niet om, al is het vinden van zo'n talent toch een geschenk.
Verder zoekend kwam ik ook bij deze merkwaardige reeks terecht.

Ik neem er vier van over:

1 2


3 4

Ik weet niet welke ik 't meest luguber vind. Het maskerachtige van nummer 3? Misschien wel nummer 2, juist omdat ze zo gladjes levensecht is, een gephotoshopt modelhoofd. Zet er een motortje is dat haar lippen beweegt, een bandje erachter en ze kan op tv, bijvoorbeeld als stand-in voor Paris Hilton.
Een eigenaardige website trouwens, die Cariparidoesitbetter. Die Zackary Canepari moet een gedreven verzamelaar van rariteiten zijn, en hij heeft nog een aparte fotowebsite (Canepariphoto), zeer de moeite waard. Hier een interview met hem.
Maar daar gaat het nu niet om. Het gaat me om de sprakeloze poppen, de maskers. Zijn ze sprakeloos of maken ze me sprakeloos? Maakt de sex ze extra pervers? (Ja.)

Naar wie gaan die poppen, wie koopt ze?
Daarop vond ik een antwoord, een documentaire Love dolls in Japan, over een 45-jarige ingenieur die liever poppen in huis heeft dan een echte vrouw (of vrouwen). Hieronder twee stills uit die documentaire:

  

Ik kon me vooralsnog geen vrouw voorstellen die siliconen mannenpoppen wenst. Maar die zijn er ook, met één zoekopdracht (male love dolls) vond ik een verzendwinkel. 6000 dollar voor een 'standard male', '(includes anal entry, plus one size penis attachment)'. (Niet onmogelijk natuurlijk dat het mannen zijn die deze mannenpoppen begeren...)
Barbie en Ken, maar dan levensgroot en voorzien van geslachtsorganen. Het Nederlandse woord dollen krijgt hier een extra lading. Mocht dat levensgroot te groot zijn, dan kun je ook nog alleen het stuk met de edele delen bestellen. De speciale reeks wicked realdolls levert plaatjes op als dit:



Er zijn kennelijk mannen die hierdoor opgewonden raken. Ik staar er even gefascineerd naar, wegens de ambiance en het contrast met die beelden. Wie het iets minder porno-achtig wil, krijgt dit;



Hier verkoopt de winkel zijn pop in een decor dat aan B-films en reclame ontleend is. Andy Warhol zou er wellicht raad mee weten, op jetset-tuinfeestjes. Plaats bij deze Jessica een uit voorraad leverbare Michael, Nick of Nate, steek hem in een sjiek pak en klem een vol champagneglas in zijn hand. Hoe werelds de gasten ook zijn, ze zullen toch even opkijken als ze, hun eigen champagneglas nog in de hand, dit tafereel ontwaren. Met een opgezette python hoort een Tarzan-ontmoet-Jane-tafereel ook tot de mogelijkheden, trek de manpop dan een beestevel aan.

Terug naar de poppen. Het naakte, de geslachtsorganen maakt ze pervers, perverser dan een per ongeluk (half) ontklede etalagepop, en ik besef al gauw dat dit een wereld opent die ik niet per se hoef te verkennen. Ik laat die Japanse ingenieur maar even liggen bij zijn siliconen liefdespoppen.
Wat die etalagepoppen betreft, ter illustratie hieronder twee foto's die ik vorig jaar in Antwerpen maakte:

   


Terug naar de poppen, kunst, goden en de magie van het verhaal.

Poppen en maskers maken is heel oud, ik denk vrijwel even oud als het scheppen van geesten, goden en halfgoden. Hele volksstammen denken dat een god aan het woord is als hun sjamaan een masker opzet en spreekt. Of ze doen alsof, maar in ieder geval verandert er iets door het opzetten van het masker. Is iedere totempaal niet een soort pop?

Gaat er iets van een god over in het beeld van de god? Is dat de reden dat in sommige godsdiensten juist het afbeelden van goden verboden werd? (Vader en zoons Blokker hadden het in Er was eens een god over de 'jaloerse god' die vooral wou dat er geen ándere goden werden afgebeeld en dus aanbeden.)

De wereld is vol tempels waarin mensen offerandes brengen bij poppen, nou ja, beelden dus. De priester kust zijn kruisbeeld, morbide afbeelding van een pop, nou ja, een beeld, van een aan een kruis genagelde halfnaakte man. Er worden kaarsjes aangestoken voor Maria. Wie een hekel heeft aan iemand, maakt een pop die op hem of haar lijkt en steekt er naalden in, ook dat schijnt nog voor te komen.

In de Griekse tragedie en het Japanse Noh-theater droegen en dragen acteurs maskers. Het is de opmaat naar de poppenkast en het schimmenspel.

Mensen maken beelden van andere mensen, van de Chinese stenen soldaten tot machthebbers in soorten en maten (die zichzelf zo nog belangrijker dachten te maken), van tinnen soldaatjes tot de denker van Rodin - en van goden en halfgoden, in vele soorten en maten. Poppen zijn hanteerbare beelden.


De pop wordt kunst, zie bijvoorbeeld deze werken van Orlando (links) en Hanna Goetz (midden), en vergelijk met Jessica en de etalagepoppen boven, maar ook met La Cicciolina als porseleinen beeld (deel van het beeld Made in Heaven).

 

Ja, die Cicciolina was bij uitstek iemand die het popperige dicht naderde: net als Paris Hilton een levende Barbie. Kunstenaar Jeff Koons werd mateloos door haar aangetrokken. Word je een pop op het moment dat je jezelf als kunstwerk beschouwt?
Kunstenaars maken gebruik van (de betovering door) poppen, zowel van de religieuze betovering als van de fascinatie die ontstaat door geforceerde intimiteit, en van de onmiddellijke identificatie die ontstaat door het zien van een gestalte met menselijke trekken.

En uiteindelijk komen we terecht in de kinderkamer en de speelgoedpoppen, bij (o.a.) Barbie en Ken dus, maar ook bij de vele poppen met kinderlijker gezichten en gestalten die ontelbaar veel poppenwiegjes hebben bewoond, en de poppen van de poppenhuizen. En van de poppenhuizen kunnen we eventueel nog een tocht maken langs de vensterbanken en schoorsteenmantels met hun houten of porseleinen herders en herderinnetjes die Jeff Koons ooit op het idee van zijn banalities brachten, en het masker van de klassieke clown, tot we weer bij de beeldende kunst en de fotografie terugkomen.


Is het (ook) die associatie met de kinderkamer die me lang doen kijken naar de foto's van love dolls door Marco van Duyvendijk en Zackary Canepari? En naar zo'n pop van Hanna Goetz? Komt er nog de associatie bij met de zombies, de levende doden in zoveel verhalen? Met het Monster van Frankenstein, per slot ook een soort pop?
Mensen brengen poppen tot leven, letterlijk in verhalen (sprookjes van Andersen!), figuurlijk in kinderspel, poppentheater en in religieuze rituelen, wij zijn poppen in handen van ons onbekende goden (zoals in dat mooie verhaal van Isaac Asimov of Stanisław Lem, titel vergeten, aangehaald in The Mind's I, over twee geleerden die bespreken of een door hen geschapen wereld nu wel of niet mag worden verwoest) en wij heersen over poppen als goden (met het experiment op het Island of Dr. Moreau van H.G. Wells als gruwelijkste variant).
Zijn we voyeur als we naar poppen kijken?
Voelen we ons ongemakkelijk, misschien zelfs betrapt, als we naar onvolmaakte gekunsteldheid van poppen kijken, of is die juist geruststellend en verdwijnt die geruststelling als de gelijkenis te groot is?

Een open einde.




donderdag 14 maart 2013

Wit als sneeuw, zwart als inkt

Wit als sneeuw, zwart als inkt van Vanessa Joosen verscheen op een gunstig tijdstip, eind 2012. Want in 2013 wordt op diverse plaatsen aandacht besteed aan het werk van de gebroeders Grimm, omdat hun eerste verzameling Kinder- und Hausmärchen verscheen in 1812 en 2013. (In 1810 was er overigens al een handschriftliche Urfassung, die tegenwoordig ook te koop is.)
Zo vond vandaag (14 maart) in De Efteling een Grimm-symposium plaats, ter gelegenheid waarvan een aparte website 200 jaar sprookjes van Grimm is verschenen, besteedt de Koninklijke Bibliotheek aandacht aan zijn sprookjescollectie, inclusief een online 'bladerboek' Sprookjes van Moeder de Gans, publiceerde het Duitse weekblad Die Zeit een uitvoerig artikel over de gebroeders Grimm, had het Deutsches Historisches Museum zijn biografieën klaar van Jacob en Wilhelm Grimm, is JuLit 2013-1 aan de Grimms gewijd en zo is er vast nog veel meer te vinden.
Ter gelegenheid van dat Efteling-symposium besteeddde de VPRO-gids nummer 10 nog een artikel aan 'Enge sprookjes', waarin o.a. Beest in bed van Marita de Sterck (De Bezige Bij, 2012) aan bod komt. Auteur Katja de Bruin pakte de telefoon en vroeg mijn oud-redactiegenote (Leesgoed) (o.a.) naar haar mening over de gebroeders.
Marita noemt hun sprookjesbewerking 'deseksualiserend, infantiliserend, romantiserend en moraliserend'. Zo, die staat. Zij genoot zelf 'van de slagkracht van die ruigere, oudere versies' en 'wil dat delen met anderen'.



Wit als sneeuw, zwart als inkt van Vanessa Joosen is evenals haar Critical & creative perspectives on fairy tales (zie bespreking) het resultaat van nijvere studie, maar het is toegankelijker, en niet alleen doordat het in het Nederlands is.

Vanessa Joosen doet in dit boek nauwkeurig uit de doeken hoe het zit met die 'ruigere, oudere versies' van Marita. En levert vervolgens een minutieus verslag van wat men in ons taalgebied schreef over Sneeuuwwitje en hoe men het bewerkte, tot en met de illustraties, die vaak als 'contrapunt' (p. 168) dienen bij het verhaal, wat knap wordt getoond.

Ze doet dat zo grondig dat ik al snel bewondering kreeg: ze moet echt een enorme stapel hebben gelezen. De bibliografie strekt zich dan ook uit van p. 233 tot en met 252.
Opvallend is dat de meest interessante bewerkingen te vinden zijn onder de meest recente, waarbij een ereplaatsje wordt ingeruimd voor Zwart als inkt van Wim Hofman. Dat is niet alleen mijn mening, uit de conclusie die Vanessa Joosen plaatst bij hoofdstuk 6, over die recente bewerkingen, zie p. 230-231, valt te destilleren dat ook volgens haar veel bewerkingen uit deze periode nieuwe perspectieven op het sprookje bieden, hoewel ze het keurig academisch opschrijft en geen waarde-oordeel velt.
Dat doet ze uiteindelijk wel min of meer over de bewerkingen van de firma Walt Disney, die in dit boek (in tegenstelling tot het eerder besproken Critical & creative perspectives on fairy tales) regelmatig aan de orde komen. Logisch, want 'de invloed van Disney op de beeldvorming van "Sneeuwwitje" valt niet te ontkennen, en is door te trekken van de jaren 1940 tot vandaag' (p. 182). Dat blijkt bijvoorbeeld al wanneer je op Google zoekt naar afbeeldingen van 'Sneeuwwitje'.
In de conclusie meldt ze: 'In de moderne bewerkingen is Disney een paar keer opgedoken als referentiekader. In tegenstelling tot de vertalingen en de bewerkingen gaat het hier niet zozeer om een positieve invloed. Auteurs als Boon, Van Daele en Naegels zetten zich af tegen de suikerachtige en burgerlijke invulling en de commerciële exploitatie van het sprookje door Disney.' Dat 'suikerachtige en burgerlijke' is een interpretatie die onder veel recensenten weerklank vindt en niet duidelijk is of dit nu een weergave is van wat Boon, Van Daele en Naegels vonden, of 'men' dit vond of Vanessa Joosen. Het toont eens te meer hoe dun soms de scheidslijn is tussen recensie en wetenschap, of tussen oordeel en beschrijving in de literatuurwetenschap, net als bijvoorbeeld zo'n opmerking op p. 203 over de '"Heile Kinderwelt" of zorgeloze kinderwereld die al in de eerste vertelscène geschetst wordt' (over De tooverring van Klaas Vaak).
Enfin, ik gun het haar, in deze geanimeerde beschrijving van de lotgevallen van Sneeuwwitje op papier. Niet alleen leerde ik veel over Sneeuwwitje, maar ook bieden de vele citaten voer voor vergelijkende stijlstudies.
Neem deze twee citaten (p. 124-125), het eerste van de gebroeders Grimm (versie 1857), het tweede van Jan Jacob AntonieGoeverneur (1861, Oude sprookjes):

Es war einmal mitten im Winter, und die Schneeflocken fielen wie Federn vom Himmel herab, da saß eine Königin an einem Fenster, das einen Rahmen von schwarzem Ebenholz hatte, und nähte. Und wie sie so nähte und nach dem Schnee aufblickte, stach sie sich mit der Nadel in den Finger, und es fielen drei Tropfen Blut in den Schnee. Und weil das Rote im weißen Schnee so schön aussah, dachte sie bei sich hätt ich ein Kind so weiß wie Schnee, so rot wie Blut, und so schwarz wie das Holz an dem Rahmen. Bald darauf bekam sie ein Töchterlein, das war so weiß wie Schnee, so rot wie Blut, und so schwarz haarig wie Ebenholz, und ward darum das Schneewittchen (Schneeweißchen) genannt. Und wie das Kind geboren war, starb die Königin. 
(Zie o.a. hier voor de rest van de tekst.)



Midden in den winter zat eene koningin aan haar raam, schilde een appel en keek tot tijdverdrijf naar de sneeuwvlokken, die voor haar neêrvielen. Toevallig sneed zij zich nu echter in den vinger, zoodat het bloed op de sneeuw druppelde, en zij had een inval en zeide: ‘Och, had ik toch een kind, zoo blank als sneeuw, zoo rood als bloed!’ Kort daarna kreeg zij een wonderschoon dochtertje, dat blank als sneeuw en rood als bloed was; dat noemde zij Sneeuwwitje. En zóó verheugde zij zich over haar liefelijk kind, dat zij van blijdschap stierf. 
(Zie hier voor de rest van de tekst, en de afbeelding.)

Vanessa ontleedt de verschillen nauwkeurig. En merkt er bij op (p. 125):
'Door al te veel zaken uit te leggen, loopt de vertaler het gevaar dat hij als belerend overkomt en de lezer alle ruimte ontneemt om zelf zaken te duiden. Kunnen dergelijke expliciteringen nefast zijn voor het literaire lezen, de onderzoeker bieden ze wel een inkijk in de interpretatie die de vertaler geeft aan het sprookje.'
Een groot deel van dit boek bestaat uit de weergave van zulke inkijkjes. En over haar schouder meekijken was geen straf.


                     


Joosen, Vanessa. Wit als sneeuw, zwart als inkt, de sprookjes van Grimm in de Nederlandstalige literatuur. Lannoo Campus, 2012. ISBN 978 9401 40316 0. € 29,99.

woensdag 13 maart 2013

Juffrouw Laps

De Woutertje Pieterse Prijs, die op 9 maart voor de 26e keer werd uitgereikt (met Kristien Dieltiens met Kelderkind als winnaar, zie hier), is een opmerkelijke prijs.
Het doel van deze prijs is: 'het bevorderen van de kwaliteit van het Nederlandstalige kinder- en jeugdboek'. Laten we die tautologie even voor wat-ie is, dan valt vooral die kwaliteitsbevordering op. Er wordt slechts één criterium genoemd: 'De prijs is vernoemd naar het boek Woutertje Pieterse van Multatuli, omdat het, wat betreft taal en inhoud, de kwaliteit representeert waarnaar de Stichting Woutertje Pieterse Prijs streeft. De in aanmerking komende werken worden beoordeeld op zowel taal en inhoud als op illustraties en vormgeving.'
Opmerkelijk hieraan is allereerst dat Woutertje Pieterse oorspronkelijk geen sluitend verhaal, geen boek was, maar een reeks ideeën, en ten tweede dat die reeks ideeën niet speciaal voor kinderen werd geschreven, de ideeën staan her en der tussen de overige ideeën van Multatuli.
Zoals dit deel uit een prachtige, welbekende dialoog in Idee 391:
'- Juffrouw Laps, ik wenschte te weten wat gy zyt uit een dierlyk oogpunt.
- Daar bemoei ik me niet mee, zei juffrouw Laps, als iemand die op 't punt staat zich beleedigd te voelen.
- Ik ben 'n baker, zei vrouw Stotter, en daar blyf ik by.
- En ik ben de juffrouw van den koekbakker, riep de overbuurvrouw, met iets beslissends in haar toon, die gissen deed dat ze van plan was vasttehouden aan die meening.
- Goed, goed, juffrouw Mabbel, maar ik meen uit 'n dierlyk oogpunt...
- Als 't onfatsoenlyk wordt, ga 'k liever heen, zei juffrouw Laps.
- Ik ook, voegden de juffrouwen Krummel en Zipperman er by, want we komen voor ons plezier.
- Menschen, wees bedaard... 't staat in 'n boek - Stoffel, zeg 't maar - je zult 'r om lachen, juffrouw Mabbel, en 't mooiste is dat in 'n boek staat... je kunt er niets tegen zeggen - toe, Stoffel, zeg 't maar!
- Juffrouw Laps, zei Stoffel plechtig - en er was 'n gewichtig oogenblik aangebroken in 't avendje van juffrouw Pieterse - juffrouw Laps, je bent 'n zoogdier.'

Dat kan niet anders betekenen dan dat de oprichters van de prijs de jeugdliteratuur uitdrukkelijk willen zien als deel van de literatuur in het algemeen, in die zin dat jeugdliteratuur ook beoordeeld zou moeten worden zoals alle literatuur beoordeeld wordt.
Die stellingname is expliciet te vinden in het allereerste juryrapport, met Jan Blokker als voorzitter, in 1988:
' Kinderen, die nog weinig weten, dus op een benijdenswaardige manier onbevangen zijn, kunnen al lezend een paradijs van geheimzinnigheden betreden - aangenomen dat ze gezegend worden met boeken van schrijvers die dát weten: die de raadselachtige wereld kunnen oproepen waarin vallen geen pijn doet. Wat dat betreft moet er ook geen onderscheid gelden tussen kinderboeken en andere boeken: alle boeken maken, als ze goed zijn, gelijkelijk deel uit van wat we literatuur noemen.
Binnen de jury van de Libris Woutertje Pieterse Prijs waarvan ik de eer had voorzitter te mogen zijn, bestond over dat uitgangspunt geen verschil van mening. '

Tot die jury hoorden verder nog Bregje Boonstra, Kurt Löb en Wam de Moor: een kinderboekspecialist, een literatuurdeskundige tout court en een grafisch kunstenaar.
Die samenstelling is kenmerkend voor de jury's: daaraan nemen steeds mensen zitting die niet a priori deel uitmaken van de kleine gemeenschap van kinderboekspecialisten. Als voorzitter wordt vaak een min of meer bekende Nederlander benoemd, dit jaar bijvoorbeeld Hanneke Groenteman, 2010-2012 Frank Groothof, 2008-2009 Femke Halsema, 2007 Frits Spits en zo verder.
En verder zit er altijd wel een vormgever of iemand anders van buiten de kinderboekenwereld in. Daarnaast overigens wel degelijk mensen uit die kinderboekenwereld.
Zie ook het uitstekende overzicht van juryrapporten en uitreikingen op de website van de prijs.

Tekenend voor de positie van de prijs is ook dit citaat, uit het juryrapport 2010:
' Bij de Annie M.G. Schmidtlezing van 2006 constateerde schrijver Edward van de Vendel een kloof in de wereld van het kinder- en jeugdboek. Aan de ene kant heb je schrijvers die bij hun proza en gedichten vooral iets willen scheppen dat voldoet aan literaire maatstaven. Aan de andere kant heb je schrijvers die in hun werk vooral aansluiting zoeken bij de belevingswereld van de doelgroep.
Die kloof is de afgelopen jaren groter geworden door het ontstaan van een bestsellercultuur, waarbij van steeds minder titels steeds meer exemplaren worden verkocht. Terwijl ‘literaire’ auteurs muurbloempjes worden in de boekhandel, worden de ‘populaire’ auteurs veelal doodgezwegen door critici en jury’s van literaire prijzen.
Van de Vendel deed een oproep aan de schrijvers om de kloof te verkleinen. Zo moesten de literaire auteurs meer aandacht hebben voor de actualiteit, zodat hun werk meer maatschappelijke urgentie zou krijgen. Populaire schrijvers zouden de literaire middelen meer en beter moeten benutten, zodat hun werk aan diepgang zou winnen.
De jury van de Woutertje Pieterse Prijs was zich bij de beoordeling van het boekenaanbod van 2009 scherp bewust van die twee polen in de kinder- en jeugdboekenwereld. De zware taak om een kleine 150 appels en peren met elkaar te vergelijken was deze keer nog zwaarder dan gebruikelijk. Dat kwam doordat de beste appels en de peren elkaar dit jaar in kwaliteit zo weinig ontliepen. De overduidelijk literair getoonzette boeken konden de gewekte verwachtingen vaak niet helemaal waarmaken. Daarentegen waren er enkele opvallend sterke inzendingen in het meer populaire genre. '

Tja, wat een geworstel. Wanneer wordt een literaire stijl mooischrijverij? Een stijl dient altijd het verhaal. Soms blijkt een appel dus een peer:
' Een boek dat wordt gevreten door de doelgroep van lezers van twaalf jaar en ouder is Tiffany Dop van Tjibbe Veldkamp. Dit is een ontzettend grappig en goed geschreven verhaal over een white trash-milieu dat alle clichés vermijdt. Een origineel gegeven – namelijk een meisje van 13 jaar dat een baby wil – wordt heel erg goed en met veel humor uitgewerkt. Veldkamp schrijft lichtvoetig over een onderwerp dat makkelijk zwaar kan worden: moeder die de hoer speelt en geld van kinderen inpikt, criminele broertjes en ranzige stiefvader. De personages zijn geloofwaardig; ze worden kort maar kernachtig neergezet.
Tiffany Dop heeft dus ook de literaire lezer veel te bieden en gaf de jury een "bats veur de kop" zoals het in dit boek vaak wordt gezegd. Als er één boek de kloof tussen populair en literair afgelopen jaar heeft gedicht is het wel dit boek van Tjibbe Veldkamp. '

Dit soort uitspraken maken de 26 juryrapporten van deze prijs boeiend leesgoed.

Ik eindig daarom met een citaat uit het meest recente juryrapport:
' De jury van de 26ste Woutertje Pieterse Prijs kreeg dit jaar opvallend veel boeken onder ogen waarin PROBLEMEN met hoofdletters worden geschreven.
Is dat erg? Nee hoor: literatuur gaat niet over vlot verlopende levens en eenvoudige verwikkelingen. Een probleem is vaak de motor van een goed lopend verhaal. En literatuur mag, nee moet de vinger op pijnlijke plekken leggen: literatuur kan schuren, schrijnen en knerpen. Jeugdliteratuur is daar geen uitzondering op. Veel van de huidige jeugdliteratuur sluit bijna pijnlijk aan bij de actualiteit en gaat over kinderen die worden buitengesloten om hun anders zijn. Ze worden gepest en gaan zich daar soms ook naar gedragen. Of ze proberen zich te conformeren, of slaan op de vlucht.
“Kinderen zijn kwetsbaar spul. Volwassenen zijn gelijmde kinderen”, zei de Vlaamse journalist Johan Anthierens. Kwetsbaar spul waarin barsten, scheuren, butsen en deuken ontstaan, die de rest van het leven door kunnen werken.
De jury las boeken waarin een probleem eendimensionaal wordt neergezet en die snel naar een oplossing toe werken. Dat is niet zo interessant. Boeiender literatuur lazen we van auteurs die durven af te wijken van dat stramien en een gelaagd verhaal componeren met verrassende wendingen. Dat geeft hen de mogelijkheid om te spelen met verwachtingspatronen: er worden nuances aangebracht en zaken omgedraaid. In deze boeken lopen goed en kwaad door elkaar en zit er veel grijs tussen het zwart en wit. '
Het sluit naadloos aan op het allereerste juryrapport. En dat vind ik een compliment.


Schoon en groot

Twee lastige woorden in het Nederlands. Onlangs kwam ik groot nog tegen in Wikipedia bij de beschrijving van Multatuli, in verband met de Woutertje Pieterse prijs. Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker) kwam ooit in een tv-programma De grootste Nederlander terecht op de 34e plaats. 'Door middel van een verkiezing werd vastgesteld wie volgens het Nederlandse publiek de grootste Nederlander aller tijden is.'
Top tien:

Pim Fortuyn (politicus) [feitelijk tweede.]
Willem van Oranje (Vader des Vaderlands), [feitelijk eerste.]. Feitelijk geen Nederlander maar Duitser.
Willem Drees (premier in vier naoorlogse kabinetten)
Antoni van Leeuwenhoek (baanbrekend cel- en microbioloog met microscoop)
Desiderius Erasmus (filosoof, humanist)
Johan Cruijff (een van 's werelds grootste voetballers en coaches)
Michiel de Ruyter (Nederlands admiraal, groot zeeheld)
Anne Frank (Joods meisje, omgekomen in Tweede wereldoorlog; Geboren Duitse, vanaf 1941 staatloos.
Rembrandt van Rijn (schilder)
Vincent van Gogh (schilder)

Nou gaat het me even niet om de rariteit van de gekozen namen (Cruijff naast Erasmus, bien étonné!), maar om dat grote. Anne Frank was helemaal niet zo groot en kreeg helaas de kans niet om tot volwassen grootte door te groeien. Ook Willem van Oranje was, meen ik, niet zo'n grote man. Fortuyn was wel redelijk lang.
De Britten hebben hier niet zo'n last van. De greatest Briton hoeft niet per se de tallest Briton te zijn. Een great painter is beslist niet altijd een big of tall painter. Ook de Duitsers doen het anders: hún versie van dit tv-programma heette Unsere Besten. Helmut Kohl, beslist ein großer Mann, staat op nummer 13. Maar uit een artikel als 'Hitler, ein großer Mann?' (Der Spiegel, 1-2-1989) blijkt dat ook het Duits de dubbele betekenis kent.
De Fransen kennen eveneens de verwarring, hun plus grand français (ook al zo'n tv-programma, er is in de periode 2000-2005 erg leentjebuur gespeeld) zou ook de langste Fransoos kunnen zijn: het was namelijk Charles de Gaulle en die was inderdaad aan de grote kant.

Een groot schrijver of een grote schrijver? Hier horen we het verschil wel. Maar mocht je je afvragen wie de grootste schrijver ooit was: wat of wie bedoel je?

Schoon is ook een vervelend woord. Of misschien vooral schoonheid.
Leuk om te vermoeden dat ook Bregje Boonstra worstelde met dit naar zeepsop klinkende woord toen ze een van haar boeken Wat een mooite! noemde (Querido, 2009). Wat klinkt dat directer, onbekommerder en eh, mooier dan Wat een schoonheid!.
Schoon is je huis na een stevige poetsbeurt en alleen in het zuidelijk deel van ons taalgebied betekent schoon ook nog mooi, zoals in het Duits (schön). In het noordelijk deel krijgt het woord alleen die betekenis in een bepaalde context en klinkt het altijd wat plechtig en ouderwets. In een schoon kleedje splitsen zich Noord- en Zuid-Nederlands (ofwel Vlaams) tussen een versgewassen vloerkleedje en een welgekozen kledingstuk.
Over de schoonheid van een huis na een poetsbeurt wordt echter zelden gesproken. Ondanks de dappere poging van Bregje heeft men het nog altijd over de schoonheid van een kunstwerk en daarmee bedoelt men niet dat het zojuist is afgestoft. Tussen een mooi kunstwerk en de schoonheid van een kunstwerk treedt plechtigheid aan, die slechts ontbreekt als een mooie dame (of heer) de loftuiting schoonheid krijgt toegeroepen.

Intussen toont deze bespiegeling dat er veel mooite schuilt in taal.