Zoeken in deze blog

donderdag 14 januari 2016

Sélection 2015

Leesgoed mag dan opgeheven zijn, La revue des livres pour enfants gaat onversaagd door, geholpen door de Franse overheid middels de Bibliothèque nationale de France en het daartoe horende Centre national de la littérature pour ja jeunesse la Joie par les livres.
Het bevordert de zichtbaarheid van dat centrum. Het in 1997 in de Koninklijke Bibliotheek (NL) opgenomen Boek en Jeugd zou ik zo'n zichtbaarheid graag gegund hebben. De KB beheert de collectie voortreffelijk, maar een centrum voor de Nederlandstalige jeugdliteratuur ontbreekt sindsdien.




Eens per jaar biedt La revue des livres pour enfants een selectie uit een jaar jeugdliteratuur. Zo ook nummer 285 (november 2015). 885 titels, verdeeld in de hoofdstukken
'Albums',
'Contes',
'Textes illustrés',
'Poésie',
'Théâtre',
'Romans et premières lectures' (onderverdeeld in leeftijdsgroepen 6-8, 9-10, 11-12, 13+ en 15+),
'Québec' (onderverdeeld in genres),
'Afrique, Caraïbe, Océan Indien et monde Arabe' (onderverdeeld in genres),
'Bandes dessinées' (onderverdeeld in 'Enfance', 'Humour', 'Société', 'Sagesse et sentiments',  'Amour', 'Aventure et sport', 'Histoire et western', 'Fantastique et Fantasy', 'Science-fiction', 'Policier et espionage', 'Patrimoine et Classiques'),
'Documentaires' (onderverdeeld in 'Art', 'Sciences humanes', 'Sciences et techniques' en 'Autres documentaires'),
'Livres cd',
'Cinéma',
'Jeux vidéo',
'Applis',
'Magazines pour enfants' en
'Ouvrages de référence',
met daarachter nog drie indexen: op auteur, titel en thema. Een kloeke gids van 222 p.

Opvallend vond ik de onderverdeling bij de strips (BD), die zeer afwijkt van die van de prentenboeken, oude verhalen (sprookjes e.d., contes) en romans, en verder als ieder jaar de vanzelfsprekende opname van die strips, in afwijking van vergelijkbare jeugdliteratuurgidsen in Noord-Europa.
Wat me ook opviel is de opname van wat hier nog vaak de 'nieuwe media' wordt genoemd, al wordt dat nieuwe steeds relatiever. En de Applications van Sélection 2013 heten sinds 2014 Applis.
Een snelle blik op de auteursindex onthulde naast Boudewijn Koole (Little Bird, film), Barbara Stok (Vincent) en Edward van de Vendel (Le chien que Nino n'avait pas) geen andere Nederlandse of Vlaamse naam. Wel vielen de Engelse en Japanse namen op tussen de Franse, de gids beperkt zich niet tot oorspronkelijk Franstalige titels. Iedere titel is voorzien van een annotatie en afbeelding.

Van de ons omringende talen (Duits, Engels en Frans) is Frans het stiefkindje. In het Nederlandse onderwijs kiezen (te) weinig leerlingen Frans als vak. Ik weet niet of er nog bibliotheken zijn die er een collectie Franse jeugdliteratuur op na houden.
Voor die collectiebeheerders is deze gids van grote waarde.

In Frankrijk zullen veel ouders aanhikken tegen de omvang. Daarom publiceert La Joie ieder jaar, nu ook, een selectie uit die selectie als klein boekje, Flash! 2015-2016, nos 100 livres préférés, dat Franse bibliotheken en boekwinkels kunnen uitdelen aan hun klanten.

donderdag 19 november 2015

Lettersoep

Een tijdje geleden verscheen er van Joke van Leeuwen een prentenboek: Mooi boek. Helemaal Joke van Leeuwen, en passend in de lange reeks abecedaria die de jeugdliteratuur rijk is.
Het is dus wat flauw om Lettersoep van Harriët van Reek hiermee te vergelijken. Maar het gebeurde vanzelf, Mooi boek lag nog te vers in mijn herinnering om dat te vermijden.

Lettersoep van Harriët van Reek is een heel ander boek. Het bevat één verhaal, over de Letterel en de Letterpoes. De Letterel is gek op letters.



Hij ziet ze overal en stelt woorden samen uit van alles.
Zelfs als hij niets ziet, ziet hij een woord: NIETS. En dat verknipt hij tot FIETS en hij zegt dat hij er nog veel meer van kan maken: 'een HOK, een HEK, een PAN, een KIP. Te veel om op te noemen.'

En als Letterpoes trek heeft en zegt; 'Ik zou best iets lusten, maar er is geen ene M te eten', dan maakt Letterel een pan lettersoep. Hij 'gaat naar de letterkast. Hij pakt een potje inkt, het inktlapje, een kroontjespen en een vel papier en gaat aan tafel zitten.'

'Geschreven soep? zegt letterpoes. Met geschreven balletjes, geschreven sliertjes en geschreven brood erbij?
Jazeker, zegt Letterel. Lust je dat niet?
Ik wel, zegt letterpoes, maar jij? Heb jij geen trek in witte puntjes en soep met verse groenten? En wat dacht je van echte balletjes?'




We zijn nog maar tien pagina's ver, maar hier begon het bij mij te wringen. Er zit iets gekunstelds in dit verhaal. Dat ik het niet zo spannend vind, o.k., maar er klopt iets niet. Hier bewegen zich twee wezens die wel of niet uit letters bestaan door een wereld die wel of niet (of deels) uit letters bestaat. 'In het gras bloeien schuine gele en scheve witte letterbloempjes.' En dat gras dan?

Sommige woordspelingen ('witte puntjes'; 'bruine puntjes';  'de peeën zijn dik', letterpoes schrijft 'een kattebelletje') zijn grappig, maar ja, de jeetjes en geetjes minder, net als de combi van witte puntjes met soep en echte balletjes en het is even zoeken naar de overeenkomsten en verschillen in 'U-worst, IJ-worst, gehakt van de Vee, L-koteletten, gebraden Kaa-filet, Pee-staart, Bee-brei, Tee-bot-stuk en zure Zet'.

Afijn, ze zijn dus de deur uitgegaan met een boodschappentas, komen langs de bakker ('T, lekker voor bij de thee'), de slager ('lust je dat, letterpoes, een echt hanepootje?'), de smid (voor een soeplepel) en gaan weer naar huis, waar ze 'letterig uit het raam' kijken. 'Een grote Z vliegt door de lucht. Een V zit te fluiten op een tak.' Er wordt lettersoep gemaakt, een brief geschreven, een eindje gewandeld en uiteindelijk komen alle letters de lettersoep eten. Daartussen gebeurt er ook nog het een en ander, maar echt spannend wil het niet worden en het lettergetetter gaat maar door. Zelfs met een los eindje, want hoe komt Letterel nou uit de P?  Of houdt de droom ineens op?




Het verhaal is heel letterig, zit vol woordspelletjes met letters, in woord en beeld. De spelletjes zijn heel divers, ongelijksoortig, spelletjes met klankovereenkomsten ('T, lekker voor bij de thee'), vormen ('U-worst'), afkortingen ('Bee-brei' voor balkenbrij, "V zit te fluiten op een tak') en meer.
Veel hiervan komt terug in de beschrijving van de feestmaaltijd, naast een mooie plaat.



'Alle letters hebben lettersoep gegeten. Alle borden zijn schoongeschreven.
Hoe het was?
De K's wilden kaas. De IJ's riepen is er ijs toe? De W's wisten allemaal weetjes en wezen naar de H's, die achter een stelletje andere H's aanliepen, die zeiden dat ze geen Haas heetten en de L'en liefkoosden ene Ellie, die geen peeën lustte en met lange tanden naar de kop thee van de T keek, die tegen de F aanleunde, die riep, ik ga effe de O in het Ootje nemen en de X en de Y zaten samen met A en B aan de lettersommen. De M'en mummelden mmmmmmmm en een paar Zetten kwamen op het laatst ook nog aanzetten.
Zo was het.'

Tja. Gezellig rommelig dus, maar dit citaat toont (en is daarmee representatief) ook een zekere willekeur in de vondsten, tot en met de peeën, die kennelijk als enige letters gegeten wérden in plaats van te eten, zoals dat de T eerder overkwam (bij de thee). Met meer inspanning had deze maaltijd een prachtig abc kunnen worden, nu is het een b'tje een z'tje. Met nog meer inspanning had het verhaal een spitsvondig lettervind- en/of letterherkenverhaal kunnen worden. De prenten zijn bijzonder, heel stijlvol en mooi en soms heel doorwrocht, maar ze helpen het verhaal niet overeind.
Op zijn best levert het inspiratie om anders naar dingen te kijken (welke letter zie je er in?) of te luisteren (welke letter hoor je er in?). Maar dat herkennen van letters in voorwerpen doet Mooi boek toch echt beter.
Het kan voor kinderen die net hebben leren lezen een feestje zijn om alle letters te herkennen in de platen, en mee te grinniken om woordlettergrapjes.
Dat neemt niet weg dat ik teleurgesteld ben. Er had met dit idee zoveel meer gekund.



Harriët van Reek. Lettersoep. Querido, 2015. ISBN 978 90 451 1871 0.

NB. De Penseeljury 2016 was zo enthousiast over de illustraties dat ze een Gouden Penseel aan Lettersoep toekende. Fijn voor Harriët van Reek. (21-09-2016)


vrijdag 30 oktober 2015

Muziek is geen taal (maar heeft er wel mee te maken)

Iedereen is muzikaal is zowel een uitdagende stelling als een interessant boek. De auteur, Henkjan Honing, is hoogleraar muziekcognitie aan de Universiteit van Amsterdam. Het boek biedt een antwoord op de lang niet eenvoudige vraag wat muziek is en hoe we ernaar luisteren.
Daarbij gaat hij ook in op de vergelijking van taal en muziek, na eerst al beschreven te hebben hoe moeilijk het is om muziek te beschrijven zonder metaforen te gebruiken die ontleend zijn aan andere disciplines.

Ik moest onmiddellijk denken aan het aloude klassieke muziek-programma 'Discotabel', tegenwoordig iedere zondag, met zijn 'opname A', 'B' en 'C' en de experts die zich daarover uitlaten. Ze maken gebruik van een groot arsenaal aan termen en metaforen om duidelijk te maken dat de ene opname toch net iets geslaagder is dan de andere. Overigens verschillen ze soms in hun voorkeuren, gelukkig.
Benieuwd wat ze zouden denken van Cory Arcangel's 'Drie Klavierstücke', een ingenieuze collage van fragmenten uit films van katten die over piano's lopen en samen muziek van Schönberg uitvoeren.
En dat kunstwerk haal ik dan weer uit een boek dat ik aan het lezen was toen ik Iedereen is muzikaal kreeg: Ways of looking, how to experience contemporary art van Ossian Ward. Gekregen voor mijn verjaardag, in Venetië, waar de 56e Biennale woedde, dus heel toepasselijk.

Toeval bestaat, het is aan mij om verband te leggen.

Het verband is natuurlijk dat hedendaagse muziek óók contemporary art is, al heeft Ward het alleen over beeldende kunst. En dat voor beeldende kunst ook opgaat, zij het misschien in mindere mate, wat Honing over muziek schrijft, namelijk dat-ie in principe 'onverwoordbaar' zou zijn. In beide boeken komt een variant van een bekend gezegde voor: waar Ward schrijft 'beauty is in the eyes of the beholder', schrijft Honing (p. 71) 'music is in the mind of the beholder'. Een uitgangspunt dat al is terug te vinden bij William Shakespeare (Love's Labours Lost, 1588)...

Good Lord Boyet, my beauty, though but mean,
Needs not the painted flourish of your praise:
Beauty is bought by judgement of the eye,
Not utter'd by base sale of chapmen's tongues

... en David Hume (Moral and Political, 1742).

Beauty in things exists merely in the mind which contemplates them. (Bron)

Het lenen van metaforen uit andere disciplines gaat eigenlijk voor veel kunstbeschrijvingen op, ook voor literaire kritiek. Geen poëzierecensie of er komt wel een metafoor voorbij uit een andere categorie - bijvoorbeeld muziek. Zo beschrijven en beoordelen we dus muziek met poëtische en poëzie met muzikale termen. Ja, een vergelijking helpt, zou een retoricus zeggen.
Ik noem muziek en poëzie niet voor niets naast elkaar. Beide kennen klank en ritme. Honing weet me ervan te overtuigen dat muziek geen taal is (en ook geen geluid, muziek is 'luisteren naar geluid'), maar dat neemt die overeenkomst niet weg.
Henkjan Honing schreef ook boeiende en overtuigende hoofdstukken over het waarschijnlijk aangeboren maatgevoel. Dat vermogen om verschillen in maat en ritme te onderkennen kon echter ook wel eens te maken hebben met ons vermogen om woorden en zinnen te onderscheiden, zoals hij ook ergens opmerkt.

Iedereen is muzikaal gaat uitdrukkelijk over luisteren naar muziek, niet over het maken van muziek, waarin heel wat musicologen in verzanden als ik hem mag geloven. Een intelligent uitgangspunt, want je kan zoveel muziek maken als je wil, als niemand het als muziek herkent ben je erg alleen op de wereld. Dat geldt voor alle kunst. Kunst is wat wij kunst vinden en met opzet schrijf ik wij, niet ik, want hier heersen veel conventies. Dat is niet erg, zolang we ons dat realiseren en niet denken te praten als vertegenwoordiger van een Groot Gelijk.

Hier kan ik even inhaken op discussies die zich met enige regelmaat afspelen onder recensenten van jeugdliteratuur. Meer nog dan onder literatuurrecensenten i.h.a. bestaat daar de neiging om een oordeel te verabsoluteren. Een kinderboek wordt dan niet goed gevonden, maar ís domweg goed. Kinderboekrecensenten als keuringsdienst van waren, meer dan van waarden.
Iets meer bescheidenheid zou hier passen.

Terug naar Henkjan Honing.
Laat ik, voordat ik verder inga op zijn argumenten en wat leuke citaten plaats, wat complimenten maken.
Het boek is licht (dus een goed reisboek), ondanks de 207 pagina's, gedrukt in een goed leesbaar lettertype en helder geschreven. Waarmee ik bedoel dat ik het kan volgen, terwijl ik nog nooit een musicologisch werk heb gelezen. Het is wetenschapsjournalistiek van de bovenste plank (mooie, veelgebruikte metafoor), maar intussen is er wel een register, vermeldt hij zijn bronnen (honderden titels) en vat hij voorgaande opvattingen knap samen.
Er zijn QR-links naar de website Iedereenismuzikaal.nl met luistervoorbeelden. Handig! Je leest, hij noemt een voorbeeld, je zoekt achterin de QR-link op, scant hem met je slimme telefoon en voilà, een geluidsfragment. Ideaal als je op reis bent (zoals ik toen ik begon te lezen) en geen laptop o.i.d. in de buurt hebt. (Je moet wel verbinding met internet hebben.)

En voor ik het vergeet: hij mag dan met verve duidelijk maken dat bijna iedereen muzikaal is, hij vergeet niet te benadrukken dat muziek maken niet zo makkelijk is en veel oefenen vergt.
Bijna iedereen. Ergens vermeldt hij dat je zijn titel 'natuurlijk' met een korreltje zout moet nemen, en hij gaat ook in op het verschijnsel toondoofheid. Niettemin is de essentie dat maatgevoel aangeboren is en dat bovendien vrijwel iedereen tonen kan onderscheiden. Maar let wel: verschillen tussen tonen kunnen horen is nog heel iets anders dan ze kunnen nazingen.

In het hoofdstuk 'Muziek als taal' beschrijft hij hoe enthousiast de theorie van Noam Chomsky werd losgelaten op muziek - dat wil zeggen, op partituren. Er verscheen in 1983 zelfs een complete Generative Theory of Tonal Music. Zoals Chomsky met 'boomstructuren' werkte, probeerden zij ook diagrammen te maken die zouden moeten 'aangeven hoe een luisteraar losse noten interpreteert en daar een geheel van melodische, harmonische en metrische structuren uit opbouwt' (Honing, p. 46).
Honing: 'Het is natuurlijk zeer de vraag of, en in hoeverre, een partituur een perceptuele realiteit is: een afbeelding van wat de luisteraar hoort.'
Hoe je zo precies mogelijk in kaart kan brengen hoe luisteraars muziek horen, daarvan heeft hij rijkelijk veel voorbeelden uit eigen en andermans onderzoek.

Op p. 56 vat hij de verschillen tussen taal en muziek samen. Heel kort:
- muziek heeft geen syntaxis, geen grammatica zoals taal die kent.
- muziek heeft geen semantiek, 'de betekenis zit in het toonhoogteverloop, het ritme en de timing. De afzonderlijke noten zelf zijn betekenisloos'.
- muziek lijkt veel directer aan emoties te appelleren dan taal.
- muziek laat zich niet vangen in een alfabet. 'Een compositie, vastgelegd in een partituur, is in het gunstigste geval als een kookboek: het bevat instructies over het wat en hoe, maar heeft geen invloed op het savoureren, het proeven en genieten, van de bereide (muzikale) gerechten.'
En op de volgende pagina:
- muziek is niet na te vertellen.

Er mag dan geen taal in muziek zitten, er zit wel muziek in taal. Daarop gaat Honing niet in, daarover gaat zijn boek ook niet.
Het zou erg interessant zijn om de proefjes die hij op p. 105 e.v. beschrijft, over het 'geheim van de "luide rust"', op gesproken zinnen los te laten, en daarvoor dan bij voorkeur nonsenstaal te nemen zoals in 'De Blauwbilgorgel' van Kees Buddingh', 'Jabberwocky' van Lewis Carroll of desnoods 'De mus' van Jan Hanlo, hier op muziek.




Henkjan Honing. Iedereen is muzikaal, wat we weten over het luisteren naar muziek; nieuwe, uitgebreide editie. Nieuw Amsterdam, 2014, 6e druk. (1e bijdruk van de 5e, herziene druk, 2012.)

NB d.d. 1-11-2015:
Leuk berichtje in de Volkskrant van 31-10-2015:

Zingen kalmeert

Wat menig ouder al aanvoelde, is nu wetenschappelijk aangetoond: zingen werkt beter om een baby te kalmeren dan praten. Na een liedje bleven de jonge kinderen gemiddeld twee keer zo lang rustig. Bij het experiment, gepubliceerd in Infancy, zaten ouders achter hun kinderen. Zo voorkwamen de onderzoekers dat ook oogcontact of gezichtsuitdrukkingen de baby's konden kalmeren. De Canadese proefpersoontjes luisterden bovendien naar bandopnames van een pratende of zingende vrouw in een voor hen onbekende taal: het Turks. Ook het herkennen van het liedje of de stem van de zangeres speelde dus geen rol. Volgens de onderzoekers doen ouders er goed aan meer te zingen voor hun baby's.
Bron helaas niet nader benoemd.



woensdag 28 oktober 2015

Burgers laatste keer

Daar gaan we weer even.

In de Volkskrant 6-8-2015 een verslag door journalist Jeroen Visser over de 'vrijspraak voor agent die Stok neerschoot'.
'Het OM en de rechters zeggen dat burgers mondiger zijn geworden.' Dat OM en die rechters zijn dus zelf kennelijk geen burgers.

En op 8 september was er een bericht omtrent de Overdiepse Polder, waar acht boeren wonen in splinternieuwe boerderijen op splinternieuwe terpen. Een initiatief van boeren, omdat deze polder bij heel hoog water onder mag lopen. Geciteerd wordt ene Peter van Rooy, die 'intermediair was tussen bewoners en overheid'. "Iedereen heeft de mond vol over burgerparticipatie. Maar het is vooral de overheid die beter moet participeren. Die meer zijn best moet doen, sneller moet opereren en beter moet luisteren naar de burgers."
Hier telt de overheid eerst al geen bewoners (ambtenaren en bestuurders wonen niet, kennelijk), en vervolgens ook geen burgers, waaruit we zouden mogen afleiden dat burgers nooit bij de overheid werken. Of ze zijn ambtenaar van negen tot vijf en daarna burger, of zo.
Boeren worden hier overigens bij burgers gerekend.

Op Prinsjesdag ging het natuurlijk ook weer over burgers, aan wie de regering, volgens de Volkskrant 14-9-2015, iets 'geeft'. En 'ook is het goed voor de consumptie, als mensen meer geld in de portemonnee overhouden.' Begrijp ik het goed en bestaat de regering niet uit mensen? En is het goed voor 'de consumptie' als mensen geen geld uitgeven? (Want 'in de portemonnee overhouden'.) En is 'de consumptie' een na te streven doel? O ja, de 'belastingbetaler' duikt natuurlijk ook weer op, want die 'mag wel eens wat terugkrijgen'. (Waarom eigenlijk?)

In Duitse berichten komen Gutbürger en Wutbürger langs, mooi gevonden, en in eigen land hebben we tijdens de instroom van extra vluchtelingen veel 'boze burgers', en in De Groene Amsterdammer van 22-10-2015 kwamen 'pleinburgers' langs, een term van Herman van Gunsteren die slaat op mensen die liever op het plein democratie bedrijven als in het stemhokje, en enkele bladzijden verder 'betrokken burgers', die mee zouden moeten denken over wat universiteiten onderzoeken en ook 'bedrijven en burgers' kwamen langs.
Waaruit ik opmaak dat universitaire onderzoekers en bedrijfsmedewerkers geen burgers zijn.

Ik kan zo eindeloos doorgaan en dat lijkt me vervelend.

Afrondend concludeer ik dat burgers vooral die anderen zijn, voor wie we werken. Bestuurders, rechters, politici, militairen, politiemensen en andere ambtenaren, onderzoekers, bedrijfsmedewerkers, allemaal hebben ze het over burgers alsof zij dat zelf niet zijn. Of alleen in hun vrije tijd.
De burger is het functieloze, amorfe wezen tot wie je je richt.
De burger is niks.
Of we zijn het allemaal. Op de koning na, misschien.

NB d.d. 23-5-2016. Deze kon ik niet laten schieten: in De Groene Amsterdammer van 19-5-2016 maakt recensent Loek Zonneveld onderscheid tussen bons en burger.





maandag 26 oktober 2015

Een persbericht van IBBY Nederland, ik neem het integraal over:

'Om degenen die erg veel aan beheer, voorlichting, onderzoek en publicaties betreffende de geschiedenis van de Nederlandstalige kinder- en jeugdliteratuur hebben gedaan, te eren en anderen te stimuleren om ook tot bijzondere resultaten op dit terrein te komen, heeft de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur in 2000 de Hieronymus van Alphen Prijs ingesteld, thans bestaande uit een toepasselijk beeldje van de beeldend kunstenaar Marion Ruting en een oorkonde. De prijs wordt sinds 2008 eens in de twee jaar uitgereikt. Op vrijdag 22 oktober werd de prijs voor de twaalfde keer uitgereikt en wel aan prof. dr Rita Ghesquière.

Enkele passages uit het juryrapport:

De laureaat heeft in Vlaanderen  de basis gelegd voor het academisch onderzoek naar de jeugdliteratuur, zowel die uit Nederland en Vlaanderen als uit andere landen. Als hoogleraar literatuurwetenschap in Leuven gaf zij, want zij is al enkele jaren met emeritaat, vanaf 1980 colleges over jeugdliteratuur en dat was in die tijd nog niet echt heel gebruikelijk binnen de universiteiten. Daarmee droeg ze in belangrijke mate bij aan de emancipatie van het onderzoek naar de Nederlandstalige jeugdliteratuur.

‘Talrijk zijn haar publicaties over jeugdliteratuur. Bij elkaar geven ze blijk van haar brede en veelzijdige deskundigheid op dit terrein. Of het nu gaat om het benaderen van kinder- en jeugdboeken vanuit een receptie-theoretische invalshoek, of over het recenseren ervan, de verhouding jeugdliteratuur – volwassenenliteratuur, leesbevordering, uitgeverijgeschiedenis, filosofische aspecten van jeugdliteratuur, jeugdliteratuurhistorische thema’s – de laureaat heeft er haar licht over laten schijnen. Geen onderzoeker of docent jeugdliteratuur kan om haar publicaties heen. Het verschijnsel jeugdliteratuur (in 2000 verscheen een zevende druk onder de titel Jeugdliteratuur in perspectief) kan inmiddels een standaardwerk genoemd worden.’

‘En als laatste wapenfeit noemen we de vorig jaar verschenen geschiedenis van de Nederlandstalige kinder- en jeugdliteratuur, Een land van waan en wijs, dat zij samen met Helma van Lierop-Debrauwer en Vanessa Joosen mogelijk heeft gemaakt en waaraan zij ook meerdere hoofdstukken heeft bijgedragen. Kortom, een veelheid aan activiteiten en indrukwekkende publicaties om het onderzoek naar de kinder- en jeugdliteratuur te verdiepen en te verbreden, te stimuleren en onder de aandacht te brengen.’

‘Dit veelzijdige werk vraagt om waardering. Bij haar afscheid als hoogleraar in Leuven werd een vriendenboek met de mooie titel Eeuwige jeugd gepubliceerd, een vriendenboek waarin een groot aantal onderzoekers, auteurs, uitgevers en recensenten een bijdrage over een favoriet jeugdboek leverde. Deze bijdragen laten nog eens zien welk een grote invloed de laureaat op generaties jeugdliteratuuronderzoekers en -schrijvers heeft gehad. Wij willen deze hulde graag uitbreiden met een prijs. En we zijn ervan overtuigd dat iedereen in de zaal nu wel weet dat de Hieronymus van Alphenprijs 2015 alleen maar kan gaan naar prof. dr Rita Ghesquière.’

Meer informatie is te verkregen bij de Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur'




Afgezien van de treurige tautologie kinder- en jeugdliteratuur gun ik Rita Ghesquiere deze beloning van harte. Zij was en is een constante factor in de bestudering van jeugdliteratuur en verleende ook graag haar medewerking aan allerlei activiteiten op dat gebied.
Ze komt vaak over als een wat traditionele dame, maar je kan je vergissen, getuige haar uitlating over de universiteit als mannenbolwerk in haar afscheidscollege toe ze met emeritaat ging (2010). Ik citeer uit een interview (Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten 2010/1):

'Professor Ghesquière beschreef in haar afscheidscollege de academische wereld als “eerder een jongens- dan een meisjesboek”. Al zijn er de laatste jaren meer vrouwelijke collega’s dan toen zij benoemd werd, de academische wereld is toch nog steeds voor een groot stuk een mannencultuur. “Als je kijkt naar de algemeen beheerder en de mensen die de reële macht hebben, of naar de manier waarop de universiteit wordt bestuurd, dan is het inderdaad een mannelijke wereld.'
Waaraan ze volgens de interviewers toevoegde
'Ook bij de studenten die talen studeren, is de situatie nu wat evenwichtiger verdeeld dan vroeger. Hoewel meisjes daar nog steeds de bovenhand halen, zijn er opnieuw meer jongens die voor een studie talen kiezen dan pakweg twintig jaar geleden.'


zaterdag 10 oktober 2015

Verhalen lezen: goed voor inlevingsvermogen?

In 2013 publiceerden D.C. Kidd en E. Castiano een artikel in Science (342, p.377-380) met de conclusie al in de titel: 'Reading literary fiction improves theory of mind'. Volgens de summary: 'Understanding others' mental states is a crucial skill that enables the complex social relationships that characterize human societies. Yet little research has investigated what fosters this skill, which is known as Theory of Mind (ToM), in adults.' [...] 'Specifically, these results show that reading literary fiction temporarily enhances ToM. More broadly, they suggest that ToM may be influenced by engagement with works of art.'
Vreemd om dat (tijdelijke) vermogen 'theory of mind' te noemen. Het is toch geen theorie? Enfin.
Zulk onderzoek is natuurlijk koren op de molen van leesbevorderaars. Ha, lezen heeft Nut!

Twee onderzoekers van de VU dachten: dit gaan we nog eens doen. Het resultaat publiceerden ze in De psycholoog oktober 2015. Het resultaat is teleurstellend: 'hoe robuust de resultaten van Kidd en Castano in eerste instantie ook leken, uit deze replicatiestudie en de effectenanalyses blijkt dat lezen van literaire fictie niet zonde rmeer en zelfs niet tijdelijk bijdraagt aan een verbetering Theory of Mind. Verdere replicatiestudies van experimenten uit de oorspronkelijke studie moeten uitwijzen of het effect überhaupt repliceerbaar is.
Hoe dan ook lijkt het nogal voorbarig om mensen aan te zetten tot het lezen van literaire fictie met als doel het inlevingsvermogen in anderen te verhogen. Hoe mooi dit idee in principe ook klinkt, het blijkt in een onafhankelijke meting empirisch niet robuust te zijn.'

Wat jammer nou...

De moeilijkheid zit 'm wellicht in de toegepaste onderzoeksmethode. (De VU-auteurs stellen daarbij relevante vragen.)
Want oefening baart kunst, en je regelmatig verplaatsen in een ander, ook in een fictieve ander, zou toch enig effect kunnen hebben. Anderzijds, hier hebben we de kip-of-het-ei-vraag, misschien lezen mensen die toch al een goed inlevingsvermogen hebben juist daardoor graag verhalen...
En waarom dat ietwat kunstmatige onderscheid tussen literaire en andere fictie?

woensdag 23 september 2015

Debutant?

Jaap Robben won de ANV Debutantenprijs 2015 met Birk.
Dat is natuurlijk fijn voor hem en ik misgun hem deze prijs zeker niet. Birk is ook formeel zijn eerste roman voor volwassenen.
Maar Jaap Robben debuteerde als schrijver in 2004 met Twee vliegen, een bundel gedichten en columns. Daarna volgden De nacht krekelt, Zullen we een bos beginnen?, De zuurtjes, Als iemand ooit mijn botjes vindt, Josephina, een naam als een piano en in 2014, dus tien jaar na zijn 'debuut', Birk.

De hoofdpersoon in Birk is een jongen, Mikael, die worstelt met de manier waarop zijn vader in zee verdween.
Ik heb de roman (nog) niet gelezen, maar uit de omschrijving maak ik op dat dit werk heel wel gelezen zou kunnen worden voor tieners. Het lijkt een strategische keuze van uitgeverij De Geus om het als een roman in het algemeen, dus impliciet voor volwassenen, te presenteren. Daar is niets op tegen! Als het gaat om lezers van veertien en ouder is er geen enkele scherpe scheidslijn te trekken tussen 'adolescenenliteratuur', 'young adult' en werk zonder etiket (dus voor iedereen, 'literatuur zonder leeftijd'). Dus misschien was het niet alleen een strategische, maar ook een principiële keuze van de uitgever.

Toch lijkt het hier alsof je pas echt schrijver bent als je niet (meer) voor kinderen en/of adolescenten schrijft en Jaap Robben nu pas meetelt in de wereld van de knetterende letteren.
En dat terwijl bijvoorbeeld de gedichten in Als iemand ooit mijn botjes vindt toch echt ook voor grote mensen zeer genietbaar zijn.
Gezegd dient te worden dat de jury dit werk wel noemt.
'Jaap Robben (Oosterhout, 1984) schrijft sinds 2000 gedichten en korte verhalen voor zowel kinderen als volwassenen. Hij publiceerde vier dichtbundels, waarvan Zullen we een bos beginnen? in 2008 op de shortlist voor de Gouden Uil voor jeugdliteratuur stond.
In april 2014 verscheen zijn debuutroman Birk, die zeer lovend werd ontvangen. Het boek ontving al de Boekhandelsprijs en de Dioraphte Literatour Publieksprijs. Birk wordt in een aantal talen vertaald en wordt verfilmd.'

En 'de ANV Debutantenprijs is een literaire prijs voor debuterende auteurs van een oorspronkelijk Nederlandstalige roman of verhalenbundel'. Dus misschien is hier niet zozeer sprake van het negeren van jeugdliteratuur als wel van het overwaarderen van een literair genre.
Vreemd, want de moeder van alle literatuur is natuurlijk de poëzie, niet de roman.

dinsdag 22 september 2015

Zwaan laat het waaien

Marjolein Hof en Ceseli Josephus Jitta maakten samen een bijzonder poëtisch prentenboek over zwangerschap.
Nee, geen voorlichting en zo. Hier is een moeder, Zwaan, die wacht op haar man, want pas als hij er is wil ze het kind baren. Dat kind spreekt ze toe in witte letters. Maar het kind wil eruit! Dat wordt verteld in zwarte letters, door een anonieme verteller.
Zoals in ieder goed prentenboek zijn het de prenten die er toe doen.




Bekijk de voorkant. We zien een figuur die iets lijkt te roepen door een heel grote toeter, vanaf een bult in dezelfde kleur als de toeter. De toeter doet me denken aan het toetertje (de hartjeshoorn) waarmee verloskundigen luisteren naar geluiden in de buik van de zwangere vrouw. De bult - wel, de buik van een hoogzwangere vrouw!

Zo komt de weg vrij voor meer associaties. Het kuipje waarin Zwaan bij aanvang van het verhaal zit - een halve eierdop, de visjes in zee, de wind...

Het verhaal begint zo:
Iedere dag kijkt Zwaan naar de zee. Soms ziet ze een meeuw en soms ziet ze een wolk.
Dat is alles. Heel soms ziet Zwaan in de verte iets wits.
Ze hoopt op een boot, maar het is weer een meeuw.

En in witte letters eronder:
Luister goed, kleine: Je zit in mijn buik en je mag er niet uit. Nu nog niet.

Die wind komt er. Maar voordat die opsteekt, doet Zwaan moeite om wind te maken. Met een föhn, een scheet,..



..., met een fietspomp, een grote turbine aan twee slagroomkloppers en allerlei andere werktuigen. Het verhaal (ook de titel!) suggereert effect: 'De wind begint te loeien.'
Het huis zucht en steunt.
En Zwaan zucht en steunt.

En roept tot twee keer toe: 'Wacht nog even!'.

Het kind gaat er uit als vader Leon aan land komt.



En na het omslaan van de bladzijde neemt Leon  de kleine in zijn armen.

Hier ben ik dan.
Bijna te laat, maar de wind hielp niet mee. Eerst bleef hij weg. Toen kwam hij van de verkeerde kant. Snap jij daar iets van? Ik moest helemaal om en wat duurde dat lang!

Ik kan mij voorstellen dat sommige kleuters dit een prachtig en spannend verhaal vinden, als ze worden voorgelezen. Kleuters met een vader en een moeder zullen goed snappen dat moeder vader erbij wil. In een gelukkig gezin is uitleg overbodig. Verder is het grappig (die machinerie om het te laten waaien) en spannend - hoe loopt dit af.
Veel volwassenen zullen terugdenken aan hun eigen ervaringen. Inderdaad, wat duurde het lang... En dat zuchten en steunen als een huis is zeker herkenbaar.
Het zijn de woorden, de kleuren en vormen en het ritme die dit in harmonische samenwerking een mooi verhaal maken. Om te beschrijven en te tonen hoe dat gaat, is het nodig om alle prenten te tonen. Dat ga ik niet doen, is meer iets voor een lezing, dus laat ik het hier bij.
Het is een voorbeeldig prentenboek voor fijnproevers.

Marjolein Hof & Ceseli Josephus Jitta. Zwaan laat het waaien. Querido, 2011. ISBN 978 90 451 1281 7.

Eh, ja, uit 2011. In 2015 ontvangen in verband met de update van de website bij Verborgen talenten. En ik vond het de moeite van het bespreken waard. Vandaar.




woensdag 9 september 2015

50 jaar Revue des livres pour enfants

In 1962 werd La Joie par les livres opgericht, een vereniging met als doel het bouwen van een moderne jeugdbibliotheek in een volkswijk. Die bibliotheek verrees in 1965 in Clamart, een voorstad van Parijs, en staat daar nog steeds: de Petite Bibliothèque Ronde (zie ook hier).
Tegelijk werd ook een tijdschrift gestart, althans, een reeks brochures, La revue des livres pour enfants, met artikelen (ieder nummer een dossier), nieuws en recensies.
Dat tijdschrift bestaat nog steeds, net als La Joie par les livres (sinds 2008 onder de hoede van de Bibliothèque nationale de France), en het vijftigjarig bestaan wordt gevierd in nummer 284 (september 2015).




Men zou een terugblik verwachten, maar de redactie besloot juist vooruit te kijken, onder de titel '50 ans... et après?' (50 jaar... en daarna?).
Boekhistoricus Roger Chartier voorspelt groei van het e-lezen, zij het langzaam, want veel lezers, ook jonge lezers, blijken nog gehecht aan het livre-papier, het papieren boek. Hij cmaakt daarbij gebruik van gegevens uit een doctoraalthesis ('thèse de doctorat') van Domenico Chiappe, waarvan hij helaas geen titel vermeldt. Hij denkt dat het papieren boek nog lang naast het e-boek zal bestaan, maar natuurlijk wordt de jongste generatie beïnvloed door de digitale media.
Bij dat academische vertoog blijft het, want de overige bijdragen zijn vooral interviews.
Bijvoorbeeld met Colline Faure-Poirée (Gallimard / Giboulées Jeunesse) en Julien Magnani (Editions Magnani), die beiden nog een hartstochtelijk pleidooi voor goede jeugdliteratuur houden, of zoals Colline zegt: 'C'est une vocation, c ést une passion. Elle sollicite les enfants et leur dit des choses qui ne peuvent pas être dites autrement. De cela j'en suis sûre.' (Het is een roeping, een passie. Jeugdliteratuur daagt kinderen uit en spreekt ze aan op een manier die niet anders zou kunnen. Daarvan ben ik zeker.)
Of met Clementine Beauvais, naar aanleiding van haar roman Les petites reines. Interessant, maar wat het met de toekomst te maken heeft wordt me niet duidelijk. Misschien omdat ze blogt? Dat is in ieder geval (ook) de aanleiding voor het interview met Marion Montaigne, en met Tom en Nathan Lévèque, beiden 18 jaar en beiden bloggend over jeugdliteratuur (zie hier en hier).
Wel over de toekomst gaat 'Ma médiathèque dans dix ans...' en natuurlijk kon zo'n artikel in La revue niet ontbreken want 'c'est par, pour, avec les bibliothécaires que ces 284 numéros de La Revue des livres pour enfants ont pu exister'. De redactie (auteur niet vermeld) sprak met drie jonge bibliothecarissen.
En dan is er ook nog een zich in 2065 afspelend verhaal van Johan Heliot, 'Suis-je une légende?', een 'nostalgique incursion dans le futur quotidien de la dernière bibliothécaire jeunesse sur Terre, année 2065'. Merk op dat de bibliothecaris een vrouw is!

Voor het overige bevat dit nummer (van 200 p.) de vertrouwde berg recensies en nieuws. Voor wie een abonnement wil: zie hier.




donderdag 3 september 2015

Onderzoek jeugdliteratuur

De International Board on Books for Young people (IBBY) is een internationale vereniging die zich ten doel stelt:
- to promote international understanding through children's books
- to give children everywhere the opportunity to have access to books with high literary and artistic standards
- to encourage the publication and distribution of quality children's books, especially in developing countries
- to provide support and training for those involved with children and children's literature
- to stimulate research and scholarly works in the field of children's literature
- to protect and uphold the Rights of the Child according to the UN Convention on the Rights of the Child.

Allemaal behartenswaardige doelen, vind ik. IBBY is een vereniging van op dit moment 77 nationale verenigingen en instellingen, die ze nationale secties noemt.
De Nederlandse sectie is actief met diverse projecten en het uitgeven van Literatuur zonder leeftijd, een academisch vaktijdschrift in boekvorm.
Een van die projecten is het uitloven van prijzen, onder meer voor onderzoek naar jeugdliteratuur. En omdat die sectie niet heel erg veel begunstigers telt, citeer ik voor deze prijs de oproep die secretaris Toin Duijx onlangs verstuurde.

De Miep Diekmann prijs voor jeugdliterair onderzoek wordt tweejaarlijks uitgereikt aan de auteur(s) van de beste Nederlands- of Engelstalige masterthesis op het gebied van de studie van de kinder- en jeugdliteratuur. Onderwerpen kunnen zowel literatuurtheoretisch als -historisch van aard zijn. Onderzoek expliciet naar leesvaardigheid, functies van lezen, leesattitude of lezen in relatie tot audio-visuele en/of digitale media komt niet in aanmerking voor deze prijs.

De Miep Diekmann prijs voor jeugdliterair onderzoek bedraagt 750 euro. Naast het toekennen van de prijs, zijn twee eervolle vermeldingen mogelijk. Gestreefd wordt naar het publiceren van een artikel n.a.v. de bekroonde thesis in de publicatiereeks over de studie van de kinder- en jeugdliteratuur: Literatuur zonder leeftijd.

De Miep Diekmann prijs voor jeugdliterair onderzoek is een voortzetting van de LM Boerlage-prijs, die tot 2007 werd uitgereikt door het Letterkundig Museum en in goed overleg is overgedragen aan de stichting IBBY-Nederland. In 2014 ging de prijs naar Marloes Schrijvers voor haar masterthesis  Life writing through text and image in children’s literature. A multimodal analysis of authenticity and dual address in autobiographical picture books.

Reglement voor 2016

De Miep Diekmann prijs voor jeugdliterair onderzoek wordt in het voorjaar 2016 uitgereikt voor een masterthesis die aan een Nederlandse of Vlaamse universiteit is voltooid in de academische jaren 2013-2014 en 2014-2015
De masterthesis dient vóór 15 oktober 2015 in viervoud te zijn ingediend bij het secretariaat van de stichting IBBY-Sectie Nederland.
Het bestuur van de stichting IBBY-sectie Nederland stelt een deskundige jury in die de inzendingen zullen beoordelen op onder meer de volgende aspecten: de mate waarin de thesis belangwekkende nieuwe informatie bevat, de methodologische kwaliteit, de wetenschappelijke waarde en de helderheid van de argumentatie/onderbouwing.
De beraadslagingen van de jury zijn geheim en zullen uitmonden in een rapport, waarin duidelijk de keuze van de winnaar wordt gemotiveerd. Als de jury tot het besluit komt dat niet één van de ingezonden theses aan de verwachtingen voldoet, kan zij beslissen de prijs niet toe te kennen.

De masterthesis dient vóór 15 oktober 2015 in viervoud te worden gestuurd naar:

Fac. FSW, afd. AGP
IBBY-Nederland
t.a.v. Toin Duijx
Wassenaarsweg 52
2333 AK Leiden