Marco Kunst heeft het goed voor met mensen. En zijn manier om dat te uiten is schrijven:
Ik schrijf omdat ik dol ben op verhalen: ze geven kleur, spanning en betekenis aan de wereld. Ze laten je zien hoe anderen zijn en hoe die anderen dealen met de wereld. Ik schrijf ook omdat taal iets geweldigs is, én omdat het (meestal) leuk is om te schrijven.
Aldus zijn website. Hij schrijft dus omdat hij graag 'kleur, spanning en betekenis' aan de wereld wil geven. En, interpreteer ik, omdat hij anderen wil tonen hoe anderen zijn en 'dealen met de wereld'. Een ernstig motief, met goede bedoelingen.
Gelukkig ontbreekt het hem niet aan verbeeldingskracht, dat is mooi meegenomen. Zijn verhalen gaan alle kanten op, met soms sterke intriges. Heel vaak gaat het om levensvragen of de verwerking van een ingrijpende gebeurtenis, zie bijvoorbeeld de bespreking in dit blog van Patroon (2022) of De macht van Algas (2024).
De Bron, recent verschenen, is ook zo'n soort verhaal. De jonge verteller Nour mag met haar ouders mee naar Oost-Turkije. Terwijl haar ouders gaten in de grond laten boren op zoek naar delfstoffen wordt zij door de herdersjongen Omar meegenomen op een reis door onderaardse gangen, op zoek naar een middel om de doodzieke Gaia, zijn moeder, te genezen. Door die gangen stroomt water dat Nour naar andere tijden en plaatsen brengt als ze het drinkt. Ze worden ook nog gevolgd door Loki, die van vernietiging houdt, 'een sluwe bedrieger, een oplichter'. Niemand minder dan de god uit de Noorse mythologie. Maar misschien ook de chauffeur Lokman, van het mijnbouwbedrijf. Loki, die zegt: 'Mensen moeten in alle vrijheid kunnen doen wat ze maar willen. Geen grenzen, geen suffe regels om het zwakke te beschermen... Dat vertraagt de boel alleen maar. Het sterkste wint, zo gaat dat... en de menselijke techniek is duizend keer sterker dan de natuur.'
Ja, zo zet hij de lezer wel aan het denken.
Zijn sommige uitstapjes in dit verhaal een soort dromen, hallucinaties, de mythologie dringt ook de intrige binnen, vooral met moeder Gaia, die op de laatste pagina Nour vertelt dat er 'meer krachten in deze wereld te zijn dan alleen ik. Zo is het nu eenmaal. Ook dat moet je niet vergeten, lieverd.' Meer krachten, waaronder Loki. 'Een machtige god, die hou je niet zomaar tegen.'
Vreest niet, onze verteller (of haar auteur) besloot het verhaal in harmonie te laten eindigen.
Dan laat ze me los. 'Nu is het echt tijd om te gaan. Hup hup hup! Ga! Ik moet de geiten in veiligheid brengen, voordat de boel hier omlaagkomt. De groeten aan je ouders. Ik hoop voor ze dat ze vinden wat ze nodig hebben,'
'Dank je wel,' zeg ik. 'Misschien heb ik al gevonden wat ik nodig had.'
Zo'n verhaal is een manier om lezers te laten kennismaken met oude mythen en sagen. Een spannende intrige zet ze aan tot doorlezen en intussen maken ze kennis met Prometheus, Charon, Pandora, Grootmoeder Spin, Gilgamesj, het paradijs, Theseus en de minotaurus en meer, zelfs een lied uit de droomtijd.
Om er zeker van te zijn dat lezers niet verdwalen in die mythes voegde Marco Kunst ruim vijftig pagina's toe waarin hij uitleg geeft over 'mythen: verhalen over goden, monsters, helden en meer'. Een 'rommelige verzameling verhalen over hele families goden en helden, geesten, vreemde wezens en magische krachten.' Een 'soort schatkist'. Heel interessant. zoals hij die presenteert, compleet met ideeën over hoe die verhalen zijn ontstaan.
Dat is een gok, natuurlijk. Niemand weet hoe die oude verhalen zijn ontstaan. Maar waarschijnlijk toch niet doordat ouders niets beters wisten te vinden als antwoord op aanhoudende vragen van hun kinderen. De dialoog op p. 225-226 is wel erg hedendaags.
'Mama, waar kwamen de eerste mensen vandaan?'
'Gewoon, uit het bos, of zo.'
En zo verder, als een standaard-dialoogje uit een doorsnee kinderboek.
Taal is 'iets geweldigs', jazeker.
Maar door het verhaal quasi-realistisch te laten vertellen door de jonge Nour, liet Marco Kunst geweldige kansen schieten, kansen die veel vertellers van deze verhalen uit een andere werkelijkheid wel grepen om ervoor te zorgen dat ze voldoende indruk maakten om overgeleverd te worden. Van heel vroeger (pakweg de Edda) tot bijvoorbeeld de sobere, doeltreffende stijl die Eelke de Jong hanteerde in zijn Alle sprookjes van de Lage Landen (1985, alleen nog tweedehands te koop), of de lossere maar even doeltreffende stijl die The Tjong Khing hanteert in zijn sprookjesbundels.
Om te beginnen is het vreemd dat het hele verhaal in onvoltooid tegenwoordige tijd wordt verteld, alsof er een soort radioverslag wordt geleverd. Juist in een verhaal waarin hier en daar met tijd en fantasie wordt gespeeld is dat raar. Kansen te over voor een iets afstandelijker, anonieme verteller, die ook van stijl had kunnen wisselen bij diverse episodes en behendig had kunnen spelen met taal en stijl waar 'realistische' en 'mythische' werkelijkheid elkaar raken.
Helaas.
Twee citaten.
Toen ik vanochtend wakker werd, wist ik dat ik weer naar die kloof moest gaan. Soms moet je dingen doen die je eigenlijk niet wil doen. Nu bijvoorbeeld, want ik word gek als ik twee maanden in die camper blijf zitten. Bovendien werd ik vanochtend wakker met die stem weer in mijn hoofd. Helderder dan ooit. Het is een vrouwenstem, droevig en vermoeid. Ook bedacht ik (nu pas!) dat het erg vreemd was dat die Cansu tegen me zei dat het goed was dat ik er eindelijk was. En dat ze vroeg of ik snel terug wilde komen.
Vannacht trouwens ook over die Omar gedroomd. Hij keek dwars door me heen met die donkere ogen van hem.
Als dat niet bijna een dagboek is... Even verder.
Er is een vuurplaats waarin nog wat kooltjes smeulen. Ruikt lekker. Bij de bergwand is een omheininkje van ruwe boomstammetjes. Er liggen stro en keutels, maar de geiten zijn er niet. Verderop liggen rieten manden en er staan een paar aardewerken potten. Dan draait mijn maag zich om: aan een lange stok die rechtop staat, hangen twee dode konijnen. Hun oogjes kijken me glazig aan, en hun bekjes met de witte snijtanden staan wijd open. Eronder, op de kale rots, donker, gestold bloed en twee bebloede pijlen.
Nu pas zie ik dat die hond, Ylva, naast de ingang ligt te slapen op een bed van gedroogde varenbladeren. Ze opent lui een oog, kwispelt als ze me ziet en slaapt verder.
Tja. Als razende reporter moet je de luisteraar natuurlijk wel beschrijven hoe het er uitziet. Goed dat ze ons er nog even aan herinnert hoe die hond ook alweer heette.
Het gaat zo door. Alsof je geen boek leest maar met je oor aan de radio zit. Of voor een beeldscherm. Geen tijd voor pauzes. En dat geldt evengoed als het gaat om de avonturen van Theseus en de minotaurus, waar nota bene onze reporter ook nog een rolletje in speelt, of wanneer ze ene Prometheus ontmoet die met een eeuwig gapende wond aan een rots geklonken hangt.
Een stijl als een eenheidsworst, doorsnee alom.
Extra jammer omdat Djenné Fila ruim vijftien schitterende illustraties mocht maken, deels dubbelpagina, die helemaal passen bij de mythische kant van het verhaal en helemaal niet bij dat meisje dat zich verveelt in de camper bij haar ouders en op onderzoek gaat en zo dat als het ware onderaardse deel van het verhaal in loopt.
Deze mix van alledaags 'realistisch' verhaal en mythes is kortom niet echt geslaagd. Jammer van de gemiste kansen. Marco Kunst kan vast beter, als hij de conventies van het moderne kinderverhaal durft los te laten.
Kunst, Marco. De bron. Met illustraties van Djenné Fila. Lemniscaat, 2026. ISBN 978 90 4771680 8, 275 p.






Geen opmerkingen:
Een reactie posten