Die zin om op te kauwen staat in de bijdrage die Kees 't Hart leverde voor het reeksje herinneringen aan in pubertijd gelezen boeken door recensenten van De Groene Amsterdammer, in De Groene Amsterdammer 6-7-2026, datzelfde nummer waarin ook dat mooie portret van Astrid Lindgren stond.
Het volledig citaat:
Ik las natuurlijk op mijn zestiende alles door elkaar, niet in deze volgorde: Arendsoog, Dostojevski, Vicky Baum, Nietzsche ('Also sprach...'), Dick Bos, Eeuwig zingen de bossen, Jan de Hartog, Sartre, Arthus van Schendel, Moby Dick (strip), Kapitein Rob, Hella Haasse, Graham Greene, Don Quichotte (helemaal) en honderden andere boeken. Duizenden. Ze gingen altijd over anderen, wat ik een sterk voordeel van lezen vond, dan kon ik fijn over mezelf blijven dromen. Dat lezen een ziekte was, besefte ik nog niet. Helemaal niet waar die mee te maken had. Ik dacht toen nog dat boeken verhalen bevatten, die toevallig uit zinnen bestonden.
Toen was er ineens Bint (1934) van Bordewijk, waar ik zowel alles als niets van snapte.
En wie wil weten hoe dit verder gaat, kope het weekblad. (Leuk ouderwets, zo'n aanvoegende wijs.) (Gebruikten reclamemakers die maar wat vaker, in plaats van al die gebiedende aansporingen.)
De elf recensenten komen met zeer uitleenlopende titels aanzetten. Georges Bataille, De geschiedenis van het oog; Édouard Levé, Zelfmoord; Wissily Kandinski, Het abstracte in de kunst; Annelies Jorna, Tarantella; Franz Kafka, Het Proces; Donna Tartt, De verborgen geschiedenis; Christinae F., Felscherinov; Yukio Mishima, Forbidden Colours; Tonke Dragt, Ogen van tijgers; Anaïs Nin, Dagboek 1931-1934 en dus Bordewijks Bint.
En hun verhalen erbij zijn al even uiteenlopend en daardoor een feestje om te lezen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten