Zoeken in deze blog

donderdag 6 oktober 2016

Van de schoorsteen gevallen - of gesprongen

Verteller Kees van Duin blikt in De zee zien van Koos Meinderts ruim 55 jaar terug en vertelt over het ontstaan en het einde van zijn vriendschap met de net geen jaar oudere Jan, in een klein dorpje, jaren '50.
Ja, dat is even iets anders dan de jonge verteller die nu vaak in jeugdliteratuur aan het woord is, of de alwetende verteller die zich zo min mogelijk toont.

Vriend Jan was net even anders dan anderen en bepaalde graag wat er gebeurde. Verteller Kees liet zich leiden, en raakte verliefd op Jans tweelingzus Marijke. In een tuinderij bij het dorp stond een lange schoorsteen, ruim twintig meter hoog, met ijzeren klimhaken.
Er zat soms een buizerd op.
Wat zou die zien, zou hij de zee zien, ging Jan zich afvragen en daagde Kees uit om een keer samen de schoorsteen te beklimmen.
Voor het zover was, bleek op een dag dat Marijke ook veel voor Kees voelde, en omdat ze even met z'n tweeën waren, konden ze zoenen en aan elkaar zitten.
Toen het beklimmen echt doorging, kwam Kees niet verder dan vijf meter, toen ging hij terug. Jan klom naar boven, zwaaide naar Kees, en viel.

Niet alleen dat einde van Jan is goed beschreven, het hele verhaal munt uit door stijlvastheid en geloofwaardigheid. In de laatste hoofdstukjes spreekt de verteller, op zijn 70e verjaardag, Jan direct aan, bijna zoals je zou doen bij een uitvaart. Daarbij komen Jans karakter en de vraag of hij verongelukte of zich met opzet liet vallen (wat zijn zus 55 jaar na dato blijkt te denken) wat explicieter aan de orde.
Een prachtig verhaal, met jongensvriendschap, ontluikende seksualiteit en mogelijke suïcide als thema's.

Het wordt aangeboden als een jongerenboek. Niet heel zichtbaar, maar toch: een aanbevelingstekst door Edward van de Vendel, een imprint Uitgeverij Fontein Jeugd op de titelpagina, en bovendien staat Koos Meinderts nu eenmaal bekend als auteur van jeugdliteratuur. Het is vlot geschreven en een goede lezer van twaalf zal er geen moeite mee hebben. De proloog begint met een jeugdherinnering, dé herinnering - en eindigt zo:

Volgende week word ik zeventig. En dat moet gevierd. Dat vinden de kinderen. Ik wil ze het feest niet onthouden. Ze krijgen hun feest, maar mijn verhaal hou ik voor mezelf.

Dat is natuurlijk een heerlijke, echt literaire ongerijmdheid: in een gepubliceerde uitgave schrijven dat je het verhaal voor jezelf houdt.

Voor jonge lezers zal het apart zijn om te ontdekken dat de verteller een heel oude man is. Komt zoals gezegd tegenwoordig in jeugdliteratuur niet zo vaak voor. Als ze verder lezen worden ze vanzelf het verhaal ingetrokken, een beletsel is het niet.
Het maakt het boek wel een gaaf voorbeeld van een roman voor twaalf tot tachtig en ouder. Zou het de eerste tekst van Koos Meinderts zijn die ooit onder ogen van een uitgever kwam, dan vraag ik me af of die uitgever het als jongerenroman in de markt had gezet.
Nu dus wel. Het staat op de longlist voor de Jongerenjury 2017.



Koos Meinderts. De zee zien. De Fontein, 2015, ISBN 978 90 261 3913 0, 160 p.

dinsdag 4 oktober 2016

Strips: ook jeugdliteratuur

Leesgoed mag dan opgeheven zijn, La revue des livres pour enfants gaat onversaagd door, nu al meer dan 50 jaar, geholpen door de Franse overheid middels de Bibliothèque nationale de France en het daartoe horende Centre national de la littérature pour ja jeunesse la Joie par les livres.
Het bevordert de zichtbaarheid van dat centrum. Het in 1997 in de Koninklijke Bibliotheek (NL) opgenomen Boek en Jeugd zou ik zo'n zichtbaarheid graag gegund hebben. De KB beheert de collectie voortreffelijk, maar een centrum voor de Nederlandse jeugdliteratuur ontbreekt sindsdien. Ik schrijf Nederlandse, niet Nederlandstalige, want in Vlaanderen is er nog het centrum Iedereen leest.

Kenmerkend voor de Franse benadering van jeugdliteratuur is dat strips gerekend worden tot de jeugdliteratuur - in tegenstelling tot de wereld van de jeugdliteratuur in Nederland en andere Noordeuropese landen. Daar heerst apartheid: niet alleen stripwinkels naast kinderboekwinkels, ook eigen netwerken, recensenten en onderzoek.




Bandes dessinées (of kortweg: BD) heten die boekjes op zijn Frans en La revue des livres pour enfants aflevering 289 (juni 2016) bevat een 90 pagina's tellend dossier getiteld 'La nouvelle jeunesse de la bande dessinée', ofwel 'de nieuwe jeugd van de strip', met elf bijdragen. Manga, striplezers ('Qui lit quoi?', wie leest wat?), strips in de bibliotheek, stripmakers - van alles komt voorbij.



Voor het overige bevat dit nummer (van 212 p.) de vertrouwde berg recensies en nieuws. Voor wie een abonnement wil: zie hier.

maandag 3 oktober 2016

Schakelen tussen hier en daar

Na eerder werk van Timothée de Fombelle dat ofwel ‘onze’ werkelijkheid (maar dan in het verleden) (Vango) ofwel een fantasiewereld tot decor heeft (Tobie Lolness), verscheen Het schrift van Perle (oorspr.: Le livre de Perle), dat zich in beide afspeelt. Niet uniek maar altijd fijn, zo'n doorbreking van genregrenzen, die immers de ' werkelijkheid'  van onze werkelijkheid op losse schroeven zet, zie ook de oude meesteres Tonke Dragt.

In een sprookjeswereld (die, zoals vele sprookjeswerelden, een beetje Middeleeuws aandoet en waarin magie alledaags is) wordt een koningszoon Iliån geboren die er niet mag zijn en daardoor een verborgen leven leeft in en rond een afgelegen kasteel, waarin verder alleen een oude kamerheer en zijn vader, de koning, wonen.
Die koning leeft in een waanwereld. Dat is mooi gedaan: een waanwereld in een onwerkelijke wereld naast een fictieve 'werkelijke' wereld. Driedubbele fictie, min of meer.

Iliåns broer Iån is de machthebber geworden, wil dat zo houden en jaagt daarom op zijn broer, overigens denkend dat het een zus is.
Iliån wordt op een van zijn zwerftochten verliefd op een elf, Oliå. Beiden ontsnappen aan de achtervolging door een magische entree in ‘onze’ wereld, ten tijde van de Tweede Wereldoorlog.
Zij mogen elkaar echter niet zien: Iliån weet dit niet en weet ook niet van Oliå’s komst. Oliå weet het wel en volgt Iliån – en soms beschermt ze hem. Iliån komt te werken in een winkel, Maison Perle, waar de lekkerste spekkies van Parijs worden gemaakt. De eigenaren van de winkel hechten zich aan deze jongen, die hen doet denken aan hun overleden zoon Joshua.

Als de winkel wordt bezocht door agenten op zoek naar jonge mannen voor het leger, biedt de toevallig aanwezige Iliån zich aan. Later neemt hij de naam aan van de overleden zoon, Joshua Perle.
Na de overgave aan het Duitse leger gaat Iliån / Joshua naar het zuiden van Frankrijk (Vichy-Frankrijk) en bezoekt klandestien Parijs. Bij zijn laatste bezoek ontdekt hij dat de winkel gesloten is en het echtpaar Perle is verdwenen. Verder ontdekt hij dat er ook in deze wereld jacht op hem wordt gemaakt.
Hij besluit zich te verschuilen door in een bos aan een rivier te gaan wonen op een plekje precies tussen twee landkaarten in. Daar verzamelt hij bewijzen voor zijn afkomst uit de sprookjeswereld en daar ontdekt de verteller van het verhaal hem als hij verdwaalt tijdens een fotografie-opdracht, hoofd en hart op hol gebracht door de verschijning van een onaards mooi meisje. Dit gebeurt in het tweede hoofdstuk en pas veel later komt de lezer er achter dat dit meisje Oliå was. Dan is Iliån / Joshua inmiddels verhuisd naar Venetië, Oliå uiteraard ook, en veel later ontdekt de verteller hen daar. In Venetië vindt de apotheose plaats van dit zeer romantische, knap geconstrueerde (maar ook knap ingewikkelde) verhaal.
Ik las dit verhaal in de vertaling door Eef Gratama en heb die niet vergeleken met de originele tekst.



Timothée de Fombelle. Het schrift van Perle. Querido, 2015, ISBN 978 90 451 1917 5, 468 p. Oorspr.: Le livre de Perle, Gallimard Jeunesse, 2014. Vert. Eef Gratama.

zondag 2 oktober 2016

Reclame voor het Nederlands?

Deze week kreeg ik een Taalkrant, als bijlage bij een weekblad. (Of was het bij Onze taal?)
Aanleiding: de Week van het Nederlands. (Niet te verwarren met de Week van het Nederlandse bier. Dat i-adres verscheen eerder als suggestie in mijn zoekvenster dan de Week van het Nederlands.)

De Week van het Nederlands valt deels samen met de Kinderboekenweek, die overigens anderhalve week duurt.
Nu vind ik dat kinderboeken wel enige ondersteuning kunnen gebruiken, tussen al het media-lawaai. Er verschijnt veel moois, waarvan ook dit blog getuigt.

Maar onze taal, heeft die ook ondersteuning nodig?
Er bestaat, geloof ik, niet zoiets als een 'Week of the English' in Groot-Brittannië of de VS. (Wél in diverse andere landen.) Evenmin een Woche der deutschen sprache in Duitsland. (Alweer: wél in diverse andere landen.) Er bestaat wel een Semaine de la langue française et de la francophonie (18-26 maart 2017), bedoeld om 'partout en France et à l'étranger' gevierd te worden.

Kennelijk meent de Taalunie dat het Nederlands (net als het Frans?) een bedreigde taal is, die gaat uitsterven als er niet voor ondersteuning wordt gezorgd. Nergens in het krantje of op de website vind ik een uitleg voor deze actie. Moet ik mij ongerust maken? Nederlands is, aldus een van de weetjes in het krantje (en zie ook Taalunieversum), 'van de ongeveer 6000 talen in de wereld, de 40e taal. Op Twitter is het zelfs de 8e taal'. Tsjonge! De taal komt niet voor op de Unesco Atlas of Endangered Languages.
Ik zie een lange lijst voor me, waarbij Nederlands op plek 40 staat vermeld. Dan zal het geen alfabetisch geordende lijst zijn, maar een waarbij de meest gesproken taal bovenaan staat. Zoiets: er zijn overigens diverse talenlijsten, met verschillende getallen, zie bijvoorbeeld hier en hier.
Er wordt ook al eeuwenlang Nederlands gesproken en geschreven, onze taal heeft een lange traditie.

Dus vanwaar dan die reclame? Zou het toeval zijn dat juist nu in de media een discussie woedt over het in het Engels gegeven onderwijs? Engels is natuurlijk een 'rare taal', maar staat in die lijst waarschijnlijk ergens (ver) boven plek 40, dus het is wel praktisch om wat Engels te kennen, if you know what I mean.
Maar zelfs al zou de trend doorzetten om in Neder-Engels colleges te houden, dan nog zie ik onze taal niet snel verdwijnen. Ik neem (uit de tweede hand) waar dat de van oorsprong Nederlandstalige studenten die deze colleges volgen na afloop gewoon Nederlands met elkaar praten, al dan niet doorspekt met Engelse termen. Dat laatste is al decennia gaande, sinds WO II. Daarvoor hadden Duits, Frans en Latijn sterke invloed, en nog wat talen. Afijn (enfin, Frans), het is sowieso (Duits) nutteloos en nodeloos om onze taal te willen vrijwaren voor zulke invloeden.

Wacht even, misschien is het de bedoeling van de Taalunie om ons te leren beter Nederlands te spreken en schrijven? Een soort aanvulling op ons onderwijs, getuige de verwijzing naar de website Taalhelden en een adviesje omtrent kan je of kun je. (Beide goed, dat kan je vooral Vlaams is wordt niet vermeld.) Kan geen kwaad, lijkt me. Maar de rest van het krantje bevat weetjes en aanbevelingen die daarmee niets te maken hebben.

Het krantje ligt inmiddels bij het oud papier.

Zie ook: WACHT tot het rode licht gedoofd is.


zaterdag 1 oktober 2016

De vrouw en het jongetje

Elke dag komt het jongetje (een naam krijgt hij niet) langs een huis waar soms een reusachtige vrouw op het balkon staat.



Ze eet vast kinderen, dacht het jongetje. Ze staat op haar balkon en schept ze met een grote zwaai van de straat. Met haar parasol. Zomaar. Lukraak. En ze stopt ze dan in een grote vogelkooi. Tot het etenstijd is.

Deze angstfantasie wordt in prachtige dubbelpaginaprenten knap uitgewerkt. Het jongetje is bang en tegelijk trekt de vrouw hem aan. 



Ik toon hier zes van die prenten (meer zijn te vinden op de website van Kaatje Vermeire), maar daarmee doe ik ze geen recht, want ze strekken zich in het boek over twee (grote) pagina's uit, met bescheiden en goed geplaatste tekst.

De vrouw had het jongetje betoverd. Hij was bang voor haar en toch wilde hij haar zien. Hij liep soms met opzet langs haar huis. En dan bleef hij even staan.

Tekst en beeld gaan niet helemaal parallel. Dat maakt het verhaal spannend: het beeld vertelt meer dan de tekst. De eerste tekst, boven geciteerd, staat in een prent die suggereert dat het jongetje tegenover haar woont. De lezer leest in het perspectief van het jongetje. De toeschouwer kijkt vanuit het perspectief van de vrouw en ziet het jongetje in een verlichte deuropening, of een raam.
De kleuren zijn bijna monocolor, van lichtbeige tot heel donker bruin.

Het jongetje zag de vrouw ook af en toe in de stad. Groot en vreselijk. Met dikke mantels aan of met wijde jurken waar beslist van alles onder kon. Twee of drie kinderen tegelijk. Gevangen in een kooi van stijve plooien. Dan verstopte hij zich. Achter een paal. Of om een hoek. Hij had de vrouw voor het eerst gezien op de markt. Ze baande zich een weg tussen de kraampjes. Als een tank. Met een reusachtige tas aan haar arm. Ze liep af en toe iets omver. En ze keek niet eens om. Ze had hem ook bijna omver gelopen. Hij had haar zelfs even gevoeld. En geroken. Ze rook naar een oude kast. En naar kindervlees...

Deze tekst staat linksboven in de linker pagina van onderstaande dubbelpaginaprent.



In de tekst proef je de angst van het jongetje. In de prent zie je zijn verbeelding. Nogmaals, dat komt in het boek beter tot zijn recht als hier.

Ze komen elkaar vaker tegen, en de vrouw spreekt hem zelfs een keer aan. Hij vindt uit hoe ze heet: Rosa Vandersmissen. Alleen al de naam Rosa maakt haar minder angstwekkend. Langzaam verliest het jongetje zijn angst, vooral als hij helpt uit haar tas gevallen sinaasappels op te rapen.




Zie hoe knap die prent hierboven is gemaakt. De vrouw en het jongetje hebben een band, tussen de benen door, een sinaasappelband, ze hebben iets meer kleur dan die benen, ze kijken elkaar aan.
Het jongetje stuurt haar tekeningen en ze sluiten vriendschap. Hij komt regelmatig op bezoek en helpt met boodschappen doen.


Maar het allermooist is als het jongetje op het balkon mag staan. Met de parasol van Rosa. Dan kijken alle kinderen die voorbijkomen verschrikt omhoog. En ze haasten zich snel voorbij het huis. Het grote huis van de reusachtige vrouw, die zachter is dan muisjes en zoeter ruikt dan snoep…




Dit is typisch zo'n prentenboek dat vragen kan oproepen over de bedoelde lezer. Dat ligt niet aan de tekst. Die is toegankelijk genoeg. Goede voorlezers zullen kinderen van vijf en ouder weten te boeien. Zelf lezen kan lukken vanaf een jaar of acht. Dat ' het jongetje'  geen naam krijgt, kan afstand scheppen, maar juist ook vereenzelviging mogelijk maken. (Misschien iets minder voor meisjes.)
Het is, vind ik, een mooie tekst van Geert De Kockere. Hij roept herinneringen op aan verhalen over heksen, aan sprookjes, en zal bij menig jonge kijker-luisteraar misschien herinneringen oproepen aan allerlei angsten. (Opgegeten worden!) Het einde is troostrijk. Hier verandert een tovenares in een oude vriendin.

Het zijn de prachtige prenten die dit een bijzonder boek maken. Ze zijn niet alledaags, voldoen niet aan het verwachtingspatroon dat veel mensen hebben omtrent boeken voor jonge kinderen, al helemaal niet als ze gedrenkt zijn in Disney-achtige afbeeldingen.
Ze lijken op flarden van een droom, vormgegeven door een volgens mij onmiskenbaar talentvolle kunstenaar. Ze vergen aandacht, lang kijken. Dat is niet vervelend... De aandachtige kijker wordt beloond. De jonge kijker is een kunstzinnige ervaring rijker.




Geert De Kockere (tekst) en Kaatje Vermeire (ills.). De vrouw en het jongetje. De Eenhoorn, 2007. ISBN 978 90 5838 399 0.

NB. Ik heb dit boek veel te laat ontdekt. In 2008 werd het bekroond met een Boekenpluim, de eervolle vermelding horend bij de Boekenpauw.

zondag 25 september 2016

Asteroïde nadert aarde

... en de klap kan zo hard aankomen dat de mensheid vergaat.

Op p. 201 drong het tot Peter door

dat hij de ernst van de situatie had onderschat. Die vergissing kon je maken als je je jezelf toestond om te vergeten dat door Ardor het hele leven in een soap was veranderd.

Maar ook zonder Ardor zou dit hele verhaal zonder meer kunnen doorgaan als een variant op GTST. Andy wil Eliza, maar Eliza wil Peter, maar weet dat pas heel laat, want eerst wil ze helemaal niemand en verbergt ze zich achter haar fotocamera. Peter weet al heel vroeg, zeker nadat Stacey hem laat vallen, dat hij Eliza wil. Anita loopt weg van huis, omdat ze wil zingen en gebukt gaat onder het regime van haar streng-christelijke ouders. Ze vindt Andy, die ook muzikale aspiraties heeft. Pas heel laat vinden ze elkaar in de liefde, of wat daarvoor doorgaat. Peter wou eerst een beroemde basketballer worden, maar gaat twijfelen of dat nou het enige is. Enzovoort.

We keken allemaal op bestaat uit hoofdstukken waarin de anonieme verteller beurtelings zijn hoofdpersonen volgt: in volgorde van opkomst Peter, Eliza, Andy, Anita. Ondanks de existentiële twijfels van Peter houden ze zich vooral bezig met zichzelf en elkaar, wat niet wil zeggen dat er geen andere dierbaren in hun leven zijn. Zo is Peter erg begaan met zijn zus, die het houdt met woeste, misdadige types, en is Eliza dol op haar terminaal zieke vader. Enzovoort. 
Allemaal verteld in een wat stoere, op vermeend tieneridioom leunende stijl, waarbij de verteller als het ware in de huid van de hoofdpersoon kruipt en slechts een heel enkele keer aan een vooruitblik doet. (Aannemende dat de vertaling van Aimée Warmerdam hierin het Amerikaanse origineel volgt.)

Deze soap is echter wat anders dan vele andere soaps, want er is Ardor: de meteoriet die langzaam maar zeker de aarde nadert en die met een zekerheid van zo’n 60 procent zal raken, wat een klap zal geven met het equivalent van ‘ honderdduizend atoombommen’. 
Het einde der tijden! 
Wel jammer dat dit in de flaptekst op de achterkant al wordt aangekondigd, anders zou de verrassing groter zijn. Die asteroïde begint immers als een onaanzienlijke blauwe stip aan de nachtelijke hemel. Die stip wordt stilaan helderder, krijt op p. 58 een naam en pas op p. 86 kondigt de president van de VS, een zekere Obama (!), officieel het gevaar aan.
De waarschijnlijkheid van nog maar twee maanden te leven drijft mensen van hun ankers óf doet hen er juist aan vasthouden (Anita’s ouders) en zo ook de hoofdpersonen, die zich reageren dat hun twee maanden rest om te doen wat ze eigenlijk willen.
De omgeving verandert intussen in chaos. 
Instituties (incl. hun school, de hoofdpersonen bezoeken allemaal dezelfde) functioneren steeds minder, winkels raken leeg, de stroomvoorziening hapert, er zijn plunderingen, er is een door misdadigers geleide would-be opstand tegen het gezag, en zo meer. Er doken bij mij herinneringen op aan Memoirs of A Survivor van Doris Lessing en aan Anna van Nicoló Ammaniti.
Dat blijft allemaal wat op de achtergrond, want de verteller is druk bezig met de jonge hoofdpersonen - en die zijn zoals vermeld vooral bezig met zichzelf en hun directe omgeving. 
De verwikkelingen lopen wel dusdanig uit de hand dat er doden vallen - waaronder Peter. Aan drama geen gebrek. Aan hoop evenmin, gelukkig. Het verhaal eindigt met een licht religieuze touch:

Ze lachten. De asteroïde werd groter en helderder, maar ze lachten nog steeds. Ze lachten om dat wat ze niet konden voorspellen of beheersen. Zou het hel en verdoemenis zijn? Zou het Armageddon zijn? Of zou er een tweede kans komen? Terwijl Ardor zijn verdoemde baan vervolgde, voelde Eliza een paar handen zacht als dons op haar schouders landen, als de handen van een geest, en ze hield haar vrienden stevig vast, lachend en tegelijk biddend. Biddend voor vergiffenis en biddend voor gratie. Biddend voor genade.

Deze licht religieuze touch zit ook in de slotscène van het hoofdstuk waarin Peter sterft, overigens wel een sterke scène. (HV)

Tommy Wallach. We keken allemaal op. Querido, 2015. ISBN 978 90 451 1864 2. Oorspr.: We al looked up (2015). Vertaling Aimée Warmerdam. 382 p.




zaterdag 24 september 2016

Hertz

is de op eerste gezicht raadselachtige titel van een verhaal door Marleen Nelen. De ondertitel luidt: De zoektocht van Finn Revel.

Het begint met een soort inleiding, onder het kopje 'Het vertrek'.

Een dag voor Finns elfde verjaardag vertrok Johannes met een schip vol kabeljauw. Het was een koude dag in februari van het jaar 1911.

Uit die inleiding blijkt al dat Finn het moeilijk vindt dat zijn vader steeds weg is - en zijn moeder, pianiste Tove, eveneens. Hij snuffelt in zijn vaders werkkamer, vindt aantekeningen waaruit blijkt dat Johannes allerlei onderzoek doet, en troost zich met het vioolspel van zijn vriend Isaak, de zigeunervondeling.

Daarna springt de verteller (die zijn personage op de voet volgt) 'Drieëneenhalf jaar verder', en dus is het dan 1914.
Een omineus jaartal, maar de Eerste Wereldoorlog speelt hoegenaamd geen rol in dit verhaal. Verklaarbaar, want het speelt zich af aan de kust van Noorwegen, dat buiten die oorlog bleef.

Zijn vader komt terug. Hoogste tijd, want Tove en Finn hebben gebrek aan geld en leven inmiddels deels op de pof. Finn gaat daarom met het hondenspan van de kruidenier boodschappen bezorgen. De hond, Toisa, blijft bijna het hele verhaal bij hem, ook als hij inmiddels andere dingen doet.
Zijn vader komt terug - en gaat weer weg, nu met een schip (de Tor Viking) naar de Noordpool. Na een tijd verdwijnt elk spoor. Schip vergaan? Niemand weet het. En dat terwijl het schip als een van de eerste schepen radio aan boord had en morse-seinen kon uitzenden.
In de tussentijd probeert Tove rond te komen door piano te spelen, maar ze krijgt tuberculose. En Finn struint na school met vriend Isaak en vriendin Wanja door het stadje. Samen plegen ze inbraken in de huizen van de rijkste bewoners. En hij leert Aage kennen, een jongen die in een wagen woont en zich met techniek bezighoudt.
Aage bouwt onder meer een radiotoestel. Met dat toestel proberen ze contact te krijgen met de Tor Viking, met Johannes Revel. Op een gegeven moment lijkt dat te lukken, maar als ze met een zelf opgelapt scheepje de zee op gaan (ook Isaak gaat mee) komen ze terecht in een kapersnest, een stel zeelieden dat oorspronkelijk in opstand kwam tegen de rijke reders, maar nu min of meer voor eigen gewin overvallen op schepel pleegt. Vals spoor gevolgd. Met grote moeite weten ze na een tijd te ontsnappen. Daarbij raken zowel Finn als Toisa gewond en hun vriendschap wordt tijdens deze mislukte expeditie op de proef gesteld.

De afloop ga ik hier niet vertellen. De speurtocht houdt wat betreft Finn niet op, daar laat ik het bij.

Hertz is een fascinerend, rijk en spannend verhaal, tegen de achtergrond van armoede, groeiend verzet tegen arbeidsomstandigheden op de werven, en technische ontwikkeling. Sterke karakters, die dankzij een meesterlijke verteller stuk voor stuk vorm krijgen.
Wat mij betreft mogen we nog veel meer van Marleen Nelen gaan lezen.



Nelen, Marleen. Hertz. Querido, 2015. ISBN 978 90 451 1880 2. 368 p.

donderdag 22 september 2016

Avonturen van Odysseus



Ἄνδρα μοι ἔννεπε, Μοῦσα, πολύτροπον, ὃς μάλα πολλὰ
πλάγχθη, ἐπεὶ Τροίης ἱερὸν πτολίεθρον ἔπερσε.

Vertel me, Muze, over die schrandere man
die zoveel zwierf, nadat hij de grote stad Troje verwoestte.

Het verhaal over de zwerftocht van Odysseus is bekend. Het zou opgetekend zijn door ene Homeros, over wie we verder nagenoeg niets weten, ook al staat er een afbeelding van zijn hoofd in het British Museum. Ondanks die buste is het zelfs de vraag of hij heeft bestaan.
Het verhaal zelf is tot ons gekomen dankzij noeste arbeid van mensen die vonden dat het bewaard moest worden voor het nageslacht. De oudste fragmenten op papyrus zijn ruin tweeduizend jaar oud, het oudste complete manuscript dateert uit de Middeleeuwen.

De tekst is tegenwoordig integraal op internet te vinden, bijvoorbeeld hier, met een vertaling door Ben Bijnsdorp ernaast, of hier, met wetenschappelijk commentaar en bronnen. Het is vele malen bewerkt. Die bewerkingen zijn o.a. te onderscheiden naar de mate waarin zij de oorspronkelijke tekst volgen.
Het lastigst daarbij zijn niet zozeer de woorden, maar het ritme.
Voor wie geen Griekse letters kan lezen, hieronder een transcriptie (zoals ik dat ooit op school leerde):

Andra moi ennepe, Moesa, politropon, hos mala polla
planchthè, epei Trojèsron ptoliëthron eperse.

Zes lichte beklemtoonde lettergrepen per regel, ieder gevolgd door twee of één minder beklemtoonde lettergrepen: voilà de hexameter, het ritme van de Odyssee. Dat moet ongeveer zo geklonken hebben (denkt men) (En ik denk: vast zonder hoestjes vooraf, en misschien toch met meer passie. Zo, misschien?) Hoe dan ook, het verhaal was bedoeld om naar te luisteren!

Zie dat maar eens na te doen in het Nederlands. Levert niet echt soepele taal op. Sommige bewerkers, waaronder Imme Dros, kozen voor een wat vrijer metrum, anderen voor proza. (Dat van Dros klinkt trouwens vaak als proza.) Ook werd de volgorde nog wel eens omgegooid.

Homeros zou echter vast wel erg hebben opgekeken van de bewerking van zijn epos die Daan Remmerts de Vries onlangs afleverde. Geen zangerig metrum maar staccato proza en een dosis ironie die hij wellicht ongepast zou hebben gevonden. Het heldendicht is veranderd in een cabareteske tekst, met ingebouwde mono- en dialogen. De muze wordt al helemaal niet aangeroepen, toch wordt er in de eerste zin een beroep gedaan op iemand. Laten we aannemen: de lezer.

Zie hem. Bekijk hem. Odysseus. Daar staat-ie, op de voorplecht van zijn zwarte schip. Een baard, een rechte neus, een mantel die wappert in de wind.

Maar hoewel de oproep om hem te bezien enkele keren wordt herhaald, is deze start atypisch.
Dit citaat, ook uit het begin, is typerender:

Odysseus staat op dat schip. Eindelijk op de terugweg…
Maar schepen hadden in die tijd voortdurend voedsel nodig. Geen ijskasten. Geen blikken soep. Wat zagen ze daar voor zich uit? Ismaros! Een eiland vol Kikoniërs!
Ja, maar wacht eens even! Die Kikoniërs, dat waren rotzakken! Die hadden de Trojanen aangemoedigd!
Hallo! Momentje! Mannen, doe je zwaarden maar weer om! Pak je spreek en je bogen! Die Kikoniërs zullen ervan lusten!
Krijsend gingen de Grieken daar aan land. Gillend renden ze de stad binnen. Vermoord alles wat een baard draagt! Steek de hens in wat van hout is! Tegenstand? Vechten ze terug? Het lef! De smeerlappen! Hak ze gauw in nootjes!
Wat vertelt Odysseus achteraf? ‘De vrouwen en veel rijkdommen maakten we buit en eerlijk verdeelden we alles.’
Ja, ja. Hij vond het allemaal volkomen op zijn plaats. Helaas, zijn mannen gingen daarna aan het fuiven. Vretend van het vee. En lol maken met de vrouwen die ze hadden meegenomen. Nee, vrouwen hadden niet veel te vertellen toen…

Dat staccato proza is intussen wel goed voor te dragen! 'Hallo! Momentje': dat brengt ons terug naar de oude versie. Maar die werd vermoedelijk gezongen. Zangerig kun je de tekst van déze Odyssee echt niet noemen. Het klinkt meer als een sterkeverhalenverteller aan een cafétafel.

De Odyssee is in dit boek verdeeld in 18 hoofdstukken. Dat zijn er 6 minder dan het origineel, maar sowieso verschilt de indeling van die van Homerus. Die laat Odysseus een groot deel van zijn belevenissen terugblikkend vertellen, een aspect waaraan Imme Dros zich in haar veelgeroemde bewerking (Odysseia, Querido, 1991, en in 2016 opnieuw als herziene uitgave verschenen) wel hield.
In de versie van Remmerts is er wel een terugblikkende verteller (en hoe: ‘geen ijskasten’, ‘geen blikken soep’), maar de avonturen volgen elkaar op in tijd. Hier is een verteller aan het woord die min of meer een loopje neemt met zijn held en met de goden, met de bedoeling, zo lijkt het, om de lachers op zijn hand te krijgen. Amusant, maar na enige tijd misschien wat vermoeiend. In ieder geval heel apart.

Bijzonder aan dit boek zijn maar de illustraties.



Naast Remmerts zelf, die hoofdstuk 8 van een afbeelding voorzag (zie boven), werden 17 illustratoren uitgenodigd om een hoofdstuk van een afbeelding te voorzien. Dat levert een rijk palet aan stijlen op - met hier en daar (maar lang niet zoveel als in de tekst) ook een ironische noot. Wat dat betreft zijn de sirenen van Annemarie van Haeringen (bij hoofdstuk 10, ‘ De Sirenen zingen’, zie onder) meesterlijk.





                                                           


Daan Remmerts de Vries. Avonturen van Odysseus, met illustraties van Charlotte Dematons, Annette Fienieg e.a. (Hoogland & Van Klaveren, 2015) 




woensdag 21 september 2016

Hoe vertel ik het mijn kinderen

Een van de somberste artikelen van de afgelopen tijd verscheen in Vrij Nederland 18-08-2016. Het was van Ed Croonenberg en de kop luidde: 'Hoe vertel ik het mijn kinderen; de onontkoombare uitstervingsgolf'. Boudste voorspelling (door Guy McPherson): over dertig jaar is het afgelopen met de mensheid. (Goede tweede in pessimisme: Peter Ward.) Het ging vergezeld door fraaie platen van Isaac Cordal.

Hoe vertel ik het mijn kinderen?

Ogenschijnlijk heeft dit vertoog te maken met hoe mensen met hun wereld omgaan, met 'het milieu' dus. Maar hoe 'wij' met 'onze wereld' omgaan heeft alles te maken met hoe we de wereld gebruiken, en dus met financiën, handel en nijverheid. (De Kunsten en Wetenschappen laat ik nu even buiten beschouwing.) (Voor wie dit niet begrijpt, zie Lijmen / Het been van Willem Elschot.)
Er is een direct verband tussen 'het milieu' (in de dubbele betekenis van het woord) en handel & nijverheid. Kort door de bocht: hoe ruiger de handel en nijverheid, hoe viezer de wereld.

Financiën zie ik nu maar even als deel van handel en nijverheid. De tak van wetenschap die zich daarmee zou moeten bezighouden heet economie.

Al tijden valt het me op dat er voor kinderen vrijwel geen enkel boek verschijnt waarin economie op een zinnige manier wordt uitgelegd. In de trefwoordenlijst van Boek en jeugd komen noch economie noch geld voor, ook op Leesfeest en Boekenzoeker is het lastig zoeken met die termen. Leesplein doet het ietsje beter.
Ik heb in al die tijd dat ik me beroepshalve met kinderboeken bezighield wel wat boeken zien langskomen, maar die beperken zich doorgaans tot wat voorzichtige uitleg over geld en verklaren nauwelijks waarom in kranten zo veel staat over financiële crisis e.d.. Bijvoorbeeld Wat kost dat?!: wat je wilt weten over geld & economie van Marga van Zundert (2008, geen slecht boek, komt dichtbij), Het geldboek voor kinderen (1998) en Hoe word je snel rijk? en andere vragen van kinderen over geld (2012) van Bas van Lier of Je geld of je leven van Alvin Hall (goed boek, komt het dichtst bij m'n idee). (Het gelijknamige boek van Hanneke van Veen en Rob van Eeden is voor volwassenen en meer een praktische handleiding.) (Het eveneens gelijknamige boek van Catharina Ingelman-Sundberg is een thriller voor kinderen.)
De enige uitzondering was een goed Duits boek - waarvan de vertaling helaas te kostbaar bleek om zonder subsidie uit te voeren. (Nikolaus Piper, Geschichte der Wirtschaft.)

Dan maar zelf schrijven? Ik heb nooit aanvechting gevoeld om zelf een boek te schrijven, maar wie weet. In een creatieve bui verzon ik alvast een tiental hoofdstukken:

Hoofdstuk 1, zout en schelpen
We weten haast niets van onze eerste voorouders. Ons iets verbeelden kunnen we wel: zie bijvoorbeeld Kinderen van de Maanvalk (oorspr. The Kin) van Peter Dickinson, een auteur die ook met ander werk gefascineerd blijkt door de allereerste mensen.
We kunnen ons alleen maar voorstellen dat er iets geruild werd tussen groepen. Maar hoe dat ging, daarover vertellen de gevonden botjes niets, de gevonden potjes een heel klein beetje, en ruilhandel onder indianenstammen in Zuid-Amerika misschien ook iets.

Hoofdstuk 2, de macht van het zwaard en kop of munt
Van de streepjes op kleitabletten in Mesopotamië tot de munten met de kop van Karel de Grote. De eerste sporen van geld en andere pasmunt. Waarom op oude munten zo vaak koppen van heersers staan.

Hoofdstuk 3, je lijf als onderpand
Koning, leenman, lijfeigene, een andere vorm van handel, zonder geld. Ik bewerk mijn akker, u beschermt mij... zolang het u goed uitkomt.

Hoofdstuk 4, wisselbriefjes en armlastige heersers
Lenen en laten lenen. Wat te doen als je niet genoeg baar geld op zak hebt en toch een schip wil uitrusten. Of een heel leger. La banca: de houten bank van de Italiaanse geldwisselaars. Kan een koning bankroet gaan?

Hoofdstuk 5, de tulpenrage (tulpen uit Amsterdam)
Wat is de waarde van een tulp? Over gokken, speculeren en windhandel. Worden we nooit wijzer?

Hoofdstuk 6, de grote roof (koloniën, slaven)
Heen: wapens, snuisterijen en vrome praatjes. Terug: specerijen, goud, en meer. Ook handel in mensen. Wat begon met handelsposten eindigde met veroveringen en overname van lokaal bestuur. Hoe overmacht de handel scheeftrekt - en de rechtvaardiging ervan.

Hoofdstuk 7, patriciërs, de droom van de natie en het werkvolk
Wij hebben het zo goed - en dat is goed zo, zo hoort het, en we gunnen ons personeel ook wel iets (maar niet teveel). Zie ons, verheven en gegoede ingezetenen, wij zijn de kern van de natie. Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje. Het werkvolk moet kort gehouden worden, anders krijgen ze een grote mond. 
Aldus de zelfvoldane gegoede burger. Maar het werkvolk ging morren.
Over de verdeling van geld en goederen.

Hoofdstuk 8, geketend aan de lopende band, een auto voor iedereen
Modern Times, de uitvinding van de lopende band. Kopen moeten we, kopen... maar het duurde even voor de patriciërs van weleer doorhadden dat hun werkvolk dan ook iets te besteden moet hebben. De mallemolen van maken en kopen. Van koning en fabrikant tot de loodgieter: iedereen leent. De mallemolen (opnieuw) van schulden en rente, en de handel in geld. Wie maakt het geld? Hoeveel geld is er eigenlijk? Kan het ook anders? Over het falen van de communistische heilstaat.

Hoofdstuk 9, spelen met geld (beurzen, aandelen) en het kind van de rekening
Verder over de handel in geld en het gokken met geld. Wat zijn beurzen, aandelen, obligaties, opties enzovoort. Wat was de Gouden Standaard? Nog eens: wie maakt het geld, wie bewaakt de waarde ervan, en hoe komt het dat er veel meer geld bijkomt als spullen en diensten? Goud is niet meer wat het was, het spaarvarkentje heeft een gat van onderen...

Hoofdstuk 10, gebakken lucht, gebakken peren of, vertrouwen komt te voet en gaat te paard
En nu? Daar sta je dan, met je spaarpotje en idealen. Hoe ziet je toekomst er uit? Over argwaan en samenwerking. Kunnen we elkaar nog vertrouwen?

Tja, nu de tekst nog. Het is mooi weer...

maandag 19 september 2016

Verloren zoon

Het lag al zo lang te wachten op bespreking dat ik het bijna weer opnieuw moest lezen: The Children's Act van Ian McEwan. Deze in 2014 verschenen roman is in hetzelfde jaar in vertaling (De Kinderwet, vert. Rien Verhoef) verschenen, maar ik las de Engelstalige versie.
De Engelse titel is ietsje rijker dan de Nederlandse, want act betekent zowel handeling als wet, en waar het om gaat is hoe hoofdpersoon Fiona Maye handelt inzake een lastig dilemma dat te maken heeft met de wet, en de betreffende wetten in het Verenigd Koninkrijk heten Children Act, niet Children's Act.
Die hoofdpersoon wordt gevolgd door een onbekende, alwetende verteller en die zit haar dicht op de hielen. Het perspectief is het hare.
Fiona Maye is een high court judge, een rechter met veel gezag, want het High Court is het meest gezaghebbende rechtsorgaan in Engeland en Wales. Ze krijgt te maken met twee dilemma's, een rechterlijk, een huiselijk, en later nog een derde, dat met beide te maken heeft.
Het huiselijke dilemma betreft haar echtgenoot Jack, die te kennen geeft op zijn 59e voor het laatst nog eens te willen genieten van een seksuele uitspatting - en niet met haar maar met ene Melanie, een studente. Hij wil dat zij dat goedkeurt, want hij houdt van haar en wil het huwelijk niet verbreken.
Het rechterlijke dilemma betreft een jongen die een bloedtransfusie zou moeten ondergaan om hem in leven te houden, maar de ouders weigeren dat omdat hun god (die van de Yehova's) dat niet toestaat.

De jongen, Adam (what's in a name) Henry, bijna achttien (bijna volwassen volgens de wet), is geneigd zijn ouders te volgen. Fiona zoekt hem op om hiervan zeker te zijn en deze passage (p. 100-118) is cruciaal en heel mooi, inbegrepen de ode aan de poëzie en de muziek die eindigt in samen musiceren, waarbij Adam viool speelt en Fiona zingt:

In a field by the river my love and I did stand,
And on my leaning shoulder she laid her snow-white hand.
She bid me take life easy, as the grass gros on the weirs;
but I was young and foolish, and now am full of tears.

Een bekend Engels liedje, 'The Sally Gardens'. Het bezoek eindigt met zijn vraag: 'Are you coming back?' We zijn dan halverwege het verhaal.

De jongen blijft leven.
Later zoekt hij haar op, ze is in Schotland voor een conferentie. En zegt haar, van verlegenheid kijkend naar een tafel: 'I want to come and live with you.'
Dat slaat ze af. Sterker nog, ze wil niet eens met hem praten. Ze gedraagt zich als de onkreukbaar geachte rechter die ze wil (of moet?) zijn.

The boy started to say, 'But we haven't even - and she raised a hand to shush him.
'You must go.'

Waarna nog een onhandig soort kus volgt, een die op zijn wang had moeten komen maar op zijn mond komt, maar even goed: 'You must go.'
Dat komt niet goed, dacht ik. En zo is het.

Het eerste dilemma is inmiddels wel opgelost - door Jack. Dat derde dilemma, dat was er niet - of te laat. Het verhaal eindigt in tranen.

Hiermee geef ik slechts een fractie weer van dit prachtige, schrijnende verhaal, dat zoveel rijker is in de details, ook door de heldere, trefzekere verteltrant.



McEwan, Ian. The Children's Act. Jonathan Cape, 2014. ISBN 978 0 2241 0199 8.