Op de website van de 'KB Nationale Bibliotheek' (het koninklijke is er in 2020 afgevallen) verscheen recent een mini-blog van Karin Vingerhoets over het prentenboek Van de wortelkindertjes uit 1913 (verschenen bij Kluitman). Een soort klassieker voor Jugendstil-liefhebbers, maar ook voor antroposofen, die wel pap lusten van verhalen rond seizoenen en bezielde natuur.
Nog in 1984 verscheen een bewerkte versie bij Christofoor en die is nog steeds verkrijgbaar, met een vertaling in proza van Ineke Verschuren (geen familie). In 1996 verscheen een bewerking door Annemarie Dragt (geen familie) bij Kluitman, met prenten van Freddie Langeler (1899-1948).
In 2007 verscheen bij Christofoor ook een muziekversie: Het muzikale verhaal van de wortelkindertjes, met liedteksten van Wil Timman-Botter en melodieën van Reginald van Oudheusden.
En de catalogus van de Nationale Bibliotheek vermeldt nog meer bewerkingen.
De oorspronkelijke Duitse uitgave verscheen in 1906 bij Schreiber Verlag: Etwas von den Wurzelkindern door Sibylle von Olfers (1881-1916), inclusief negen paginagrote tekeningen. Deze uitgave is online te lezen en te downloaden in Project Gutenberg.
De Nederlandstalige versie uit 1913, in een vertaling door van Albert Listal, begint zo:
Zeg, ken-je de Wortelkindertjes niet
Die den heelen winter slapen,
Diep in den grond, waar niemand ze ziet,
De kleine, pittige knapen,
En meisjes ook, die nóg kleiner zijn,
Maar even lief en even fijn?
En als het op d’ aarde weer lente wordt
Dan komt hun moedertje, met een wit schot
En een pas gesteven kapje,
Die roep ze: “Wordt wakker, nu sliep je genoeg!
“De wei wordt al groen, en de zon schijnt al vroeg!
“Hier heb-je schaar en lapje:
“Maakt daar wat keurige kleertjes van,
“Waarmee je fijntjes naar boven kan,
“Elk in een nieuw japonnetje
“Naar ’t lieve lente-zonnetje!”
Die den heelen winter slapen,
Diep in den grond, waar niemand ze ziet,
De kleine, pittige knapen,
En meisjes ook, die nóg kleiner zijn,
Maar even lief en even fijn?
En als het op d’ aarde weer lente wordt
Dan komt hun moedertje, met een wit schot
En een pas gesteven kapje,
Die roep ze: “Wordt wakker, nu sliep je genoeg!
“De wei wordt al groen, en de zon schijnt al vroeg!
“Hier heb-je schaar en lapje:
“Maakt daar wat keurige kleertjes van,
“Waarmee je fijntjes naar boven kan,
“Elk in een nieuw japonnetje
“Naar ’t lieve lente-zonnetje!”
En even verder, nu geciteerd uit de oorspronkelijke versie.
Nun kommt ein jedes Wurzelkind
Und bringt sein Kleidchen ganz geschwind
Hinein zur guten Mutter Erde,
Damit's von ihr gemustert werde.
Und bringt sein Kleidchen ganz geschwind
Hinein zur guten Mutter Erde,
Damit's von ihr gemustert werde.
De wortelkindertjes slapen en dromen onder de grond. Als de lente komt, maakt hun moeder hen wakker en gaan ze aan het werk. Ze naaien kleren, elk in een eigen kleur: het sneeuwklokje kiest een wit lapje, de boterbloem heldergeel, het klaproosje vuurrood. Daarna worden alle insecten gewassen, gepoetst en bijgeschilderd. Intussen warmt boven de grond de lentezon de aarde op en groeien de eerste blaadjes aan de bomen.
Als dat allemaal klaar is, maakt Moeder Aarde met haar sleutels de poort naar de aarde open en klimmen de wortelkindertjes en insecten uit de aarde, het veld en het bos in en het water op. Ze maken de hele zomer lang veel plezier. Aan het einde van het boek wordt het herfst en gaan de wortelkindertjes terug onder de grond om het nieuwe jaar af te wachten.




Geen opmerkingen:
Een reactie posten