Ofwel 宝宝.Dat betekent zoiets als schat (in de driedubbele betekenis van kostbaarheid, lieveling en baby). Zo noemt vader ook de hoofdpersoon en (grotendeels) verteller van De schat van Schimmenstad, de tweede roman van Reinier Sonneveld, bedoeld voor lezers vanaf een jaar of elf.
Die betekenis kom je in het verhaal niet te weten. Ja, 'knappe meid', heet het op p. 8, maar verder niet of ik ben vergeten waar.
Haar echte naam leren we op p. 15: Qin. (Spreek uit Tsjien.) Ook een bijzondere naam. Volgens Wikipedia 'was de Qin-dynastie het eerste keizerrijk in de geschiedenis van China'. De naam China zou ervan afgeleid zijn. Grappig, die keizerlijke associatie, omdat vader regelmatig zegt dat ze eigenlijk keizers zijn, zolang ze hun waardigheid niet verliezen en hun qi zuiver houden. De koning te rijk, vind hij, zo'n prachtige sterrenhemel, als ze weer eens buiten moeten slapen.
Eerste hoofdstuk, 'Moeder', begint zo:
Toen ik een peuter was, woonden we een tijdje achter in een wasserij, tussen grote metalen bakken vol lakens van hotels. Mijn vader nam eens een krant van straat mee, legde een bladzijde daaruit op de betonnen vloer en vouwde die een paar keer dubbel, tot ongeveer de grootte van een bankbiljet.
'Nu jij,' zei hij.
Ik pakte een vel en probeerde hem op z'n peuters na te doen.
'En dan zo.'
Hij trok zijn duimnagel over de vouwen.
'En zo...'
Hij legde de bladzijde weer open en scheurde die voorzichtig bij de vouwen uit elkaar tot losse velletjes. Toen ik dat probeerde, werd het meer alsof een straathond de krant had willen opeten. Maar mijn vader stak zijn duim op en ik voelde me heel groot. Daarna haalde hij zijn pen uit zijn borstzak. Die noemde hij nooit gewoon pen, maar scepter. Hij zette een streepje op een van de stukken papier, met ernaast twee rondjes.
'Honderd. Nu jij.'
Dat vond ik zo leuk dat ik extra rondjes zette.
Hij schaterde. 'Honderdduizend, zo hé, baobao, knappe meid!'
Dus het volgende velletje tekende ik helemaal vol rondjes. Zo gingen we verder, tot alle velletjes klaar waren. Daarna poetsten we onze schoenen extra lang, we veegden alle vlekken van onze kleren en kamden heel precies onze haren, 'je kroon poetsen' noemt hij dat nog steeds. Uiteindelijk stapten we met een boodschappentas vol briefjes naar buiten.
Het was toen al heel donker. Er stonden overal tafeltjes op straat met kommen rijst, kopjes thee, mandarijnen en zelfs vlees. Soms zaten er mensen bij geknield. Er brandden stokjes wierook en het ging kriebelen in mijn neus. Er waren metalen bakjes met vuurtjes.
'Dit is het Schimmenfeest,' legde mijn vader uit.
Onder een viaduct, tussen het onkruid en de plastic zakken, zat een oude vrouw geknield. Voor haar stond een pan, ze fluisterde iets tegen de rook die eruit kringelde. We lieten haar en gingen iets verderop staan. Boven ons raasden de auto's voorbij. We zochten een paar losse straatstenen en legden die in een rondje. Mijn vader schudde daarin onze tas met briefjes leeg, maar de wind trok er direct een paar mee. Hij rende erachteraan, kriskras alsof hij achtervolgd werd door kwaaie bijen, terwijl ik giechelend de rest tegenhield. De geredde briefjes legde hij gerug en hij zocht nog een paar stenen die hij op de andere stapelde. Hij knielde en ik deed hem na.
'Dit is ons geschenk voor Li Xinyue...' Hij keek me aan. 'Nu jij.'
Voor mij was het allemaal nog spel geweest, maar hij keek zo serieus dat ik stilviel.
'Dit is ons geschenk voor Li Xinyue,' herhaalde hij en hij probeerde te glimlachen. 'Nu jij. Dat is mama's naam. Dit is ons geschenk voor mama. Nu jij. Dit is voor...'
'Dit...' stamelde ik.
'Is...'
'Is...'
'Voor mama.'
'Voor mama.'
'Goed zo, baobao! Nu nog een paar woorden: de dochter van Deng Huiying.'
'De dochter van Deng...' Ik was het alweer vergeten.
'Zeg maar gewoon oma.'
'Oma.'
'De dochter van Gao Xiulang.'
'De dochter van...'
'De moeder van oma,' legde hij weer uit.
'De moeder van oma.'
'En de oma van oma.'
'En de oma van oma.'
'Wij zijn je niet vergeten, mama. Wij denken elke dag aan je. Maak je geen zorgen over ons. Je dochter wordt net zo sterk en slim als jij.'
Dat was te lang voor me en hij knipte de zinnen weer op en zo kwamen we er toch uit. Toen streek hij een lucifer af en de vlammen hapten door het krantenpapier. [...]
Zo krijgen we meteen een idee van tijd (er razen auto's), plaats (Chinese namen), karakter (vader zorgzaam), omstandigheden (arm) en drama (moeder...). Heel knap. Het linker teken boven dit hoofdstukje lijkt wel een moeder. Het rechter teken is Chinees voor 'moeder'. (In Mandarijn Mǔ, voluit Mǔqīn!)
Vader houdt er de moed in, al hoest hij de longen uit zijn lijf. Ze staan er met zijn tweeën voor, de twaalfjarige Qin en vader. Moeder is al lang dood (gestorven bij Qins geboorte blijkt later), vader verliest zijn werk, ze moeten verhuizen en gaan per bus naar Schimmenstad. Eigenlijk wil hij, blijkt ook pas later, naar zijn en haar geboortedorp. De buschauffeur wil de stad niet in en zet ze af op een verlaten plek aan de rand. Het lijkt er onbewoond, met lege huizen, toch zijn er hier en daar nog mensen. Na wat omzwervingen vinden ze onderdak in een oude vrachtwagen. Qin ziet sporen 'als handjes' en ontdekt een dierentuin zonder mensen en met dieren die in hun kooien kreperen van de dorst. En met waterkranen die ze kan openen. Hun qi moet gered worden, vindt ook vader, en zo komen ze aan twee aapjes (die van de sporen), een lynx en een olifant als metgezellen.
Als drie mannen met honkbalknuppels verschijnen die beweren dat die dierentuin en dus de dieren hun eigendom zijn, vertrekken ze. Een spannend moment, net op tijd heeft vader de motor weten te repareren en de accu weten op te laden door dagen met een wieltje te draaien. Ze rijden weg met in het laadruim olifant Mámi, de aapjes Beer 1 en Beer 2 en Katje, ja, want uiteraard heeft Qin ze een naam gegeven, op weg naar het dorp.
Na een tijd duikt dat drietal weer op en doet een aanval op ze, maar met hulp van Mámi schudden ze die af. Er is inmiddels een sterke band tussen Qin en de olifant wier leven ze heeft gered.
Helaas slaat het noodlot toe. Vader wordt onwel en Qin moet het stuur overnemen, met blokken onder haar voeten. Dat gaat goed tot ze, na alweer een confrontatie met de auto van het ongure drietal, in het donker te water raken, in de zee zelfs.
Vooruit, nog een citaat. En wat voor een.
De ondergrond verandert weer, het lijkt hier vlakker, de wagen stopt met schudden. Door moeten we, door! O nee, de voorkant komt omhoog, alsof een enorme takel ons optilt. Mijn voeten worden nat. Ik kijk door het zijraampje omlaag, alles is diepzwart onder ons, met glinsteringen.
'Papa!'
Ik sla op zijn wang. Hij bromt.
'Wakker worden!'
Langs de randen van de deuren straalt water naar binnen. Ik trek aan mijn vaders arm, hij moet overeind, zijn mond moet bij dat water vandaan, maar hij is veel te zwaar. Onderaan de voorruit klotst het al. In de laadruimte trompettert Mámi, hoog en schel. Ik probeer de deur aan mijn vaders kant open te duwen, geen beweging in te krijgen, het water drukt vanaf de buitenkant. Hoe diep is het hier? Hoe ver gaan we omlaag?
Het water staat tot mijn knieën. Er botst iets hards tegenaan, ik tast in het donker - de jerrycan, vol lucht. Het water staat buiten al halverwege de ramen, overal spuit het naar binnen, het komt tot mijn middel. Mijn vasder is wakker geworden en spat slapjes met zijn armen.
'Ga... baobao...'
'Nee, papa!'
'Je bent... de beste...'
'Je moet mee!'
Hij schudt zijn hoofd.
'Toe nou, papa.'
'Trots... op... jou.'
Ik wil geen afscheid. Dit mag niet.
'Treintje...'
Ja, we vlogen samen door de lucht.
'... dat bestond.'
Dat was echt, het is in gisteren opgeborgen en niemand kan gisteren kapotmaken.
Hij kijkt naar de ramen. 'Open...'
Wat bedoelt hij?
'Draai...'
Nu begrijp ik hem. Onder water zoek ik op de tast naar de hendel voor het zijraam en ga eraan draaien. Het water buiten is nog niet bovenaan gekomen. Daar kan ik uit. Ik ga op de bank staan, de jerrycan in mijn hand, mijn bovenlijf door de raamopening.
'Ga, majesteit.'
'Kom nou, papa!'
Dat laatste teken, een simpele vorm van bǎo, volgt eigenlijk direct na die regel, maar dat lukte hier niet.
Na deze bladzijde volgt een reeks bladzijden met datzelfde teken, steeds meer, zich samenvoegend tot een gestalte die steeds kleiner wordt. Sterven in beeld gebracht...
Dat van dat treintje klopt uiteraard. Ze ontdekten in die verlaten dierentuin ook nog zo'n rondrijdend toeristentreintje - dat het ook nog deed.
四
Verhaal afgelopen?
Nee! De voorgaande hoofdstukjes zijn verdeeld in drie, maar er volgt nog een vierde deel. Qin wordt op het strand gevonden en krijgt onderdak bij een visserspaar. Verder blijkt olifant Mámi ook nog te leven. Qin wordt op het laatst nog toegesproken door haar vader en moeder - vanuit het dodenrijk. Verder ga ik niet op details in, dat zou zonde zijn. Zo beknopt als ik het beschrijf is het niet.
Wel is opmerkelijk dat vanaf een zeker moment niet Qin aan het woord is, maar een ander: ze wordt toegesproken als het ware. En dat als ze zo ongeveer aan het eind van haar krachten is.
Dat valt op want tot dan was Qin de meester-verslaggever, zie het tweede citaat, alsof ze zelfs in die omstandigheden nog in een microfoontje roept. Tegen die tijd hebben we dat als lezer allang aanvaard, we leven mee.
Nu wordt ze toegesproken, door wie is eerst niet duidelijk, even denkt ze dat het Mámi is, onder haar, ze dobberen nog in het water (heel even kwam een associatie met Life of Pi langs), ze noemt haar zelfs even Mama, maar misschien ís het ook mama. Knap hoe in dit laatste deel droom en mythe worden gemengd met de werkelijkheid als in het prachtige hoofdstukje 'Verdriet', dat ik in zijn geheel zou willen citeren - maar ik doe het niet.
Ook nog even opmerken dat er in het hele verhaal op een grappige, originele manier wordt gespeeld met Chinese karakters. Deels echt, deels verzonnen, zoals boven dat hoofdstukje verdriet:
Dat is een toespeling op wat pleegvader Jun of pleegmoeder Ling zegt over verdriet.
Tot je het per ongeluk toch zegt. En dan op een dag zeg je 'mama' tegen Ling. Weer spijt het je verschrikkelijk en leggen ze uit dat het helemaal niet erg is. Verdriet heeft twee vleugels, wist je dat, Qin? Verdriet is als twee vogels die tegen elkaar in vliegen.
Dit verhaal gaat over familieband, overlevingsdrang en wat je je voorstelt bij het religieuze begrip hemel, maar vooral over verlies en verdriet. Zware thema's, ondanks alle heftigheid licht gebracht, en het einde mag je zelf interpreteren.
Een bijzonder tweede boek van Reinier Sonneveld, na De geheimen van Sterrenstad!
Sonneveld, Reinier. De schat van Schimmenstad. Lemniscaat, 2026. ISBN 978 90 477 1880 2, 256 p.




Geen opmerkingen:
Een reactie posten