Zoeken in deze blog

donderdag 30 juni 2011

Pathetix

Albert Uderzo is met René Goscinny schepper van het tweetal Asterix en Obelix. Rond hem en zijn lieve dochter Sylvie is al enige tijd kabaal. Wie in een zoekmachine Albert en Sylvie Uderzo intikt, vindt met gemak de berichten. Begin 2009 gaven Albert Uderzo en Anne, de dochter van de in 1977 overleden Goscinny, volgens Wikipedia 'te kennen dat zij de groep Hachette Livre de toestemming gaven om de Asterix-reeks ook na Uderzo's overlijden voort te zetten. De uitgeversgroep verwierf eind 2008, 60% van de aandelen van Albert-René. Het is niet bekend of Uderzo daar ook bepaalde voorwaarden aan gesteld heeft naar het karakter van de toekomstige albums.'
' When Uderzo sold his share of Editions Albert René to Hachette Livre, Sylvie accused him in a column in Le Monde, that with this action it was "as if the gates of the Gaulish village had been thrown open to the Roman Empire". Sylvie owns 40% of Editions Albert René, while the remaining 60%, previously owned by Uderzo and Goscinny's daughter, is currently owned by Hachette Livre.[5] ' Aldus de Engelstalige Wikipediapagina over Uderzo. (De Franse Uderzo-pagina zwijgt erover.)
De ruzie liep dermate uit de hand dat Albert zijn dochter ontsloeg, maar die vocht dit met succes aan, zie een Nu.nl-bericht d.d. 18 maart 2009.
Nu heeft Le nouvel observateur d.d. 9 juni 2011 weer voor opschudding te hebben gezorgd door een artikel, waarin de oude Albert zich onverbloemd uitlaat over recente acties van zijn dochter. Die is een proces begonnen dat zich zo laat samenvatten volgens Connexion France:

'Sylvie Uderzo sues father's entourage
March 30, 2011
THE daughter of Asterix co-creator Albert Uderzo is suing her father’s close colleagues, claiming they have “pillaged and broken” her family. 
Sylvie Uderzo is accusing her father’s close circle of advisors of “abuse of weakness” against the 84-year-old. 
The legal challenge follows several years of bad relations between the father and his daughter, who was strongly opposed to Uderzo selling to Hachette, in December 2008, his 40 per cent stake in Albert-René, publishers of the Asterix books since the death of co-creator René Goscinny in 1977. 
She said in early 2009 that the idea of Hachette taking majority control – with Goscinny’s daughter Anne also selling her 20 per cent – was like the Roman’s invading Gaul, referring to the storylines of the Asterix books. 
She was particularly opposed to Hachette’s plans to continue the character’s adventures after her father’s death. 


The feud however started in 2007 when Ms Uderzo was sacked from her job as managing director of Editions Albert-René, a decision which was later agreed by a Paris court not to have been properly founded on a “serious fault” on her part. 
However it had been assumed that Ms Uderzo had buried the hatchet, when she took the decision to sell her own 40 per cent to Hachette earlier this month, for an undisclosed sum. 
On the contrary, she has now launched legal action against individuals close to her father, and the Nanterre public prosecutor has opened an inquiry. 
Ms Uderzo, 54, has said she took the “painful decision” so as to have French justice recognise that her father has been a victim of swindlers”. 
Among those she is angry with are her father’s former plumber, now his right-hand man, who she claims has led him astray by persuading him to waste money on an extravagant new house with “pharaonic” decoration” and a Mirage III jet that is “sitting in a hangar”. 
She also takes issue with certain Hachette staff, who she says have “isolated” her father and his notaire, who is undergoing investigation for fraud in another matter. 
Ms Uderzo says these people have taken advantage of her father in recent years as he has aged and has lost close friends. 


Uderzo said he feels “infinite sadness” at his daughter’s action and described her decision as “judicial harassment”. 


The Asterix books are have sold more than 320 million across the world in about 100 languages.'

De tekst van het artikel in Le nouvel observateur heb ik, maar vind ik te lang om hier in te voegen. Bovendien wil ik het eerst op mijn gemak gaan lezen.

Albert Uderzo dans son village gaulois qu'il s'est construit dans la vallée de Chevreuse. (photo Bruno Coutier pour le Nouvel Observateur)
Albert Uderzo in het 'Gallische dorp' in de Vallée de Chevreuse. (Foto Bruno Coutier voor Le nouvel observateur.) Niet te verwarren met het Parc Asterix ten noorden van Parijs.
Het betreft dit:
' Au milieu des bois de la vallée de Chevreuse, Uderzo s'est construit un village gaulois. Il ne compte que quatre habitants, Albert et sa femme, Ada, la belle aux yeux si verts (le modèle de la pulpeuse Falbala), épousée il y a cinquante-huit ans, et un couple de gardiens. 
La maison s'appelle « La butte Mon tartre ». Elle est située allée de la Serpe-d'Or, au numéro 1. 
Il n'y a pas d'autres numéros. Dans les années 1960, Albert et Ada avaient acheté ici une clairière de 6 000 mètres carrés, sur laquelle ils posaient leur caravane. Ca les changeait de leur HLM de Bobigny, avec jolie vue sur le cimetière de Pantin. Dans la chambre de sa fille, Albert, qui aimait la campagne, avait peint un ciel, avec des oiseaux et des papillons. 
Quand Ada s'est mise à avoir peur du bruissement des arbres au milieu des bois, quand l'argent aussi a commencé à rentrer, ils ont fait construire une maison au toit de chaume, planté un menhir dans le jardin, entrelacé leurs initiales A et A dans le bois des poutres et dessiné des rues plantées de réverbères, qui portent des plaques de faïence bleue - comme à Paris - au nom de leurs parents respectifs. 
La propriété fait désormais 12 hectares : c'est un paradis du kitsch. A côté de la maison d'Astérix, celle des Ferrari : Uderzo en a possédé jusqu'à six, il en reste deux et un modèle réduit qu'il a offert à son premier petit-fils pour Noël, quand il avait 9 mois. 
Et puis « l'oppidum », immense salle de banquet où l'on est attendu par une statue d'Obélix et un sanglier en peluche grandeur nature. Comme une relique, la robe de mariée de sa fille est posée derrière une balustrade. Un peu plus loin, un hangar abrite un Mirage 3 E patiemment restauré, et identique à ceux qu'Uderzo dessinait dans « Tanguy et Laverdure ». Quand les portes s'ouvrent, l'avion glisse sur un rail, et, mêlée au son d'une canonnade, la voix de Johnny Hallyday entonne « les Chevaliers du ciel ». Albert s'est offert des jouets grandeur nature d'ancien enfant pauvre. Il les adorait. 
Aujourd'hui, depuis que sa fille et son gendre considèrent qu'ils ne sont que les caprices d'un vieillard manipulé par des rapaces, ils ne lui donnent plus de plaisir. '

Kort samengevat: z'n eigen huisje... 'un paradis du kitsch'.

Intussen in New York...

... las Samuel Jackson voor uit Go the F*k to Sleep. Zie Fuck, fuck!
Als dit Youtube-kanaal op zwart staat (want auteursrechten), is er met wat zoeken nog wel een alternatief te vinden, wellicht.

Intussen in Luanda...

... opende minister van cultuur Rosa Cruz Silva een 'Feira do Jardim do Livro Infantil' ofwel een Beurs van de Kinderboekentuin in Luanda, Angola. Die tuin en bijbehorende kindeboekboekenbeurs bestaan in ieder geval al sinds 2009, blijkt na wat i-speurwerk.
Als ik een persbericht uit 8 april 2011 goed begrijp, wil het Angolese cultuurministerwie dit idee landelijk invoeren.
Jardim do livro é um incentivo à leitura
Ook Maria José Ramos, directeur van de nationale Bibliotheek, vindt het een mooi idee.

maandag 27 juni 2011

Met Rindert Kromhout dineren in de tuin van Marja

Marja Käss heeft een lange loopbaan achter de rug als vakjournaliste op literair gebied. Een van haar meest recente projecten heet Lekker Literair. Ze doet dat samen met dochter Maartje, die haar culinaire talent tracht te verkopen als MaartjeTaartje.
Het concept van Lekker Literair is ' Een goed gesprek met een schrijver of een muzikaal programma plus een waanzinnig feestmaal afgestemd op het thema van de avond. Dit alles wordt bereid met liefde en streekproducten van het seizoen; als het even kan uit de eigen moestuin, gelegen in het Renkums Beekdal. '
Ik kwam er vroegtijdig achter en had al ettelijke uitnodigingen in mijn e-postbus laten passeren, tot er een voorbijkwam met Rindert Kromhout als speciale gast. Ik meldde me aan en betaalde de gevraagde € 35,-. Gisteren bleken de weergoden genadig: na zaterdag regendag scheen de zon volop en kon het beloofde diner in Marja's tuin worden opgediend.


















Gast Rindert Kromhout had inmiddels voor de andere gasten (rond 25) iets verteld over het totstandkomen van Soldaten huilen niet (Leopold) en eruit voorgelezen, eerst solo en vervolgens in een interview door Marja Käss, en daarna nog enkele vragen beantwoord uit het publiek - waaronder die ene onvermijdelijke, 'waarom schrijft u voor kinderen'. (Antwoord kort samengevat: omdat me dat 't meest ligt.) Dat publiek kwam naar mijn indruk grotendeels uit Renkum en omstreken met een hoog gehalte 'kennissen en vrienden', maar Marja vertelde me dat ze de helft niet kende, dus hier was een resultaat zichtbaar van doorvertelreclame. Enkelen hadden de moeite genomen om kennis te nemen van Rindert Kromhouts werk.

Tussen de drie gangen van het voortreffelijke Italiaanse diner (MaartjeTaartje! op de foto presentatie van het voorgerecht) ...


... kon men boeken kopen, en Rindert signeerde tussen het koele loof van de tuin.













Verder las Rindert Kromhout voor uit Naar Italië (en neem gerust je ouders mee) (Leopold). Dat is niet de enige band tussen hem en dit land, hij heeft er gewoond en het leverde de achtergrond van menig verhaal - en deze ook voor volwassen lezers aan te raden reisgids . Hij zou er (mede wegens overmaat aan tiepjes à la 'Henk en Ingrid' hier) graag weer naar terugkeren - maar de liefde houdt hem in Nederland, vooralsnog.
















Rechts op de foto collega-auteur Martinus de Kam (Heksen, trollen en glazen bollen, Gottmer).
Mochten gastvrouw Marja Käss, hij en ondergetekende iets hebben met jeugdliteratuur, in het algemeen had dit publiek dat niet. Men was geïnteresseerd en aandachtig, dat gelukkig wel.

Een bijzonder initiatief, Lekker Literair. Ik sluit niet uit dat ik nog eens deelneem en gun Marja en Maartje een publiek uit verre omstreken.

Tiffany Dop

Dertienjarige vertelster Tiffany in Tiffany Dop van Tjibbe Veldkamp (Lemniscaat) past even op een baby en ontdekt dat ze daarbij heel prettig voelt. Ze besluit een baby te krijgen en gaat op zoek naar een verwekker. Ze komt o.a. Olivier tegen, die belooft haar te helpen, maar haar in feite wil behoeden voor de gevolgen van dit onbesuisde plan. Dat lukt, met wat omwegen.
Een meisjesboek? Dan wel een atypisch meisjesboek, want door de karakterisering van de hoofdpersoon zouden ook jongens zich aangetrokken kunnen voelen tot dit verhaal. Bovendien is het geschreven in een bondige, lenige stijl, zonder de stijlfiguren die veel verhalen voor jonge meiden kenmerken en die te typeren zijn als pogingen om iets van tienertaal na te doen.
Veldkamp heeft een ruim oeuvre, voor bijna alle leeftijden, en positioneert zich duidelijk als  ‘kinderboekenschrijver’. Zelf typeert hij dit verhaal als iets voor 10+, en taaltechnisch is dat juist, maar ik denk dat weinig tienjarigen zich gegrepen voelen door het verhaal, op vroegrijpe meisjes na. Zie de eerste twee zinnen:

Ik was dertien en wilde een baby. Ik trok de deur van de flat achter me dicht en dacht: als ik thuiskom ben ik zwanger.

Het is niet zijn enige werk voor deze leeftijdsgroep, zie SMS, De lachaanval en De bezwering.

De hoofdpersoon blikt terug op een woelige episode en doet dat alsof ze vlak daarna aan iemand het verhaal vertelt. Dat gebeurt in een vlotte, uitgebeende stijl, met hier en daar ironische kanttekeningen, en die wordt zeer consequent volgehouden, waardoor haar karakter voor de lezer kleur krijgt. Dat is uitstekend gedaan. Om dat te tonen, citeer ik het vervolg op de eerder geciteerde twee zinnen:

Ik klom over de balustrade en sprong naar beneden. Niet gevaarlijk, want we wonen op de eerste verdieping.
Het was nog vroeg, maar toch was het al warm, te warm om het hele eind naar het centrum te rennen. Ik deed het toch. In de buurt van de flat kenden mensen me. Ik wilde geen kind van een bekende. Zo iemand wilde later misschien de vader uithangen en dat was even niet de bedoeling. Ik wilde een kindje voor mij alleen.
Ik had nooit geweten dat ik dat wilde. Eigenlijk was het ook niks voor mij. Ook kinderen die niet zelf met mij gevochten hadden, kenden mijn naam: Tiffany Dop, bats veur de kop. Niemand van hen zal ooit gedacht hebben: die Tiffany Dop wil vast graag een kindje. Maar dat wilde ik dus wel. Ik had het net die ochtend bedacht.
Nu denk je misschien: Tiffany Dop, zou je daar niet een nachtje over slapen?
Nou nee. Een baby zou helemaal geweldig zijn! Beter dan geld of mooie spullen of goeie cijfers. Al die dingen kwamen niet eens in de buurt! Ik wist het helemaal zeker. Waarom zou ik dan wachten?
Toen ik bij de Grote Markt was, ging ik op een bankje van een bushalte zitten om uit te hijgen.

Dat is bladzijde 1, en dan heb je als lezer al meteen een beeld. Van een ongeduldig, fysiek geoefend, vechtlustig meisje. Dat beeld wordt later aangevuld en alles valt op zijn plaats. Een huishouden dat als los zand is, met leden die vooral op hun eigen belang letten. Een moeder (Sheila) die haar geld verdient als escortdame en grillig reageert en regeert. Twee jongere broertjes (Danny en Bruce) die daarin zo hun eigen weg kiezen, met veel streken aan de rand van de misdaad. De aanleiding tot het verhaal: ze krijgt onverwacht een baby in handen gedrukt om even op te letten, en ontdekt dat ze zich daarbij heel goed voelt, want ze leert dan een heel andere kant van zichzelf kennen. Dat begint (p. 19-20) zo:

Ze sloeg een armpje om mijn hals. Ik voelde me vreemd. Een beetje huilerig, maar op een prettige manier - terwijl ik dus geen huilerig type ben. Ik aaide het meisje over haar wang. Wat was haar huid zacht! Ik aaide haar nog eens. Ineens snapte ik wat ik had. Ik voelde liefde.
Misschien vind je dat niet zo vreemd, misschien denk je, logisch, die kleintjes zijn ook zó scháttig! Dat kan zijn. Maar ik vond het idioot. Ik was Tiffany Dop, bats veur de kop. En Tiffany Dop hield niet van baby's. De ene helft van me dacht: wat een schatje! Ik hou van haar! En de andere helft dacht: Tif, kappen nou! Doe normaal!
‘Fff!' zei het meisje.

Natuurlijk loopt die speurtocht naar een verwekker op niets uit, na enkele (voor de lezer hilarische) episodes, maar ze leert er wel Olivier door kennen, en daardoor weer een andere baby (Roos), op wie ze regelmatig mag passen, en mensen die haar waarderen.
Intussen loopt er thuis van alles mis en ze leert o.a. van haar moeder wel een heel akelige, egoïstische kant kennen – waarbij haar fysieke kracht en vechtervaring nog een rol speelt, dus ook dat valt op zijn plaats. Het is volstrekt geloofwaardig dat ze aan het eind van het verhaal (p. 113) besluit:

‘Ik ga uit huis’.
Ik had niet geweten dat ik dat wilde. Maar ik wist het zeker. Dus waarom zou ik wachten? In een leven zonder Sheila, Danny en Bruce kon ik worden wie ik wilde. Met of zonder baby.

Let ook op de fraaie herhaling van dat ‘waarom zou ik wachten’, die begin en eind van het verhaal met elkaar verbindt. Zo blijft ze haar karakter trouw, terwijl er toch een ontwikkeling valt waar te nemen. En zo blijft het verhaal licht van toon, dankzij de zorgvuldige karakterisering van dit ondanks alle soms heftige gebeurtenissen (je zal maar door je moeder tot prostitutie worden gedwongen) levenslustige type.

Nimf

De dertienjarige Nour en zijn vader Len zijn geheel de draad kwijt als moeder Tille de benen neemt. Len hangt zijn viool in de wilgen, Nour verdiept zich in zijn insectenverzameling en spijbelt. Zijn vader vindt als eerste zijn evenwicht terug, met Nour komt het pas een beetje goed als zijn moeder weer komt opdagen.
Nimf (Davidsfonds/Infodok ) is de vierde roman van Marleen Nelen en voor alle vier romans geldt dat het Bildungsverhalen zijn. De hoofdpersoon komt in een crisis terecht en tracht zich daar uit te redden. In feite geldt dat voor een zeer groot deel van de verhalen die men tegenwoordig als adolescentenliteratuur (young adult literature) typeert. Opvallend is ook het grote aandeel van de zogenoemde ‘ik-verhalen’ in dit subgenre, verhalen waarin de verteller tevens de hoofdpersoon is.

Deze typering mag dan niet verrassend zijn, maar Nimf hoort beslist tot de beste voorbeelden van dit subgenre. Ook dit is een verhaal waarin de verteller de hoofdpersoon is: de dertienjarige Nour. Zijn perspectief wordt consequent doorgevoerd. Het is een verhaal over een crisis waarin drie mensen een grote rol spelen (Nour, zijn vader Len, zijn moeder Tille). Van de laatstgenoemde twee personen komt de lezer alleen te weten hoe Nour ze ziet. Nour daarentegen leren we heel goed kennen.
Natuurlijk is ook in dit verhaal, zoals in heel veel van zulke ‘ik-verhalen’, de ongerijmdheid aanwijsbaar dat een dertienjarige jongen zich uit met de stijlvastheid, de vlot weglezende zinnen van een ervaren verteller. Maar het stoort niet. Een laagje dieper blijft het perspectief wel degelijk dat van een dertienjarige, nergens piept er per ongeluk de blik van een veel oudere vertelinstantie door, zoals dat in veel van zulke verhalen wel gebeurt. Het mag dan wel goed leesbaar proza zijn, zoals je niet verwacht van een dertienjarige, het is wel heel naturel. En daardoor geloofwaardig.
Wat er gebeurt is heftig. Na het opstappen van Tille (een tien bladzijden durende episode die op zich een wrang en hilarisch verhaal is) raken zowel vader als zoon, ieder zeer afzonderlijk, uit balans. Heel mooi zie je als lezer in het hoofd van Nour hoe hij mede van slag raakt doordat zijn vader van slag raakt. Heel wrang om te ontdekken hoe het schort aan contact tussen die twee. Heel raak is de verwarring die optreedt als ze uit de krant vernemen hoe het met Tille in de VS (succesvol) gaat. Heel geloofwaardig ga je als lezer mee in Nours vlucht in de insectenverzamelarij en zijn weigering om nog naar school te gaan. De verhuizing is een drama op zich, evenals de andere school, waar Nour het slachtoffer wordt van enkele treiteraars. De opluchtende huilbui van Nour als Tille eindelijk, veel te laat, weer terug is, is dan al geheel te begrijpen.
Kortom, een verhaal dat staat.
Zoals een dirigent na een lange repetitie roept na de allerlaatste en eindelijk geslaagde uitvoering: ‘niets meer aan doen’. Het is af.

zondag 26 juni 2011

Plekken waar niemand komt

De Volkskrant tracht, net als andere periodieken, inkomsten te werven middels een online-winkel. In de krant van afgelopen zaterdag was een grote advertentie te vinden voor de 100%-reisgidsen van Mo'Media. Slogan: 'Je reisgids naar plekken waar anderen niet komen!'.








Twee zaken vielen me op.
Ten eerste: ook hier word ik quasi-vertrouwelijk met je aangesproken, in het spoor van steeds meer bedrijven en deels ook de overheid ('houd je aan de maximum-snelheid'). Ik waag me aan de voorspelling dat de aanspreekvormen u en uw in Nederland over een of twee decennia zijn uitgestorven en de enkeling die ze dan nog gebruikt wordt als archaïsch ervaren. (Vlaanderen is een andere zaak: daar werden en worden deze woordjes als verlengstuk van het vertrouwelijke ge gebruikt.) Ik wacht op de rubriek in Onze Taal die dit gaat bijhouden. Is dat erg? Het Engels doet het al enkele eeuwen met you en your.
Ten tweede: de quasi-vertrouwelijkheid wordt nog aangezet door de suggestie dat men alleen mij aanspreekt. Naast mij zal niemand anders op de beschreven plekken komen.
Dat is natuurlijk lariekoek, net als de 'unieke adressen'. Eigenlijk zo beledigend, deze inschatting van het menselijk verstand, dat ik deze gidsen niet zal kopen. Denk ik.

Waar is Leila?

Leila loopt weg van huis wegens hardhandige stiefvader en vindt onderdak bij Jonas op zolder en bij haar oma. Ze houden dit geheim tot het niet meer kan. Dan grijpt Jonas’ moeder in en komt het goed: Leila’s moeder heeft spijt, stiefvader is weg en Leila kan weer naar school.
Waar is Leila? van Anton van der Kolk (Van Tricht) is een simpel wegloopverhaal, verteld in korte zinnen die alle op een nieuwe regel beginnen, door een onpersoonlijke verteller. De auteur heeft na zijn debuut (Een pelikaan op straat, 1992) meer werk op zijn naam staan, ook bij andere uitgeverijen (Van Goor, Zwijsen), meestal voor 9+, soms jonger (de leesseries van Zwijsen).

Het verhaal zit op zich geloofwaardig in elkaar. Dat Leila wegloopt is begrijpelijk, dat Jonas haar thuis verbergt op zolder wordt ook heel aannemelijk, Jonas’ gevoelens en gedachten zijn goed te volgen en de reacties van andere personages (Jonas’ moeder, Leila’s moeder en oma, politiemensen) zijn ook redelijk naturel. Maar om dit verhaal te appreciëren zul je je moeten verplaatsen in een tiener die zich woord voor woord door een verhaal zwoegt. Die krijgt dan te maken met korte, maar redelijk naturel lopende zinnen, die echter steeds op een nieuwe regel beginnen en dan ook nog woorden als onderzoeksmethoden, routine-onderzoek, politiesalarissen en eengezinswoning bevatten. Dat leest niet lekker.
Klein voorbeeldje:

Jonas staat nog steeds op de trap.
Alsof hij de weg naar de zolder wil afschermen.
De agente wijst naar een lege stoel.
‘Ik kom zo’, zegt Jonas.
‘Ik moet even naar de wc.’
Jonas loopt langs zijn moeder naar de wc.
Hij gaat op de wc-bril zitten.
Hij moet rustig blijven.
Maar zijn hart bonkt.

Dat had ook zo gekund:

Jonas staat nog steeds op de trap, alsof hij de weg naar de zolder wil afschermen.
De agente wijst naar een lege stoel.
‘Ik kom zo’, zegt Jonas, ‘ik moet even naar de wc.’
Jonas loopt langs zijn moeder naar de wc en gaat op de wc-bril zitten.
Hij moet rustig blijven, vindt hij, maar zijn hart bonkt.

Extra complicatie: de dialogen. Daar moet je goed bijhouden wie wat zegt, want dat vermeldt de verteller niet altijd. Dat is op zich terecht omdat je anders erg hortende zinnen zou krijgen, met steeds ‘zegt XX’, of varianten daarop. Ook hier wordt het leesgemak niet bevorderd door elke zin op een nieuwe regel te laten beginnen.
Even vergelijken met een toevallig nu ook beoordeeld werk, dat van Wilma Geldof, Levi, Lola en de liefde: ook daarin korte, relatief eenvoudige zinnen, maar op een natuurlijker manier in alinea’s bij elkaar gezet.
Waar is Leila? wordt gepresenteerd als een boek voor jongeren die moeite met lezen hebben, maar ik vraag me af of het werkelijk makkelijker lezen is dan het werk van Geldof, dat niet als zodanig wordt gepresenteerd.
Ik heb, mede op grond van voorgaand werk, het idee dat de auteur beter verdient dan deze opmaak en presentatie. Dit werk, Waar is Leila?, krijgt van mij de status ‘matige literaire kwaliteit’, maar over het geheel genomen zou ik werk van Anton van der Kolk een B geven en als ik de auteur mocht adviseren zou ik hem aanraden weg te blijven bij Van Tricht.

Levi, Lola en de liefde

Levi van Eijk, veertien jaar, zanger in de schoolband Public Bitch, wordt verliefd op de oudere Lola, het mooiste meisje van school, dat ook nog goed blijkt te kunnen zingen. Hij maakt het daarvoor uit van zangeres Nicole, krijgt het moeilijk, mede doordat zijn echte vader ook ineens opduikt, wordt wegens kribbig gedrag uit de band gezet, maar alles komt weer goed en het verhaal eindigt beloftevol voor Levi en Lola.
Levi, Lola en de liefde is een feelgood-liefdesverhaal van Wilma Geldof, in vlot leesbare stijl verteld door een anonieme, onpersoonlijke verteller. Past geheel in het overige werk voor 12+ van deze auteur, met titels als Bitch!, Vlinder en Heej sgatje.

 ‘Alles was geweldig. De muziek was meeslepend. Opwindend. Samen zongen ze:
Yeah, the heat is on!
De muziek spetterde. Bij het einde was iedereen opgezweept.
De ‘muziek was meeslepend’, en wellicht bezorgt dit verhaal tieners enkele spannende en warme momenten, vooral als ze denken aan hun eigen verliefdheidssores en het gedoe met en tussen vriendinnen. De hormonen gieren door het verhaal, wil ik maar zeggen. En als je daarvoor gevoelig bent, laat dit verhaal zich heerlijk lezen.
De verteller is onpersoonlijk en laat de lezer vooral met vlotte korte zinnetjes in o.t.t. uitgebreid delen in de gevoelens en gedachten van Levi. Die zijn heel geloofwaardig. Hij moet een pijnlijke keuze maken tussen Nicole en Lola, krijgt te maken met een weerbarstig lid van de band (Boon), een schoolbandbegeleider met een bord voor zijn kop (Tjeerd), met een biologische vader (Simon) die uit het niets opduikt en ook zijn zwakke kanten blijkt te hebben en het is allemaal even heel lastig, maar het komt gelukkig weer in orde, blijkt uit het op een na laatste hoofdstuk (waarin het goed komt met Lola) en het laatste hoofdstuk (‘Een jaar later’, met de band).
Mocht je als lezer wat meer diepgang verwachten, iets over pijnlijker dilemma’s dan welk meisje te kiezen, of iets poëtisch, iets dat toont wat je met taal allemaal kan doen, dan kom je met dit verhaal bedrogen uit, maar het is wel een overtuigend verhaal over de stormen die er in het hoofd van een veertienjarige jongen zouden kunnen woeden.

Mila, koningin van de Zeven Zeeën

Mila, koningin van de Zeven Zeeën (Moon) is het debuut van Jette Carolijn van der Berg als kinderboekauteur. Op de achterkant staat vet gedrukt dat zij ‘bekend is’ van haar rol (als Frances 'Baby' Houseman) in de musical Dirty Dancing. Iedere associatie van het verhaal met deze musical is echter misplaatst.
Het is een verhaal dat past in een traditie die met Robinson Crusoe is ingezet: hoofdpersoon spoelt na schipbreuk aan op eiland en moet zich zien te redden. Een robinsonade dus. In dit geval is de hoofdpersoon een elfjarig meisje, dat met vader en moeder per schip onderweg is naar Ceylon, waar haar vader ambassadeur gaat worden. Het schip vergaat en Mila spoelt aan op een eiland. Daar valt ze in handen van piraten. Ze vaart als jongen vermomd mee tot de vermomming ontdekt wordt. De piratenkapitein wil haar als slaaf verkopen, maar ze weet te vluchten, met de scheepsjongen. Een waarzegster vindt dat hun geluk in New York ligt. Ze verstoppen zich aan boord van een schip, worden ontdekt, de kapitein heeft medelijden met ze, maar een vals bemanningslid verkoopt ze in New York aan een weeshuis. Daar ontsnappen ze bijna weer, maar ze worden gepakt en meegegeven aan de piratenkapitein, die ze achtervolgd heeft wegens een in zijn ogen kostbaar kleinood. Middels enkele dramatische wendingen wordt echter de scheepsjongen Zilver kapitein van het schip, ze varen naar Europa en eind goed al goed arriveren ze bij het landgoed dat nu van Mila is, en haar geliefde kindermeisje is er ook nog.

Het verhaal deelt met vrijwel alle robinsonades dat het hoogst onwaarschijnlijk is. In tegenstelling tot de beste robinsonades weet de verteller deze onwaarschijnlijkheid niet weg te poetsen. Suspension of disbelief is hier wat veel gevraagd. Dat ligt aan diverse factoren: de eendimensionaliteit van de volwassen personages, de onverklaarde en daardoor ongeloofwaardige gehechtheid van piratenkapitein Branko aan scheepsjongen Zilver, wiens ouders hij nota bene heeft gedood, de wat kinderlijk geschetste bijgelovigheid van deze Branko, de vaagheid van de tijd waarin het verhaal zich afspeelt. (Volwassen lezers zullen vermoeden: 19e eeuw.)
Jammer, want de Nederlandstalige jeugdliteratuur kan best wat avonturenverhalen gebruiken. Ik neem aan dat er jonge lezers te vinden zijn die zullen smullen van dit lekker wensvervullende verhaal. Maar het had echt veel beter gekund.
De stijl is die van een doorsnee kinderboek, een onpersoonlijke verteller die als het ware in het hoofd van de hoofdpersoon kruipt:

Wat zou erin zitten? Wat voor verrassing had Doushka voor haar bedacht? Toen zag ze ineens het gezicht van haar kindermeisje voor zich. Ze had het beloofd. Ze zou het pas openmaken op de dag van haar verjaardag. Ze liet het blikje terugglijden in de jaszak. Ze wilde Doushka geen verdriet doen. Thuis niet, maar hier al helemaal niet. Op haar tenen sloop ze terug naar de tafel en wachtte tot het tijd was.

Zo dus. Waarbij nog opgemerkt dat ‘de dag van haar verjaardag’ niet fraai is en dat het haar jaszak is. En dat Doushka haar geliefde kindermeisje is, dat een Slavisch accent heeft – en uit Hongarije komt. Sorry, maar er zijn erg weinig Hongaren met een Slavisch accent, aangezien Hongaars geen Slavische taal is. Ik vraag me ook af of er wel eens ambassadeurs naar Ceylon zijn gestuurd in de tijd waarin het verhaal speelt, aangenomen dat het de 19e eeuw is, wat uit diverse details blijkt. (Zo reizen ze op een stoomschip, maar de piraten bedienen zich van een zeilschip.)
Er gingen toen wel zaakgelastigden naar Ceylon, overigens.

Nog een voorbeeld van een merkwaardige stijlbreuk.

Achter de receptiebalie stond een jongedame met een glimlach van oor tot oor.
‘Welkom op de Victoria’, zei ze zonder haar grijns te onderbreken. ‘Uw naam?’

Een glimlach die ineens een grijns wordt?

Zo is er desgevraagd wel meer te melden…