Tja, ik hád het boek aangevraagd, dus ik moest er iets mee. Lang lag het op mijn werktafel, de laatste tijd bedolven onder andere boeken.
Het leek me een soort doorsnee meidenboek, de auteur zei me niets, de flaptekst sprak me niet bijzonder aan, ik had er geen zin in en wist niet meer waarom ik het had aangevraagd.
Uiteindelijk ben ik toch gaan lezen.
Gelukkig bleek dat de moeite waard. Ja, het ís een meidenboek, maar stijgt boven de middelmaat uit.
De dag van Eden van Liz Flanagan is ook nog eens een debuut en achterin bevindt zich een uitbundig dankwoord. Het origineel, Eden Summer, verscheen in 2016 en is inmiddels gevolgd door Dragon Daughter, bedoeld voor een iets jongere lezersgroep, 9+.
Er is op internet nog heel weinig informatie over de auteur te vinden (die vorige link gaat alleen over haar twee boeken), maar ze heeft wel een Facebook-pagina. Ontroerend, de vreugde over erkenning als schrijver spat ervan af.
Het verhaal speelt zich af in één dag en wordt verteld door Jess. Dat komt vaak voor in dit genre, een jonge verteller die een hoofdrol speelt, en soms ontaardt dat in een dagboek-achtig relaas met uitweidingen die zouden ontbreken bij een verteller met iets meer afstand.
In dit geval ontkomen we eveneens aan typisch meidenboek-achtige uitweidingen, maar omdat het een achteraf verteld verhaal is, met een ordelijke structuur, zijn die overkomelijk en jawel, de verteller ís nu eenmaal een tienermeisje, dus dat vaak kleding en andere uiterlijkheden worden beschreven is redelijk geloofwaardig. Daar letten die meiden nu eenmaal op, uiterlijk is belangrijk, net als je positie in de groep. En gebeurtenissen waarbij je als oude volwassene hooguit een wenkbrauw zou optrekken, krijgen bij haar een enorme impact. Ook dat hoort bij de leeftijd. Opmerkelijk dat ze over die ene echt ingrijpende gebeurtenis in haar leven (vóór Eden) heel terughoudend is. We moeten als lezers veel toespelingen onthouden en lang wachten voor het verhaal er eindelijk een keer uitkomt.
Grappig: Jess heeft talent voor tekenen. Ze oefent met striptekenen. Maar haar relaas is er een in woorden. Zoals gewoonlijk wordt van de lezer een soort uitstel van ongeloof verwacht. We worden daarbij geholpen doordat blijkt dat Jess ook talent voor verhalen vertellen heeft. Toch jammer dat het verhaal niet ook in woord en beeld wordt verteld, dat zou in lijn zijn geweest met haar aanleg. Het talent dat Liz Flanagan haar verteller toebedeelt, heeft ze zelf kennelijk niet.
Eden, Jess' beste vriendin, is de avond tevoren niet thuis gekomen. Ze wordt officieel vermist en de politie is ingeschakeld. Ze wordt door school naar huis gestuurd omdat de politie haar daar wil spreken. Als dat is gebeurd, wil Jess haar vriendin gaan zoeken, en ze laat zich niet tegenhouden door haar moeder, die haar thuis wil houden. Ze struint een hele dag door het woeste landschap van West Yorkshire.
Ze vindt haar ook, 's avonds. Levend.
Voordat het zo ver is, weten we als lezer inmiddels veel over zowel Eden als Jess. Want de meeste hoofdstukken mogen dan wel voorzien zijn van een tijdstip, er zitten ook de nodige terugblikken tussen die ons langzaam duidelijkheid geven over in het begin wat raadselachtige toespelingen. We hebben een kennisachterstand in vergelijking tot Jess.
Maar zij zelf komt ook het nodige te weten over haar vriendin. We lopen gaandeweg gelijk op en aan het eind begrijpen we, net als Jess, wat Eden dreef. En we begrijpen waarom Jess' moeder zo bang is dat haar dochter iets overkomt.
En dat is allemaal mooi gedoseerd, de spanning wordt goed opgebouwd, en tegelijk krijgen de voornaamste personages wat diepte.
Drama volop - maar ik ga dat niet verder uit de doeken doen om de leeslol niet te bederven. Het is op zijn plaats en maakt De dag van Eden een lekker heftig verhaal.
Flanagan, Liz. De dag van Eden. Gottmer, 2019. ISBN 978 90 257 7027 3. Oorspr: Eden Summer, 2016.
Dit blog meandert uit over zaken die (soms wat losjes) met lezen en schrijven te maken hebben. Rode draad: jeugdliteratuur verdient aandacht.
Zoeken in deze blog
woensdag 6 maart 2019
vrijdag 22 februari 2019
Reizen in ruimte en tijd
Voorgaande boeken van het duo Jan Paul Schutten en Floor Rieder bevielen me goed: zie Het raadsel van alles dat leeft en Het wonder van jou en je biljoenen bewoners.
In Het mysterie van niks en oneindig veel snot halen ze echter een trucje uit dat me verwarrend voorkomt. Ze sturen me met een tijdruimtescheepje terug naar het ontstaan van het heelal.
Maar uit wat volgt blijkt dat dit helemaal niet kan.
Ze laten ons getuige zijn van iets waarvan we per definitie geen getuige kunnen zijn, omdat tijd en ruimte op de schaal van het heelal anders werken dan hier op aarde. Sterker, het is allemaal in principe nog theorie: veel fysica en wiskunde.
Dat scheepje vind ik een iets te makkelijk ingezet vertelmiddeltje. Terug naar de Middeleeuwen of de Romeinse tijd, dat gaat nog, maar zo ver de tijdruimte in, dat gaat niet en dat weet ik o.a. omdat ze dat zelf haarfijn uitleggen. Ze hebben een contradictie geschapen.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de sprong die ze halverwege maken naar de bouw van het atoom. Het is lastig, te lastig, om dat beeldend uit te leggen. Het is letterlijk onvoorstelbaar.
Dat onvoorstelbare beschrijft de auteur zelf fraai op p. 65:
Hoe verder we telkens in dit boek teruggingen in de tijd, hoe kleiner ons heelal werd. Dus dat heelal dat nu zo groot is dat je je het niet kunt voorstellen was in het begin zo klein dat je je het niet kunt voorstellen.
De deeltjes in dat heelal zaten ook nog eens zo dicht op elkaar dat je je het niet kunt voorstellen. Daardoor werd het er zo heet dat je je het niet kunt voorstellen.
En het is uit elkaar geknald met een snelheid die je je het niet kunt voorstellen. Maar hoe die knal heet weetje ongetwijfeld. Het is de oerknal. De knal waar alles mee is begonnen.
Een beschrijving van het avontuur van de berekening, de beredenering en de ontdekking van dit alles was wellicht beter geweest. Nu zitten we niet alleen met deze moeizame voorstelling van het onvoorstelbare, maar ook nog met de erkenning dat we heel veel niet weten... en dat lijkt dan enigszins te botsen met die wankele voorstelling, hoe mooi ook beschreven en door Floor Rieder in beeld gebracht.
Zie hieronder een detail (linkerpagina) van Floors weergave van de oerknal:

Dat vermeld zijnde, blijft Het mysterie van niks en oneindig veel snot ondanks de wat vieze titel een zeer lezenswaardig boek voor wie meer wil weten over wat we weten (vooral: niet weten) over het heelal. Het is niet makkelijk, maar de moeite waard..
De tip op p. 15 is behartigenswaardig:
Sommige informatie als behoorlijk pittig. Zelfs de grootste wetenschappers op aarde hebben we moeite mee gehad om het allemaal te begrijpen. Daar ga jij natuurlijk geen last van krijgen, dat snap ik heus wel.
Maar veel kinderen lezen dit boek samen met hun ouders. En die zijn natuurlijk iets minder snel van begrip dan jij. Voor hen heb ik een tip. Lees sommige dingen gerust nog een of twee keer door. Als je een stuk wat vaker leest ga je het vanzelf sneller begrijpen. Dat is geen enkel probleem. De grootste genieën snappen zelf ook niet alles.
Die laatste zin is natuurlijk in tegensprak met de op-twee-na-laatste, maar het is zeker waar dat enige aandacht wel gewenst is voor dit boek.
Want als ergens geldt dat iedere ontdekking nieuwe vragen oproept, dan is het wel in de astronomie en de fysica en dan met name het onderzoek naar de kleinste deeltjes en de oorsprong van het heelal - want dat heeft met elkaar te maken, en dat wordt ook uitgelegd.
Het is dan ook te prijzen dat de auteur niet alleen de ruimte in gaat, maar ook aandacht voor wat bekend is over de bouw van atomen en moleculen. Daarvoor geldt eveneens dat veel nog theorie is en dat we ons die leegte binnen een atoom onmogelijk kunnen voorstellen. Die theorie bleek echter wel toe te passen in dingen die werken: niet alleen de atoomklok maar ook de atoombom.
Ook de bestudering van het heelal heeft zaken opgeleverd die werken. Een voorbeeld daarvan geeft de auteur op p. 51:
Op 12 november 2014 slaagden de medewerkers van de ruimtevaartorganisatie ESA erin om een apparaatje te laten landen op een komeet. Het apparaatje, de Philae, moest daarvoor een afstand afleggen van 6,4 miljard kilometer. De reis duurde dan ook tien jaar. Na die tien jaar kwam het precies aan waar het moest zijn: bij 67p, een komeet die vier kilometer breed is en met een snelheid van 55.000 kilometer per uur door de ruimte schiet.
Nou, als je een ruimtevaartuig veilig kunt laten landen op een vier kilometer grote komeet die met 550.000 kilometer per uur op miljarden kilometers van ons vandaan reist, dan heb je volgens mij genoeg kennis en expertise in huis om héél betrouwbaar te zijn.
Fijn dat de auteur zo vertrouwt op de wetenschap, en ook fijn dat hij ruimte schept om uit te leggen dat diezelfde onderzoekers regelmatig melden dat ze vooral heel veel nog niet weten, bijvoorbeeld wat donkere materie is.
Dat onvoorstelbare wordt nog onvoorstelbaarder in het mooie hoofdstuk over niets, getooid met de kop '0 is meer dan je denkt'.
Ik ben benieuwd wat de gemiddelde jonge lezer vindt van de bijna poëtische paragraaf waarmee dat hoofdstuk eindigt:
Donkere energie is niets
En er is nog meer met dat niets. Want dat niets zorgt dus voor energie zoals we weten. Het duwt in dat experiment met die vacuümenergie zelfs platen opzij. Zou je met een heleboel niets dan ook sterrenstelsels opzij kunnen duwen? In de ruimte is enorm veel niets, dus ook enorm veel vacuümenergie. En als die energie de sterrenstelsels uit elkaar doet bewegen, dan groeit het heelal. Als het heelal groeit komt er meer niets, dus meer vacuümenergie. En zo kan het dat het heelal alsmaar sneller groeit. Komt je dit ook bekend voor? Het doet heel erg denken aan het verhaal over de donkere energie. Misschien is die donkere energie dan wel niets! Het zou allemaal zomaar kunnen. Zo zie je maar: als er iets bijzonder is, dan is het wel niets.
Dat staat in deel 4, met de mooie titel 'Geniale gekken, absurde experimenten en bizarre ontdekkingen', waarin wordt uitgelegd met welke experimenten onderzoekers hun kennis of veronderstellingen hebben verzameld, inclusief de deeltjesversneller.
Deel 1 is 'Reizen in de tijd', deel 2 'Een rondje heelal', deel 3 'Albert Einstein en zijn geniale ideeën'.
Bijzonder is het laatste deel, 'Wie heeft ons heelal gemaakt?', voor wie het duizelt na alle dimensies, niets dat toch iets is, deeltjes die ook trillingen of velden kunnen zijn en meer.
Want
wetenschappers zijn niet de enigen die nagedacht hebben over de vraag waar ons heelal vandaan komt. Waarschijnlijk zijn de mensen al tienduizenden jaren bezig met dat mysterie. Miljarden van die mensen hebben gedacht dat onze aarde met alles eromheen door een of meer goden gemaakt moet zijn. Hebben die er allemaal naast gezeten? O niet?
Bovendien zijn er al die tijd ook filosofen en andere grote denkers geweest die zich met deze kwestie hebben bemoeid. Wat hebben zij in al die tijd bedacht? Welke oplossing hebben zij gevonden?
Een fraaie reeks hoofdstukjes over goden en godsbewijzen, de hang van mensen naar samenhang en oorzaken, prikkelende uitspraken als...
Het gaat er dus ook niet om wat de meeste mensen denken, het gaat erom wat de mensen met de meeste kennis en verstand denken
... het toeval, kansberekeningen, meerdere universums, oneindigheid en meer. En een einde met een mooie paragraaf:
Denken begint bij twijfel. Dus ergens moeten we misschien zelfs wel hopen dat we het mysterie nooit oplossen. Zolang we twijfelen blijven we nadenken en onderzoeken. En dat levert weer talloze nieuwe inzichten en uitvindingen op die ons leven mooier, spannender en prettiger maken.
Waarvan akte.
Schutten, Jan Paul. Het mysterie van niks en oneindig veel snot. Geïllustreerd door Floor Rieder. Gottmer, 2018. ISBN 978 90 257 6840 9.
In Het mysterie van niks en oneindig veel snot halen ze echter een trucje uit dat me verwarrend voorkomt. Ze sturen me met een tijdruimtescheepje terug naar het ontstaan van het heelal.
Maar uit wat volgt blijkt dat dit helemaal niet kan.
Ze laten ons getuige zijn van iets waarvan we per definitie geen getuige kunnen zijn, omdat tijd en ruimte op de schaal van het heelal anders werken dan hier op aarde. Sterker, het is allemaal in principe nog theorie: veel fysica en wiskunde.
Dat scheepje vind ik een iets te makkelijk ingezet vertelmiddeltje. Terug naar de Middeleeuwen of de Romeinse tijd, dat gaat nog, maar zo ver de tijdruimte in, dat gaat niet en dat weet ik o.a. omdat ze dat zelf haarfijn uitleggen. Ze hebben een contradictie geschapen.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de sprong die ze halverwege maken naar de bouw van het atoom. Het is lastig, te lastig, om dat beeldend uit te leggen. Het is letterlijk onvoorstelbaar.
Dat onvoorstelbare beschrijft de auteur zelf fraai op p. 65:
Hoe verder we telkens in dit boek teruggingen in de tijd, hoe kleiner ons heelal werd. Dus dat heelal dat nu zo groot is dat je je het niet kunt voorstellen was in het begin zo klein dat je je het niet kunt voorstellen.
De deeltjes in dat heelal zaten ook nog eens zo dicht op elkaar dat je je het niet kunt voorstellen. Daardoor werd het er zo heet dat je je het niet kunt voorstellen.
En het is uit elkaar geknald met een snelheid die je je het niet kunt voorstellen. Maar hoe die knal heet weetje ongetwijfeld. Het is de oerknal. De knal waar alles mee is begonnen.
Een beschrijving van het avontuur van de berekening, de beredenering en de ontdekking van dit alles was wellicht beter geweest. Nu zitten we niet alleen met deze moeizame voorstelling van het onvoorstelbare, maar ook nog met de erkenning dat we heel veel niet weten... en dat lijkt dan enigszins te botsen met die wankele voorstelling, hoe mooi ook beschreven en door Floor Rieder in beeld gebracht.
Zie hieronder een detail (linkerpagina) van Floors weergave van de oerknal:

Dat vermeld zijnde, blijft Het mysterie van niks en oneindig veel snot ondanks de wat vieze titel een zeer lezenswaardig boek voor wie meer wil weten over wat we weten (vooral: niet weten) over het heelal. Het is niet makkelijk, maar de moeite waard..
De tip op p. 15 is behartigenswaardig:
Sommige informatie als behoorlijk pittig. Zelfs de grootste wetenschappers op aarde hebben we moeite mee gehad om het allemaal te begrijpen. Daar ga jij natuurlijk geen last van krijgen, dat snap ik heus wel.
Maar veel kinderen lezen dit boek samen met hun ouders. En die zijn natuurlijk iets minder snel van begrip dan jij. Voor hen heb ik een tip. Lees sommige dingen gerust nog een of twee keer door. Als je een stuk wat vaker leest ga je het vanzelf sneller begrijpen. Dat is geen enkel probleem. De grootste genieën snappen zelf ook niet alles.
Die laatste zin is natuurlijk in tegensprak met de op-twee-na-laatste, maar het is zeker waar dat enige aandacht wel gewenst is voor dit boek.
Want als ergens geldt dat iedere ontdekking nieuwe vragen oproept, dan is het wel in de astronomie en de fysica en dan met name het onderzoek naar de kleinste deeltjes en de oorsprong van het heelal - want dat heeft met elkaar te maken, en dat wordt ook uitgelegd.
Het is dan ook te prijzen dat de auteur niet alleen de ruimte in gaat, maar ook aandacht voor wat bekend is over de bouw van atomen en moleculen. Daarvoor geldt eveneens dat veel nog theorie is en dat we ons die leegte binnen een atoom onmogelijk kunnen voorstellen. Die theorie bleek echter wel toe te passen in dingen die werken: niet alleen de atoomklok maar ook de atoombom.
Ook de bestudering van het heelal heeft zaken opgeleverd die werken. Een voorbeeld daarvan geeft de auteur op p. 51:
Op 12 november 2014 slaagden de medewerkers van de ruimtevaartorganisatie ESA erin om een apparaatje te laten landen op een komeet. Het apparaatje, de Philae, moest daarvoor een afstand afleggen van 6,4 miljard kilometer. De reis duurde dan ook tien jaar. Na die tien jaar kwam het precies aan waar het moest zijn: bij 67p, een komeet die vier kilometer breed is en met een snelheid van 55.000 kilometer per uur door de ruimte schiet.
Nou, als je een ruimtevaartuig veilig kunt laten landen op een vier kilometer grote komeet die met 550.000 kilometer per uur op miljarden kilometers van ons vandaan reist, dan heb je volgens mij genoeg kennis en expertise in huis om héél betrouwbaar te zijn.
Fijn dat de auteur zo vertrouwt op de wetenschap, en ook fijn dat hij ruimte schept om uit te leggen dat diezelfde onderzoekers regelmatig melden dat ze vooral heel veel nog niet weten, bijvoorbeeld wat donkere materie is.
Dat onvoorstelbare wordt nog onvoorstelbaarder in het mooie hoofdstuk over niets, getooid met de kop '0 is meer dan je denkt'.
Ik ben benieuwd wat de gemiddelde jonge lezer vindt van de bijna poëtische paragraaf waarmee dat hoofdstuk eindigt:
Donkere energie is niets
En er is nog meer met dat niets. Want dat niets zorgt dus voor energie zoals we weten. Het duwt in dat experiment met die vacuümenergie zelfs platen opzij. Zou je met een heleboel niets dan ook sterrenstelsels opzij kunnen duwen? In de ruimte is enorm veel niets, dus ook enorm veel vacuümenergie. En als die energie de sterrenstelsels uit elkaar doet bewegen, dan groeit het heelal. Als het heelal groeit komt er meer niets, dus meer vacuümenergie. En zo kan het dat het heelal alsmaar sneller groeit. Komt je dit ook bekend voor? Het doet heel erg denken aan het verhaal over de donkere energie. Misschien is die donkere energie dan wel niets! Het zou allemaal zomaar kunnen. Zo zie je maar: als er iets bijzonder is, dan is het wel niets.
Dat staat in deel 4, met de mooie titel 'Geniale gekken, absurde experimenten en bizarre ontdekkingen', waarin wordt uitgelegd met welke experimenten onderzoekers hun kennis of veronderstellingen hebben verzameld, inclusief de deeltjesversneller.
Deel 1 is 'Reizen in de tijd', deel 2 'Een rondje heelal', deel 3 'Albert Einstein en zijn geniale ideeën'.
Bijzonder is het laatste deel, 'Wie heeft ons heelal gemaakt?', voor wie het duizelt na alle dimensies, niets dat toch iets is, deeltjes die ook trillingen of velden kunnen zijn en meer.
Want
wetenschappers zijn niet de enigen die nagedacht hebben over de vraag waar ons heelal vandaan komt. Waarschijnlijk zijn de mensen al tienduizenden jaren bezig met dat mysterie. Miljarden van die mensen hebben gedacht dat onze aarde met alles eromheen door een of meer goden gemaakt moet zijn. Hebben die er allemaal naast gezeten? O niet?
Bovendien zijn er al die tijd ook filosofen en andere grote denkers geweest die zich met deze kwestie hebben bemoeid. Wat hebben zij in al die tijd bedacht? Welke oplossing hebben zij gevonden?
Een fraaie reeks hoofdstukjes over goden en godsbewijzen, de hang van mensen naar samenhang en oorzaken, prikkelende uitspraken als...
Het gaat er dus ook niet om wat de meeste mensen denken, het gaat erom wat de mensen met de meeste kennis en verstand denken
... het toeval, kansberekeningen, meerdere universums, oneindigheid en meer. En een einde met een mooie paragraaf:
Denken begint bij twijfel. Dus ergens moeten we misschien zelfs wel hopen dat we het mysterie nooit oplossen. Zolang we twijfelen blijven we nadenken en onderzoeken. En dat levert weer talloze nieuwe inzichten en uitvindingen op die ons leven mooier, spannender en prettiger maken.
Waarvan akte.
Schutten, Jan Paul. Het mysterie van niks en oneindig veel snot. Geïllustreerd door Floor Rieder. Gottmer, 2018. ISBN 978 90 257 6840 9.
vrijdag 8 februari 2019
Wat vinden de leerlingen er zelf van?
Dat er steeds minder wordt gelezen door jongeren, is oud nieuws, maar werd onlangs nog eens bevestigd door een in 2018 verschenen rapport van het (Nederlands) Sociaal en Cultureel Planbureau, Lees: Tijd, Lezen in Nederland, door Annemarie Wennekers Frank Huysmans Jos de Haan. Het is een verslag over de jaren 2006-2016.
Loes Aartsma en Jacqueline Evers-Vermeul kwamen op het idee om aan leerlingen vmbo te vragen hoe dat komt en wat volgens hen zou kunnen helpen om hen aan het lezen te brengen c.q. te houden.
Hun verslag is te lezen in Levende Talen Tijdschrift 2018-4. Het artikel begint met een vracht vakliteratuur (uitsluitend Nederlands- en Engelstalig), dan volgt een beschrijving van de methode, dan resultaten en conclusies, kortom, het keurige formaat van een academisch artikel. Belangrijkste conclusie is dat 'een laagdrempelig aanbod van geschikt leesmateriaal van invloed kan zijn op zowel de leesmotivatie als de leesvaardigheid van jongeren'.
Ook oud nieuws, eigenlijk, maar het kan geen kwaad dat het nog weer eens bevestigd wordt.
Scholen, richt een aantrekkelijke en toegankelijke bibliotheek in!
Maar verder ligt het vooral bij de docenten. Als die de lol en het nut niet zien van leesbevordering, lukt het niet. Oók al oud nieuws...
En lokale samenwerking kan ook helpen. Natuurlijk...
Interessant aan dit onderzoekje is dus vooral dat leerlingen dit oud nieuws ook nog eens bevestigen.
Loes Aartsma en Jacqueline Evers-Vermeul kwamen op het idee om aan leerlingen vmbo te vragen hoe dat komt en wat volgens hen zou kunnen helpen om hen aan het lezen te brengen c.q. te houden.
Hun verslag is te lezen in Levende Talen Tijdschrift 2018-4. Het artikel begint met een vracht vakliteratuur (uitsluitend Nederlands- en Engelstalig), dan volgt een beschrijving van de methode, dan resultaten en conclusies, kortom, het keurige formaat van een academisch artikel. Belangrijkste conclusie is dat 'een laagdrempelig aanbod van geschikt leesmateriaal van invloed kan zijn op zowel de leesmotivatie als de leesvaardigheid van jongeren'.
Ook oud nieuws, eigenlijk, maar het kan geen kwaad dat het nog weer eens bevestigd wordt.
Scholen, richt een aantrekkelijke en toegankelijke bibliotheek in!
Maar verder ligt het vooral bij de docenten. Als die de lol en het nut niet zien van leesbevordering, lukt het niet. Oók al oud nieuws...
En lokale samenwerking kan ook helpen. Natuurlijk...
Interessant aan dit onderzoekje is dus vooral dat leerlingen dit oud nieuws ook nog eens bevestigen.
maandag 4 februari 2019
Het is grijs en het valt uit de hemel
Dat moet die koude motregen zijn die toevallig vandaag uit de lucht komt. Dacht ik.
Maar het is méér. Gerrit Kouwenaar gaat ver over de dagelijkse werkelijkheid heen in zijn gedicht.
Het staat in NRC 4-2-2019 en op de website van de Koninklijke Bibliotheek, dus mag ik het hier ook wel citeren:
het is grijs en het valt uit de hemel
men raadt dit terwijl het schemert
over het steenveld waar niets zich bezit
in de late hitte tussen onheil en vrede
terwijl men klimt naar gretiger leegte
kruist een oneindige slang van twee meter
het inzicht, volledig, zonder betekenis
in de regel huiswaarts begint het te misten
men staat stil op de rand van een stilte, bestaat
wat begint te ontbinden, men moet zich
bevatten, ontmonden, tot op de seconde -
(Uit: Gerrit Kouwenaar, Helder maar grijzer: gedichten 1978-1996. Amsterdam: Querido, 1998, p. 142.)
Het is het eerste gedicht dat Ellen Deckwitz koos voor een reeks ter gelegenheid van de Poëzieweek 2019, en ze schrijft er een fijn commentaar bij. Zo fijn dat ik het hier ook maar citeer:
Als poëzie-evangelist kom ik regelmatig lezers tegen die vinden dat gedichten nodeloos vaag zijn. „Waarom,” zeggen ze dan, „wil je je publiek frustreren met onduidelijkheid? Dat is toch gewoon sadisme?”
Als tiener vond ik dat poëzie de werkelijkheid in kaart moest brengen. Pas later kwam het besef dat we met onze vijf zintuigen slechts een heel klein deeltje van onze leefwereld waarnemen, een dimensie die bovendien dagelijks van vorm en kleur verschiet. Sommige verzen proberen aandacht te besteden aan de facetten die niet makkelijk te bevatten zijn, die schuren. Juist daarom lijken sommige gedichten op het eerste oog nodeloos vaag. Omdat de dichter een poging heeft gedaan die onkenbare massa die ons omringt, aan het woord te laten.
Zoals bij dit vers van Kouwenaar, waarin het weliswaar onduidelijk is wat nou precies het grijze is dat uit de hemel valt, maar je het wél aanvoelt. Het wordt een mysterie dat aan de rand van je blikveld leeft en je zekerheden alleen al door haar aanwezigheid op losse schroeven zet. Dat is voor mij de grote meerwaarde van zogenaamd geheimzinnige verzen. Het suggereert dat er nog veel meer te zien, te voelen en te ontdekken valt. En hey, als ik iets duidelijks wil lezen, neem ik wel de handleiding van een neushaartrimmer tot me.
Dat laatste lijkt me een compliment aan de onbekende auteur van die handleiding, want er zijn echt veel onbegrijpelijke handleidingen in omloop. Maar inderdaad, er valt nog veel meer te zien, te voelen en te ontdekken.
Vergelijk dat eens met dit gedicht:
Uit grijze hemel valt de regen,
De vogels dempen nu hun lied,
Maar nimmer weifelt, draalt de zegen,
Die rust op heel dit schoon gebied.
De grond is arm, als menig hart,
En zo gebaat bij malse regen,
En ginder, achter wolken, mart
De goede zon met al haar zegen.
O somber, toch zinrijk verleden,
Dat immer ver en verder wijkt,
Gezegend is het zonnig heden,
Waarover nooit een schaduw strijkt.
Niks stilstaan op de rand van stilte, een ode aan het zonnig heden waarover nooit een schaduw strijkt, hier spreekt een simpele ziel, blij van zinnen ondanks de grijze regen. Het gedicht is van Reinier van Genderen Stort en verscheen oorspronkelijk in De Gids, jaargang 1936. Wat hij precies voor zich zag bij een marrende goede zon wist ik ook niet, maar marren betekent volgens het woordenboek 'talmen, treuzelen, dralen, aarzelen' en dat is verhelderend. Welk zonnig heden hij in 1936 (!) voor zich zag, blijft eveneens een raadsel, maar ach, hoog, Sammie, kijk omhoog Sammie...
Dit gedicht heeft bijna de duidelijkheid van Ellens neushaartrimmer, toch geef ik de voorkeur aan de onbestemdheid van Gerrit Kouwenaar en zijn steenveld waar niets zich bezit.
Maar het is méér. Gerrit Kouwenaar gaat ver over de dagelijkse werkelijkheid heen in zijn gedicht.
Het staat in NRC 4-2-2019 en op de website van de Koninklijke Bibliotheek, dus mag ik het hier ook wel citeren:
het is grijs en het valt uit de hemel
men raadt dit terwijl het schemert
over het steenveld waar niets zich bezit
in de late hitte tussen onheil en vrede
terwijl men klimt naar gretiger leegte
kruist een oneindige slang van twee meter
het inzicht, volledig, zonder betekenis
in de regel huiswaarts begint het te misten
men staat stil op de rand van een stilte, bestaat
wat begint te ontbinden, men moet zich
bevatten, ontmonden, tot op de seconde -
(Uit: Gerrit Kouwenaar, Helder maar grijzer: gedichten 1978-1996. Amsterdam: Querido, 1998, p. 142.)
Het is het eerste gedicht dat Ellen Deckwitz koos voor een reeks ter gelegenheid van de Poëzieweek 2019, en ze schrijft er een fijn commentaar bij. Zo fijn dat ik het hier ook maar citeer:
Als poëzie-evangelist kom ik regelmatig lezers tegen die vinden dat gedichten nodeloos vaag zijn. „Waarom,” zeggen ze dan, „wil je je publiek frustreren met onduidelijkheid? Dat is toch gewoon sadisme?”
Als tiener vond ik dat poëzie de werkelijkheid in kaart moest brengen. Pas later kwam het besef dat we met onze vijf zintuigen slechts een heel klein deeltje van onze leefwereld waarnemen, een dimensie die bovendien dagelijks van vorm en kleur verschiet. Sommige verzen proberen aandacht te besteden aan de facetten die niet makkelijk te bevatten zijn, die schuren. Juist daarom lijken sommige gedichten op het eerste oog nodeloos vaag. Omdat de dichter een poging heeft gedaan die onkenbare massa die ons omringt, aan het woord te laten.
Zoals bij dit vers van Kouwenaar, waarin het weliswaar onduidelijk is wat nou precies het grijze is dat uit de hemel valt, maar je het wél aanvoelt. Het wordt een mysterie dat aan de rand van je blikveld leeft en je zekerheden alleen al door haar aanwezigheid op losse schroeven zet. Dat is voor mij de grote meerwaarde van zogenaamd geheimzinnige verzen. Het suggereert dat er nog veel meer te zien, te voelen en te ontdekken valt. En hey, als ik iets duidelijks wil lezen, neem ik wel de handleiding van een neushaartrimmer tot me.
Dat laatste lijkt me een compliment aan de onbekende auteur van die handleiding, want er zijn echt veel onbegrijpelijke handleidingen in omloop. Maar inderdaad, er valt nog veel meer te zien, te voelen en te ontdekken.
Vergelijk dat eens met dit gedicht:
Uit grijze hemel valt de regen,
De vogels dempen nu hun lied,
Maar nimmer weifelt, draalt de zegen,
Die rust op heel dit schoon gebied.
De grond is arm, als menig hart,
En zo gebaat bij malse regen,
En ginder, achter wolken, mart
De goede zon met al haar zegen.
O somber, toch zinrijk verleden,
Dat immer ver en verder wijkt,
Gezegend is het zonnig heden,
Waarover nooit een schaduw strijkt.
Niks stilstaan op de rand van stilte, een ode aan het zonnig heden waarover nooit een schaduw strijkt, hier spreekt een simpele ziel, blij van zinnen ondanks de grijze regen. Het gedicht is van Reinier van Genderen Stort en verscheen oorspronkelijk in De Gids, jaargang 1936. Wat hij precies voor zich zag bij een marrende goede zon wist ik ook niet, maar marren betekent volgens het woordenboek 'talmen, treuzelen, dralen, aarzelen' en dat is verhelderend. Welk zonnig heden hij in 1936 (!) voor zich zag, blijft eveneens een raadsel, maar ach, hoog, Sammie, kijk omhoog Sammie...
Dit gedicht heeft bijna de duidelijkheid van Ellens neushaartrimmer, toch geef ik de voorkeur aan de onbestemdheid van Gerrit Kouwenaar en zijn steenveld waar niets zich bezit.
woensdag 23 januari 2019
LZL 107: Joke van Leeuwen
De laatste aflevering van Literatuur zonder leeftijd (nummer 107, winter 2018) is gewijd aan Joke van Leeuwen.
Met laatste bedoel ik nu echt laatste, niet alleen meest recente. Want dit is echt de laatste aflevering van LZL.
De redactie heeft hiermee een waardig slotstuk gemaakt. Joke van Leeuwen is een van de meest veelzijdige en beste auteurs voor kinderen, auteur, illustrator en theatervrouw. Jammer dat LZL ophoudt, heel goed dat de redactie juist haar werk als thema heeft gekozen.
De pocket van 210 p. bevat 12 artikelen over haar werk en vijf bijdragen van Joke van Leeuwen, drie gedichten, een andersoortige tekst en een reeks prenten, deels in kleur. De artikelen over haar werk zijn van Eline Rottier (een interview), Annette de Bruijn (poëzie), Sander Bax (poëzie voor volwassenen, Bart Moeyaert (herinneringen aan samen optreden, mooi om daar te beginnen met lezen), Vanessa Joosen (Maar ik ben Frederik), Lieke van Duin (over grenzen heen), Bill Nagelkerke (translations), Jaap Goedegebuure (romans voor volwassenen), Truusje Vrooland-Löb (tekst en beeld), Joke Linders (reizen als vertelstructuur), Henk van Vliegen (interview met Nicole van Kilsdonk, regisseur film Toen mijn vader een struik werd) en Jen de Groeve (non-fictie).
Geen pocket om in één keer uit te lezen, hij belandt op mijn nachtkastje.
Maar wel een citaat, uit het interview dat Eline Rottier met haar hield:
Een begin
De toon was gevonden, maar een uitgever vinden bleek moeilijk. Met haar verhalen reisde Joke van Leeuwen stad en land af. Ging ze vanuit Brussel met de trein naar Bussum, bleek er niemand te zijn, stond ze tien minuten later weer buiten. 'Ik werd steeds onzekerder, op het laatste durfde ik niet eens meer naar de brievenbus. Dit had ik altijd gewild, zou het niet gaan lukken?
Om de druk van de ketel te halen, ging ik geschiedenis studeren en tijdens die studie kwam ik via via terecht bij Uitgeverij Omniboek en ging het ineens lopen. Voordat ze wat wilden met mijn verhaal moest ik een - in mijn ogen - zeer slecht verhaal illustreren.
Ik herinner me de eerste recensie nog levendig. Het verhaal werd helemaal afgekraakt, maar als laatste zinnetje stond er: "De onbekende illustrator deed het beter." Dit is een begin, dacht ik. Niet lang daarna lag De Appelmoesstraat is anders (1976) in de boekhandel.'
Literatuur zonder leeftijd 107 (winter 2018). ISBN 978 94 6167 382 4, 212 p.
Bestellen: € 19,95 incl. verzendkosten, redactie-lzl@planet.nl
Met laatste bedoel ik nu echt laatste, niet alleen meest recente. Want dit is echt de laatste aflevering van LZL.
De redactie heeft hiermee een waardig slotstuk gemaakt. Joke van Leeuwen is een van de meest veelzijdige en beste auteurs voor kinderen, auteur, illustrator en theatervrouw. Jammer dat LZL ophoudt, heel goed dat de redactie juist haar werk als thema heeft gekozen.
De pocket van 210 p. bevat 12 artikelen over haar werk en vijf bijdragen van Joke van Leeuwen, drie gedichten, een andersoortige tekst en een reeks prenten, deels in kleur. De artikelen over haar werk zijn van Eline Rottier (een interview), Annette de Bruijn (poëzie), Sander Bax (poëzie voor volwassenen, Bart Moeyaert (herinneringen aan samen optreden, mooi om daar te beginnen met lezen), Vanessa Joosen (Maar ik ben Frederik), Lieke van Duin (over grenzen heen), Bill Nagelkerke (translations), Jaap Goedegebuure (romans voor volwassenen), Truusje Vrooland-Löb (tekst en beeld), Joke Linders (reizen als vertelstructuur), Henk van Vliegen (interview met Nicole van Kilsdonk, regisseur film Toen mijn vader een struik werd) en Jen de Groeve (non-fictie).
Geen pocket om in één keer uit te lezen, hij belandt op mijn nachtkastje.
Maar wel een citaat, uit het interview dat Eline Rottier met haar hield:
Een begin
De toon was gevonden, maar een uitgever vinden bleek moeilijk. Met haar verhalen reisde Joke van Leeuwen stad en land af. Ging ze vanuit Brussel met de trein naar Bussum, bleek er niemand te zijn, stond ze tien minuten later weer buiten. 'Ik werd steeds onzekerder, op het laatste durfde ik niet eens meer naar de brievenbus. Dit had ik altijd gewild, zou het niet gaan lukken?
Om de druk van de ketel te halen, ging ik geschiedenis studeren en tijdens die studie kwam ik via via terecht bij Uitgeverij Omniboek en ging het ineens lopen. Voordat ze wat wilden met mijn verhaal moest ik een - in mijn ogen - zeer slecht verhaal illustreren.
Ik herinner me de eerste recensie nog levendig. Het verhaal werd helemaal afgekraakt, maar als laatste zinnetje stond er: "De onbekende illustrator deed het beter." Dit is een begin, dacht ik. Niet lang daarna lag De Appelmoesstraat is anders (1976) in de boekhandel.'
Literatuur zonder leeftijd 107 (winter 2018). ISBN 978 94 6167 382 4, 212 p.
Bestellen: € 19,95 incl. verzendkosten, redactie-lzl@planet.nl
maandag 21 januari 2019
Exit LZL
Dat was even schrikken. Er zat een brief bij Literatuur zonder leeftijd 107 (winter 2018), gedateerd 'december 2018'.
Een half jaar geleden hebben de redactie van Literatuur zonder leeftijd en het bestuur van IBBY-Nederland na lang wikken en wegen en met pijn in het hart gezamenlijk het besluit genomen om met ingang van 1 januari 2019 te stoppen met de uitgave van Literatuur zonder leeftijd.
De briefschrijvers (Helma van Lierop als voorzitter IBBY-Nederland en Toin Duijx als eindredacteur LZL) noemen twee redenen:
(1) te weinig geld en
(2) steeds minder auteurs bereid om voor niets bij te dragen.
Wat betreft (1) stegen de kosten en daalde het aantal abonnees.
En wat betreft (2), tja, dat komt, lijkt me, voort uit 1.
Als oud-uitgever en dito hoofdredacteur van Leesgoed en als (een periode) oud-uitgever van LZL kan ik me van de financiële perikelen wel een voorstelling maken. Het is eigenlijk een wonder dat Stichting IBBY-Nederland het nog zo lang heeft volgehouden. Daar zaten heel wat onbetaalde uurtjes in... Van 2013, toen Leesgoed en De Leeswelp van het toneel verdwenen) tot en met 2018 was LZL het enige serieuze vaktijdschrift over jeugdliteratuur - al heette het dan met opzet Literatuur zonder leeftijd.
Nu is er dus geen enkel Nederlandstalig vaktijdschrift meer over jeugdliteratuur. Er is wel een handvol websites en blogs (waaronder dit). Gemeenschappelijk kenmerk: liefdewerk oud papier, nergens hoef je voor de inhoud te betalen. Geldt voor meer blogs over literatuur en zo, maar een beetje schrijnend blijft het wel. Er verschijnen in het Nederlands taalgebied honderden nieuwe kinderboeken per jaar, zowel vertalingen als oorspronkelijk Nederlandstalig werk. Er is jeugdtheater, er zijn jeugdtijdschriften - maar eróver wordt niet méér geschreven dan de afzonderlijke commentaren en recensies op diverse blogs, en de (schaarse) recensies in dagbladen. Er zijn twee universiteiten waar jeugdliteratuur deel uitmaakt van het curriculum - waar raken aankomende onderzoekers hun artikelen kwijt? Waar plaatsen de al gediplomeerde onderzoekers hun artikelen? Of vertalen die hun artikelen over Nederlandstalige jeugdliteratuur al bij voorbaat in het Engels, om kans te maken op een plekje in een Engelstalig vaktijdschrift?
Het moet de redactie van LZL zijn zwaar gevallen en al helemaal de eindredacteur Toin Duijx. In aflevering 107 zelf is niets te merken, het colofon is nog als vanouds, je zou je nog kunnen abonneren...
Het zal ook het bestuur zijn zwaar gevallen, nou ja, e.e.a. wordt ook vermeld 'met pijn in het hart'. Niet in de laatste plaats omdat LZL toch ook het smoel van IBBY-Nederland was. Het zal nu veel moeilijker worden om de activiteiten onder de aandacht te brengen. Een kwartaalbericht is niet veel...
Afijn, het is wel een mooie laatste aflevering geworden, rond Joke van Leeuwen. Daarover meer in een aparte bijdrage.
Toin
Het is overigens moeilijk om het stoppen van LZL los te zien van dat andere briefje dat in deze aflevering zat: Afscheid Toin Duijx. Het flyertje bevat twee toespraken die zijn gehouden tijdens de afscheidsceremonie op 9 november 2018, van Joke Linders en Helma van Lierop-Debrauwer.
Toin, ...

Zonder Toin Duijx als immer vlijtige en attente secretaris en eindredacteur is IBBY-Nederland als het ware een rechterhand kwijt en zou de productie van LZL een zware dobber zijn geweest. Onmisbaar is een groot woord, maar Toin kwam er dichtbij. De tekening van Alex de Wolf die het flyertje siert is treffend.
Als gewoon abonnee c.q. begunstiger ga ik me afvragen: wat gaat Toin eigenlijk doen?...
Een half jaar geleden hebben de redactie van Literatuur zonder leeftijd en het bestuur van IBBY-Nederland na lang wikken en wegen en met pijn in het hart gezamenlijk het besluit genomen om met ingang van 1 januari 2019 te stoppen met de uitgave van Literatuur zonder leeftijd.
De briefschrijvers (Helma van Lierop als voorzitter IBBY-Nederland en Toin Duijx als eindredacteur LZL) noemen twee redenen:
(1) te weinig geld en
(2) steeds minder auteurs bereid om voor niets bij te dragen.
Wat betreft (1) stegen de kosten en daalde het aantal abonnees.
En wat betreft (2), tja, dat komt, lijkt me, voort uit 1.
Als oud-uitgever en dito hoofdredacteur van Leesgoed en als (een periode) oud-uitgever van LZL kan ik me van de financiële perikelen wel een voorstelling maken. Het is eigenlijk een wonder dat Stichting IBBY-Nederland het nog zo lang heeft volgehouden. Daar zaten heel wat onbetaalde uurtjes in... Van 2013, toen Leesgoed en De Leeswelp van het toneel verdwenen) tot en met 2018 was LZL het enige serieuze vaktijdschrift over jeugdliteratuur - al heette het dan met opzet Literatuur zonder leeftijd.
Nu is er dus geen enkel Nederlandstalig vaktijdschrift meer over jeugdliteratuur. Er is wel een handvol websites en blogs (waaronder dit). Gemeenschappelijk kenmerk: liefdewerk oud papier, nergens hoef je voor de inhoud te betalen. Geldt voor meer blogs over literatuur en zo, maar een beetje schrijnend blijft het wel. Er verschijnen in het Nederlands taalgebied honderden nieuwe kinderboeken per jaar, zowel vertalingen als oorspronkelijk Nederlandstalig werk. Er is jeugdtheater, er zijn jeugdtijdschriften - maar eróver wordt niet méér geschreven dan de afzonderlijke commentaren en recensies op diverse blogs, en de (schaarse) recensies in dagbladen. Er zijn twee universiteiten waar jeugdliteratuur deel uitmaakt van het curriculum - waar raken aankomende onderzoekers hun artikelen kwijt? Waar plaatsen de al gediplomeerde onderzoekers hun artikelen? Of vertalen die hun artikelen over Nederlandstalige jeugdliteratuur al bij voorbaat in het Engels, om kans te maken op een plekje in een Engelstalig vaktijdschrift?
Het moet de redactie van LZL zijn zwaar gevallen en al helemaal de eindredacteur Toin Duijx. In aflevering 107 zelf is niets te merken, het colofon is nog als vanouds, je zou je nog kunnen abonneren...
Het zal ook het bestuur zijn zwaar gevallen, nou ja, e.e.a. wordt ook vermeld 'met pijn in het hart'. Niet in de laatste plaats omdat LZL toch ook het smoel van IBBY-Nederland was. Het zal nu veel moeilijker worden om de activiteiten onder de aandacht te brengen. Een kwartaalbericht is niet veel...
Afijn, het is wel een mooie laatste aflevering geworden, rond Joke van Leeuwen. Daarover meer in een aparte bijdrage.
Toin
Het is overigens moeilijk om het stoppen van LZL los te zien van dat andere briefje dat in deze aflevering zat: Afscheid Toin Duijx. Het flyertje bevat twee toespraken die zijn gehouden tijdens de afscheidsceremonie op 9 november 2018, van Joke Linders en Helma van Lierop-Debrauwer.
Toin, ...

Zonder Toin Duijx als immer vlijtige en attente secretaris en eindredacteur is IBBY-Nederland als het ware een rechterhand kwijt en zou de productie van LZL een zware dobber zijn geweest. Onmisbaar is een groot woord, maar Toin kwam er dichtbij. De tekening van Alex de Wolf die het flyertje siert is treffend.
Als gewoon abonnee c.q. begunstiger ga ik me afvragen: wat gaat Toin eigenlijk doen?...
woensdag 12 december 2018
Lezers op de Titanic?
Eergisteren zat Lezen 2018-4 bij de post.
Er lagen al wat voorgaande nummers op het stapeltje te bespreken. Ik kwam er niet toe, misschien ook doordat die nummers een beetje op elkaar leken. Wat nieuws (vooral jeugdliteratuur), wat prettig enthousiasmerende interviews en artikelen, kijkjes in het atelier van illustratoren (zoals dit nummer Leo Timmers)...
Maar nummer 4 is toch bijzonder, want daaruit klinkt weer eens het geluid van een noodklok.
Associaties dienden zich aan met de ondergang van de Titanic (al lezend verglijden in de golven), met een bekende boektitel (De laatste der Mohikanen) en met een bekend stripverhaal, dat altijd begint en eindigt in dat ene dorp in Gallië dat nog niet bezet is.
Hoofdredacteur Gerlien van Dalen, tevens directeur-bestuurder Stichting Lezen, in haar redactioneel:
In veel gesprekken en beleidsstukken neemt de dalende leestijd en de lage leesmotivatie een prominente plaats in. De situatie is zorgelijk en er moet iets gebeuren, is de boodschap. Terecht, er is alle aanleiding voor zorg. En er gebeurt ook al veel: u en ik werken dagelijks aan leesbevordering; er zijn effectieve leesbevorderingsprogramma's opgezet zoals Boekstart en de Bibliotheek op school en er zijn leesbevorderende campagnes. Maar in ons volle, drukke leven is leesbevordering steeds meer leestijdbevordering.

(Ill. Karst-Janneke Rogaar.)
Mirjam Noorduyn vraagt in een artikel onder de kop 'We moeten alles doen om tieners aan het lezen te krijgen' aandacht voor het initiatief van auteurs Hans Hagen en Ted van Lieshout om samen met BruuTAAL de Gouden Lijst overeind te houden, nadat de CPNB besloot die prijs niet langer uit te reiken. Vechten tegen de bierkaai? Of toch de Asterix en Obelix van de leesbevordering, die moedig en succesvol standhouden tegen de oprukkende legers der niet-lezers?
Ze verwijst naar een rapport van het SCP, waaruit blijkt dat het aantal lezers onder dertien- tot negentienjarigen daalde van 65 procent in 2006 naar 40 procent in 2016. Noch hoogleraar Roel van Steensel, noch Ted van Lieshout laten zich in het artikel optimistisch uit.
In een interview door Eva Gerrits met auteur Alex Boogers, die de twee schotschriften De lezer is niet dood en Lang leven de lezer schreef, laat die zich ook al wat zorgelijk uit. 'Ongeïnteresseerde leerlingen bereiken is een gevecht dat Boogers vaak voert.' En hij zegt:
Tijdens schoolbezoeken ontmoet ik steeds dezelfde auteurs: een Jaap Robben, Maartje Wortel, Özcan Akyol en nog een handvol. Wie ik er nooit tref: journalisten en auteurs die kranten vullen met artikelen over jongeren die niet meer lezen. [...]
Preek een keer niet voor eigen parochie, maar ga op een school met jongeren in gesprek, vertel waarom je bent gaan schrijven, waarom je leest; bedrijf literatuur met ze. Als later een van hen op zoek gaat naar een boek, heb jij daarvoor de kiem helpen planten. Wat plant je nou met cultuurpessimistische geluiden in een krant?
Waarvan akte.
Met natuurlijk de aantekening dat het deze bezorgde lezers en schrijvers gaat om boeken, liefst met een ruime woordenschat, om verhalen die de verbeelding prikkelen. Die ruim drie uur die tieners tegenwoordig volgens het SCP doorbrengen met hun mobieltje, bestaat natuurlijk voor een flink deel uit lezen en schrijven: al die berichtjes die worden uitgewisseld. Heel gezellig, maar hun woordenschat wordt er niet door verrijkt, noch maken ze kennis met andere geesten dan het vriendenkringetje.
Er lagen al wat voorgaande nummers op het stapeltje te bespreken. Ik kwam er niet toe, misschien ook doordat die nummers een beetje op elkaar leken. Wat nieuws (vooral jeugdliteratuur), wat prettig enthousiasmerende interviews en artikelen, kijkjes in het atelier van illustratoren (zoals dit nummer Leo Timmers)...
Maar nummer 4 is toch bijzonder, want daaruit klinkt weer eens het geluid van een noodklok.
Associaties dienden zich aan met de ondergang van de Titanic (al lezend verglijden in de golven), met een bekende boektitel (De laatste der Mohikanen) en met een bekend stripverhaal, dat altijd begint en eindigt in dat ene dorp in Gallië dat nog niet bezet is.
Hoofdredacteur Gerlien van Dalen, tevens directeur-bestuurder Stichting Lezen, in haar redactioneel:
In veel gesprekken en beleidsstukken neemt de dalende leestijd en de lage leesmotivatie een prominente plaats in. De situatie is zorgelijk en er moet iets gebeuren, is de boodschap. Terecht, er is alle aanleiding voor zorg. En er gebeurt ook al veel: u en ik werken dagelijks aan leesbevordering; er zijn effectieve leesbevorderingsprogramma's opgezet zoals Boekstart en de Bibliotheek op school en er zijn leesbevorderende campagnes. Maar in ons volle, drukke leven is leesbevordering steeds meer leestijdbevordering.

(Ill. Karst-Janneke Rogaar.)
Mirjam Noorduyn vraagt in een artikel onder de kop 'We moeten alles doen om tieners aan het lezen te krijgen' aandacht voor het initiatief van auteurs Hans Hagen en Ted van Lieshout om samen met BruuTAAL de Gouden Lijst overeind te houden, nadat de CPNB besloot die prijs niet langer uit te reiken. Vechten tegen de bierkaai? Of toch de Asterix en Obelix van de leesbevordering, die moedig en succesvol standhouden tegen de oprukkende legers der niet-lezers?
Ze verwijst naar een rapport van het SCP, waaruit blijkt dat het aantal lezers onder dertien- tot negentienjarigen daalde van 65 procent in 2006 naar 40 procent in 2016. Noch hoogleraar Roel van Steensel, noch Ted van Lieshout laten zich in het artikel optimistisch uit.
In een interview door Eva Gerrits met auteur Alex Boogers, die de twee schotschriften De lezer is niet dood en Lang leven de lezer schreef, laat die zich ook al wat zorgelijk uit. 'Ongeïnteresseerde leerlingen bereiken is een gevecht dat Boogers vaak voert.' En hij zegt:
Tijdens schoolbezoeken ontmoet ik steeds dezelfde auteurs: een Jaap Robben, Maartje Wortel, Özcan Akyol en nog een handvol. Wie ik er nooit tref: journalisten en auteurs die kranten vullen met artikelen over jongeren die niet meer lezen. [...]
Preek een keer niet voor eigen parochie, maar ga op een school met jongeren in gesprek, vertel waarom je bent gaan schrijven, waarom je leest; bedrijf literatuur met ze. Als later een van hen op zoek gaat naar een boek, heb jij daarvoor de kiem helpen planten. Wat plant je nou met cultuurpessimistische geluiden in een krant?
Waarvan akte.
Met natuurlijk de aantekening dat het deze bezorgde lezers en schrijvers gaat om boeken, liefst met een ruime woordenschat, om verhalen die de verbeelding prikkelen. Die ruim drie uur die tieners tegenwoordig volgens het SCP doorbrengen met hun mobieltje, bestaat natuurlijk voor een flink deel uit lezen en schrijven: al die berichtjes die worden uitgewisseld. Heel gezellig, maar hun woordenschat wordt er niet door verrijkt, noch maken ze kennis met andere geesten dan het vriendenkringetje.
dinsdag 11 december 2018
Haa, ik lach
Bianca Castafiore is een van mijn favoriete personages uit de verhalen over Kuifje (Tintin). Daarin ben ik niet uniek, ze bracht de gemeente Amsterdam zelfs tot het tooien van een speeltuin met haar naam, hartje centrum en in Wikipedia heeft ze in diverse talen (waaronder Nederlands, Frans en Engels) een eigen lemma.

Hier staat ze te zingen, begeleid door haar trouwe pianist Igor Wagner.
Maar pas zeer onlangs en per toeval (dank aan Moors Magazine) kwam ik er achter dat haar favoriete aria, 'Haa, ik lach

een bestaande aria is, uit de opera Faust van Charles Gounod.
Dat ligt geheel aan mij, want de ware kenners waren natuurlijk allang op de hoogte, daar kwam ik snel achter. Afijn, beter laat dan nooit.
Met plezier beluisterde ik die aria eerst hier, welke opname met de diva in beeld helaas wordt onderbroken door gepraat, en vervolgens hier (Roxana Kostka met pianobegeleiding én spiegeltje), hier (Hei-Kyung Hong met een Koreaans orkest) en zo is er meer te vinden op Youtube.
In de taxi waar Kuifje voor het eerst met haar zangkunst kennismaakt (in De scepter van Ottokar), kijkt Kuifje naar de merknaam op de autoruit, hopend dat de ruit niet zal breken. Later zullen andere ruiten wel bezwijken door de kracht van Castafiore's stem. Het lied en het breken van glaswerk zijn waarschijnlijk een verwijzing door Hergé naar de film The phantom of the opera uit 1925, waarin dit lied voorkomt en een kroonluchter naar beneden komt op het moment dat een operadiva het lied zingt.
De tekst:
Ah! je ris de me voir,
Si belle en ce miroir!
Est-ce toi, Marguerite?
Réponds-moi, réponds vite! -
Non! non! - ce n'est plus toi!
Non! non! - ce n'est plus ton visage!
C'est la fille d'un roi,
Qu'on salue au passage! -
Ah, s'il était ici! ...
S'il me voyait ainsi!
Comme une demoiselle,
Il me trouverait belle.
Elle se pare du collier.
Achevons la métamorphose!
Il me tarde encor d'essayer
Le bracelet et le collier!
Elle se pare du bracelet et se lève.
Dieu! c'est comme une main qui sur mon bras se pose!
Ah! je ris de me voir
Si belle en ce miroir!
Est-ce toi, Marguerite?
Reponds-moi, reponds vite! -
Ah, s'il était ici! ...
S'il me voyait ainsi!
Comme une demoiselle,
Il me trouverait belle.
Marguerite, ce n'est plus toi,
Ce n'est plus ton visage,
Non! c'est la fille d'un roi,
Qu'on salue au passage.

Hier staat ze te zingen, begeleid door haar trouwe pianist Igor Wagner.
Maar pas zeer onlangs en per toeval (dank aan Moors Magazine) kwam ik er achter dat haar favoriete aria, 'Haa, ik lach

een bestaande aria is, uit de opera Faust van Charles Gounod.
Dat ligt geheel aan mij, want de ware kenners waren natuurlijk allang op de hoogte, daar kwam ik snel achter. Afijn, beter laat dan nooit.
Met plezier beluisterde ik die aria eerst hier, welke opname met de diva in beeld helaas wordt onderbroken door gepraat, en vervolgens hier (Roxana Kostka met pianobegeleiding én spiegeltje), hier (Hei-Kyung Hong met een Koreaans orkest) en zo is er meer te vinden op Youtube.
In de taxi waar Kuifje voor het eerst met haar zangkunst kennismaakt (in De scepter van Ottokar), kijkt Kuifje naar de merknaam op de autoruit, hopend dat de ruit niet zal breken. Later zullen andere ruiten wel bezwijken door de kracht van Castafiore's stem. Het lied en het breken van glaswerk zijn waarschijnlijk een verwijzing door Hergé naar de film The phantom of the opera uit 1925, waarin dit lied voorkomt en een kroonluchter naar beneden komt op het moment dat een operadiva het lied zingt.
De tekst:
Ah! je ris de me voir,
Si belle en ce miroir!
Est-ce toi, Marguerite?
Réponds-moi, réponds vite! -
Non! non! - ce n'est plus toi!
Non! non! - ce n'est plus ton visage!
C'est la fille d'un roi,
Qu'on salue au passage! -
Ah, s'il était ici! ...
S'il me voyait ainsi!
Comme une demoiselle,
Il me trouverait belle.
Elle se pare du collier.
Achevons la métamorphose!
Il me tarde encor d'essayer
Le bracelet et le collier!
Elle se pare du bracelet et se lève.
Dieu! c'est comme une main qui sur mon bras se pose!
Ah! je ris de me voir
Si belle en ce miroir!
Est-ce toi, Marguerite?
Reponds-moi, reponds vite! -
Ah, s'il était ici! ...
S'il me voyait ainsi!
Comme une demoiselle,
Il me trouverait belle.
Marguerite, ce n'est plus toi,
Ce n'est plus ton visage,
Non! c'est la fille d'un roi,
Qu'on salue au passage.
maandag 10 december 2018
Inschrijving Willem Wilminkprijs voor het beste kinderlied geopend
Omdat deze aankondiging de pers nauwelijks haalde, plaats ik hem hier:
'De inschrijvingstermijn voor de zesde editie van de Willem Wilminkprijs voor het beste kinderlied is geopend. Componisten, tekstschrijvers en producenten kunnen tot 15 januari 2019 hun bijdrage insturen. De uitreiking is op zaterdag
14 april 2019 in theater ‘Kleine Willem’ in Enschede. De nominaties worden begin maart bekend gemaakt.
Met deze prijs vraagt het Wilminktheater aandacht voor het Nederlandse kinderlied en met name de plaats die het kinderlied inneemt in het jeugdtheater. Tevens willen zij eer bewijzen aan de Enschedese dichter en tekstschrijver Willem Wilmink, die aan de basis heeft gestaan van een groot aantal bekende Nederlandse kinderliedjes.
Voor de eerdere edities van de Wilminkprijs bestond grote belangstelling. De jury mocht zich verheugen op een groot aantal inzendingen.
Eerdere winnaars zijn:
2010: Ted van Lieshout met ‘Onberispelijk’ uit de musical ‘Ik en de Koningin’
2012: Koos Meinderts met ‘Maite Maria’ van de Cd ‘Het regent zonlicht’
2014: Floortje Schoevaart met ‘Op de markt’, muziek Henny Vrienten
2017: Jan Beuving met ‘Optellen van Breuken’, muziek Akwasi
2018: Katinka Polderman met ‘Kilo, pond en ons’, muziek Kenny B.
De prijs bestaat uit een kunstwerk, vervaardigd door de kunstenaar Helga Kock am Brink en een geldbedrag van € 3000,- voor de tekstschrijver en € 1000,- voor de componist. Alle oorspronkelijk in het Nederlands geschreven kinderliedjes die niet ouder zijn dan twee jaar kunnen meedingen naar de onderscheiding. Ze moeten dus in de periode 2017-2018 voor het eerst zijn uitgekomen op Cd of dvd of voor het eerst ten gehore zijn gebracht in het theater of op tv. Ook jonge aankomende tekstschrijvers en componisten worden uitgenodigd hun liedjes in te zenden, al is hun lied mogelijk nog niet officieel verschenen.
Deelnemers kunnen hun inzendingen sturen naar Wilminktheater, t.a.v. Trudie Lucardie, Wenninkgaarde 40-42, 7511 PH Enschede. Kijk voor de voorwaarden op www.willemwilmink.nu
Een vakjury, bestaande uit Thijs Borsten, Katinka Polderman, Ageeth de Haan, Fay Lovsky en Trudie Lucardie beoordeelt de inzendingen.
De Willem Wilminkprijs is een initiatief van het Wilminktheater Enschede en wordt mede mogelijk gemaakt door Buma Cultuur.'
De relatie tussen woordkunst en muziek kan niet genoeg benadrukt worden, aangezien die in het onderwijs nauwelijks aan bod komt.
'De inschrijvingstermijn voor de zesde editie van de Willem Wilminkprijs voor het beste kinderlied is geopend. Componisten, tekstschrijvers en producenten kunnen tot 15 januari 2019 hun bijdrage insturen. De uitreiking is op zaterdag
14 april 2019 in theater ‘Kleine Willem’ in Enschede. De nominaties worden begin maart bekend gemaakt.
Met deze prijs vraagt het Wilminktheater aandacht voor het Nederlandse kinderlied en met name de plaats die het kinderlied inneemt in het jeugdtheater. Tevens willen zij eer bewijzen aan de Enschedese dichter en tekstschrijver Willem Wilmink, die aan de basis heeft gestaan van een groot aantal bekende Nederlandse kinderliedjes.
Voor de eerdere edities van de Wilminkprijs bestond grote belangstelling. De jury mocht zich verheugen op een groot aantal inzendingen.
Eerdere winnaars zijn:
2010: Ted van Lieshout met ‘Onberispelijk’ uit de musical ‘Ik en de Koningin’
2012: Koos Meinderts met ‘Maite Maria’ van de Cd ‘Het regent zonlicht’
2014: Floortje Schoevaart met ‘Op de markt’, muziek Henny Vrienten
2017: Jan Beuving met ‘Optellen van Breuken’, muziek Akwasi
2018: Katinka Polderman met ‘Kilo, pond en ons’, muziek Kenny B.
De prijs bestaat uit een kunstwerk, vervaardigd door de kunstenaar Helga Kock am Brink en een geldbedrag van € 3000,- voor de tekstschrijver en € 1000,- voor de componist. Alle oorspronkelijk in het Nederlands geschreven kinderliedjes die niet ouder zijn dan twee jaar kunnen meedingen naar de onderscheiding. Ze moeten dus in de periode 2017-2018 voor het eerst zijn uitgekomen op Cd of dvd of voor het eerst ten gehore zijn gebracht in het theater of op tv. Ook jonge aankomende tekstschrijvers en componisten worden uitgenodigd hun liedjes in te zenden, al is hun lied mogelijk nog niet officieel verschenen.
Deelnemers kunnen hun inzendingen sturen naar Wilminktheater, t.a.v. Trudie Lucardie, Wenninkgaarde 40-42, 7511 PH Enschede. Kijk voor de voorwaarden op www.willemwilmink.nu
Een vakjury, bestaande uit Thijs Borsten, Katinka Polderman, Ageeth de Haan, Fay Lovsky en Trudie Lucardie beoordeelt de inzendingen.
De Willem Wilminkprijs is een initiatief van het Wilminktheater Enschede en wordt mede mogelijk gemaakt door Buma Cultuur.'
De relatie tussen woordkunst en muziek kan niet genoeg benadrukt worden, aangezien die in het onderwijs nauwelijks aan bod komt.
zondag 9 december 2018
Woutertje Pieterse Prijs blijft nog even
Op 27 november 2018 ontving ik dit blije persbericht:
De Woutertje Pieterse Prijs voor kinder- en jeugdliteratuur is uit de gevarenzone. De komende twee jaar kan de prijs rekenen op de financiële steun van de Brook Foundation, die zich tot doel stelt organisaties te ondersteunen op het gebied van onder andere kinderen en cultuur. Door deze bijdrage en die van Stichting De Versterking (die de prijs al langer ondersteunt), is de uitreiking van de Woutertje Pieterse Prijs in 2019 en 2020 gegarandeerd.
Bestuursvoorzitter Hans Smit: ‘Geweldig dat we door kunnen en ook de komende jaren weer een stimulans kunnen vormen voor talentvolle makers en zo de kwaliteit van het Nederlandstalig kinder- en jeugdboek kunnen bevorderen. We zijn deze twee fondsen zeer dankbaar voor hun steun.’
Woutertje Pieterse Prijs
De Woutertje Pieterse Prijs is een prijs voor het beste oorspronkelijk Nederlandstalige jeugd- of kinderboek. De jury onder leiding van Noraly Beyer bekroont kinderboeken die uitzonderlijk zijn voor wat betreft taal, genre, thema, illustratie, vorm en/of vormgeving. De prijs bestaat uit een oorkonde en een geldbedrag van 15.000 euro. De prijs bestaat inmiddels ruim dertig jaar. Vorig jaar werd Lampje van Annet Schaap bekroond.
De jury, naast Noraly Beyer bestaande uit vormgever Peter de Kan, recensent Veerle Vanden Bosch, schrijver Anne-Gine Goemans en bibliothecaris Juan Khalaf, nomineert maximaal zes titels, verschenen in 2018. Welk boek de Woutertje Pieterse Prijs 2019 wint, wordt bekendgemaakt tijdens de uitreiking op donderdagmiddag 11 april in Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond te Amsterdam.
Het is fijn dat de Woutertje Pieterse Prijs weer twee jaar verder kan. Hoe meer prijzen, hoe meer vreugd.
Ook wordt de traditie voortgezet dat de jury grotendeels bestaat uit mensen van wie niet meteen duidelijk is of ze een ruime ervaring hebben in het lezen van jeugdliteratuur. (Er is natuurlijk geen verschil tussen jeugd- en kinderboek. Onze jeugd begint immers bij de geboorte.) En dat de voorzitter iemand is die veel in de publiciteit is geweest.
Je hoeft geen 'jeugdliteratuurexpert' te zijn om te kunnen oordelen over jeugdliteratuur. Leeservaring op dat gebied helpt wel, soms.
De Woutertje Pieterse Prijs voor kinder- en jeugdliteratuur is uit de gevarenzone. De komende twee jaar kan de prijs rekenen op de financiële steun van de Brook Foundation, die zich tot doel stelt organisaties te ondersteunen op het gebied van onder andere kinderen en cultuur. Door deze bijdrage en die van Stichting De Versterking (die de prijs al langer ondersteunt), is de uitreiking van de Woutertje Pieterse Prijs in 2019 en 2020 gegarandeerd.
Bestuursvoorzitter Hans Smit: ‘Geweldig dat we door kunnen en ook de komende jaren weer een stimulans kunnen vormen voor talentvolle makers en zo de kwaliteit van het Nederlandstalig kinder- en jeugdboek kunnen bevorderen. We zijn deze twee fondsen zeer dankbaar voor hun steun.’
Woutertje Pieterse Prijs
De Woutertje Pieterse Prijs is een prijs voor het beste oorspronkelijk Nederlandstalige jeugd- of kinderboek. De jury onder leiding van Noraly Beyer bekroont kinderboeken die uitzonderlijk zijn voor wat betreft taal, genre, thema, illustratie, vorm en/of vormgeving. De prijs bestaat uit een oorkonde en een geldbedrag van 15.000 euro. De prijs bestaat inmiddels ruim dertig jaar. Vorig jaar werd Lampje van Annet Schaap bekroond.
De jury, naast Noraly Beyer bestaande uit vormgever Peter de Kan, recensent Veerle Vanden Bosch, schrijver Anne-Gine Goemans en bibliothecaris Juan Khalaf, nomineert maximaal zes titels, verschenen in 2018. Welk boek de Woutertje Pieterse Prijs 2019 wint, wordt bekendgemaakt tijdens de uitreiking op donderdagmiddag 11 april in Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond te Amsterdam.
Het is fijn dat de Woutertje Pieterse Prijs weer twee jaar verder kan. Hoe meer prijzen, hoe meer vreugd.
Ook wordt de traditie voortgezet dat de jury grotendeels bestaat uit mensen van wie niet meteen duidelijk is of ze een ruime ervaring hebben in het lezen van jeugdliteratuur. (Er is natuurlijk geen verschil tussen jeugd- en kinderboek. Onze jeugd begint immers bij de geboorte.) En dat de voorzitter iemand is die veel in de publiciteit is geweest.
Je hoeft geen 'jeugdliteratuurexpert' te zijn om te kunnen oordelen over jeugdliteratuur. Leeservaring op dat gebied helpt wel, soms.
Abonneren op:
Posts (Atom)


