Zoeken in deze blog

maandag 19 juni 2017

Vakantieboekenplan

Toen ik de aankondiging van Stichting Lezen over Vakantielezen onder ogen kreeg, moest ik meteen met enige (betrekkelijke) heimwee denken aan mijn eerste dagen bij Boek en Jeugd, eind jaren '70.

Nederland, jongens en meisjes, had toen nog een instituut dat zich bekommerde om de jeugdliteratuur. Het verzamelde jeugdliteratuur en het bevorderde de kennis over jeugdliteratuur. Er waren boekbesprekingsbijeenkomsten met jeugdbibliothecarissen, en er werd gepubliceerd (waaronder de bekende gids Boek en jeugd) en gedocumenteerd. Krantenknipsels werden geplakt op vellen papier die in mappen terechtkwamen.
Dat instituut, in 1951 zelfstandig begonnen als Bureau Boek en Jeugd, was toen (vanaf 1972) overigens al opgenomen in een bibliotheekorganisatie, en allengs versnipperde het. De collectie en documentatie kwamen terecht bij de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, de gids Boek en jeugd is uitgemond in een gelijknamige website, de publicaties stopten of werden uiteindelijk uitgegeven door Biblion Uitgeverij van NBD Biblion. Inmiddels is die uitgeverij ook al opgeheven.

Maar daarover gaat het nu even niet.
Er was toen een jaren lopend, succesvol promotiemiddel dat het Vakantieboekenplan heette, later nog lang (tot in 2015) voortgezet als Leesprogramma, niet per se een betere titel. Een lijst titels, stickertjes, stickerpaspoort, poster, plaatjes, vlaggetjes, materiaal voor begeleiders e.d.: wie een boek gelezen had, kreeg een kleine beloning, daarop kwam het neer. Een echt bibliotheekprogramma, bedoeld voor kinderen (4-12 jaar) die lid van de bibliotheek waren - en dat waren toen bijna alle kinderen. Ze in de vakantie aan het lezen houden, dat was het doel.

Wat krijgen we nu? Vakantielezen: eigenlijk hetzelfde doel als veel andere materialen, namelijk kinderen thuis aan het lezen te brengen of te houden, en nu (ook) met scholen als basis. Er hoort een kleurige folder bij, er zijn zelfs films, en het is gratis, met dank aan Stichting Kinderpostzegels.

Er is echter een niet onaanzienlijke beperking: 'Stichting Lezen biedt dit project, met steun van Stichting Kinderpostzegels, aan op 100 basisscholen in zogenaamde krimpgebieden of participatieregio’s.'

Hè... Jammer voor al die andere basisscholen, in gebieden waar niet gekrompen of geparticipeerd wordt.
Doe me dan het vakantieboekenplan maar...

maandag 12 juni 2017

Dag salon

Tja, het ene moment ontving ik nog een enthousiast bericht over De Boekensalon, het andere (vandaag) een overlijdensbericht:

'
Website deBoekensalon
NBD Biblion stopt per 15 juni met de website van deBoekensalon. De website heeft sinds de oprichting in 2010 ruim 51.000 leden aan zich weten te binden.

DeBoekensalon is destijds opgericht als verbindende schakel tussen de bibliotheekleden en de rest van lezend Nederland. Eind 2016 maakte NBD Biblion bekend te stoppen met haar uitgeefactiviteiten. Het deactiveren van de website van deBoekensalon is het vervolg hierop. NBD Biblion bekijkt de verkoopmogelijkheden voor de website. Mocht er onverhoopt geen verkoop plaatsvinden dan zal de website offline gaan.
'

Dat laatste bericht was me ontgaan, maar het is nog te vinden op de website van NBD Biblion:

'6 oktober 2016
NBD Biblion stopt per 31 december 2016 met haar uitgeefportfolio voor Jeugd. Jaarlijks geeft dit fonds ruim 40 titels uit en richt zich daarbij met name op educatieve non-fictieboeken, makkelijk lezen-boeken - uitgaven voor kinderen die moeite hebben met lezen - en prentenboeken.  
“Ondanks het uitstekende selectiebeleid, de verbeterde verkopen aan het boekhandelskanaal en het scherp sturen op de kosten de laatste jaren, is het helaas niet gelukt om het fonds Jeugd kostendekkend te exploiteren”, aldus René Leermakers, Algemeen Directeur van NBD Biblion, “daarom is besloten om te stoppen met deze activiteit”. Dit NBD Biblion uitgeeffonds is ooit opgericht om in te spelen op de vraag van bibliotheken naar typische non-fictie-onderwerpen.
Door de komst van internet en het afnemend aantal bibliotheekvestigingen is gebleken dat het niet meer mogelijk is om kostendekkend te kunnen werken.'

Het doet me denken aan de teloorgang van dat mooie vaktijdschrift Leesgoed. En aan de langzame afbrokkeling van het eens zo fraaie (en niet verliesgevende) fonds dat onder het imprint Biblion Uitgeverij verscheen.
Helaas besloot zo'n tien jaar geleden de toenmalige directie van NBD Biblion de afdeling Biblion Uitgeverij niet in zijn geheel te verkopen, maar om een langzame onttakeling in gang te zetten. Althans, daarop lijkt het. Het zou kunnen zijn dat er wel eens met deze en gene gesprekken zijn gevoerd, maar dan toch niet heel serieus.
Op de uitgever (André Henderickx) werd zachte druk uitgeoefend om vooral met vervroegd pensioen te gaan. Dat deed hij in 2011 en hij werd niet opgevolgd. Zijn adjunct (ik) was toen al op een zijpad gezet, eveneens met vervroegd pensioen. Lopende en enkele nieuwe uitgaven werden overgenomen door iemand uit het managementteam en enkele bureauredacteurs.
Niets ten nadele van die laatstgenoemden, mijn hardwerkende oud-collega's, die naar mijn indruk hun best deden er nog iets van te maken, maar het fonds werd toch allengs minder groot en opvallend en de uitgeverij verdween van beurzen e.d.
Eén poot wordt trouwens voortgezet, die van de databanken.

Het bij De Boekensalon horende tijdschrift werd oktober 2016 overgenomen door Pubmedia, dat het prompt herstijlde en omdoopte in LivreMagazine. Wie weet neemt Pubmedia de website ook over.

vrijdag 9 juni 2017

Te paard naar het Zwarte Woud

Wouter Klootwijk maakt tv-programma's (o.a. De wilde keuken) en schrijft. Hij schrijft vaak over voedsel en aanverwante zaken, maar soms (en vooral voor kinderen) vertelt hij andere verhalen, zie bijvoorbeeld Ik denk dat wij nu vrienden zijn (Leopold, 2010), waarin zijn eerder verschenen verhalen over Adri zijn gebundeld, of De uitvinding van de zeekoek (2002) en Mogen wij u ophijsen, mevrouw? (1997, en wat een prachtige titel).

Hij houdt het graag simpel en is goed in het onderuithalen van dikdoenerij.

Zo'n simpel idee ligt ook ten grondslag aan Anne, het paard en de rivier, dat onlangs verscheen bij Leopold.
Teun woont aan zee en houdt werkpaarden. Broer Theo woont in het Zwarte Woud en heeft een werkpaard nodig.
Nou, dan ga je dat toch gewoon brengen? Dochter Anne doet dat wel even. Ze volgt gewoon de rivier.

Maar met deze ultrakorte inleiding doe ik het verhaal tekort, en ook het boek.
Het boek ziet er namelijk feestelijk uit en dat komt door de bijzondere illustraties door Enzo Pérès-Labourette, in Oost-Europese stijl zou ik haast zeggen, want die stijl deed me denken aan oude prentenboeken uit Polen, Rusland en Tsjechoslowakije. Het omslag is bovendien met goudspettertjes bespikkeld.
Deze stijl heeft iets sprookjesachtig en dat kan dit verhaal goed gebruiken. Dat speelt namelijk in het hier-en-nu en tegelijk ook niet, want al rijden er een ijscokar en een auto in rond en zitten er 'buitenlandse dingetjes in een potje', er zijn verder buitengewoon weinig details die naar een datering wijzen. De kleren van de mensen lijken uit een kleurbewust circus te komen en de reis voert eenvoudig van 'de zee' langs 'de rivier' naar 'het Zwarte Woud'. En telefoneren vanaf een paard, daar doet Anne niet aan.
Het echte Zwarte Woud ligt ruim 700 km van de Nederlandse kust. Per paard doe je daar beduidend langer over dan drie of vier dagen, zelfs al zou het de hele dag draven.

Een sprookjesachtig verhaal dus, dat wordt verteld door een anonieme verteller die dicht op de huid van de personages zit, bijna filmisch. Het zou zich goed lenen voor een tekenfilm.
En het zit vol zinswendingen die ik typisch Klootwijkiaans zou noemen:

Vader houdt van uien.
Anne houdt van alles waar je alleen een vorm bij nodig hebt of wat je met je handen kan eten.
Moeder houdt van buitenlandse dingetjes uit een potje.

Zit er iets van Klootwijk in Anne? Ik vermoed het. Überhaupt is het waarschijnlijk typisch Klootwijkiaans dat het eerste hoofdstukje 'Wat je eet en weer vergeet' heet.

Over de paarden van Teun, Anne's vader:

Het zijn werkpaarden, ze zijn sterk.
Je hebt ook paarden voor plezier. Niet de paarden zijn het die plezier hebben, maar mensen die erop rijden. Op de werkpaarden van vader kun je ook goed rijden. Mensen die dat graag willen, vinden werkpaarden niet mooi. Ze vinden dat zo'n paard niet bij ze past. Ze willen een mooi paard dat past bij de kleren die ze dragen en dat ze, als ze erop rijden, nog mooier zijn dan als ze ernaast lopen.

Teuns paarden trekken reddingsboten naar en uit het water. Die van broer Theo in het Zwarte Woud trekken omgezaagde bomen. Theo komt er een tekort, Anne gaat het brengen. Vindt moeder Maria, balletdanseres, dat goed?

'Natuurlijk vind ik het goed,' zei mama Maria. 'Wat zou ik dat zelf graag hebben willen doen toen.'
'Toen?'
'Toen ik nog zo jong was als Anne. Ik zou avonturen beleven maar wist niet waar een avontuur begint en hoe het verder moet. Toen ging ik maar dansen in mijn kamer. En dromen van avonturen.'
'Wat droomde je dan als je danste?'
'Dat mensen kunnen vliegen.'
Vader Teun lacht.




Het lot wijst paard Wilma aan. En al kijkend naar de paarden denkt Anne iets wat ik ook wel eens heb gedacht:

Anne kijkt naar de paarden. Ze heeft op allemaal wel eens door de duinen gereden. Wat gek eigenlijk dat je het rijden noemt. Ze lopen. Je zit erop. Wielen hebben paarden niet.

Ze gaat op pad met een rugzakje en een rol touw. Dat touw komt nog goed van pas als een ijscokar te water raakt. Wilma trekt hem eruit.



Zo zijn er meer avonturen onderweg.

Ze doet er drie dagen over. De eerste nacht brengt ze door bij Wilma in de stal van de vader van een jongen die ze onderweg tegenkomt. Hij fietst naast haar, net als Anne in de verte tuurt op zoek naar een slaapplaats. Ze ontdekt de jongen.




'Wat doe jij nou?'
Anne ziet het lachende gezicht van de jongen.
'Ik sta op mijn paard,' zegt ze.
'Ja, dat zie ik,' zegt de jongen. Hij schatert. 'Ik ken iemand en die heeft een paard, maar die gaat er altijd op zitten. Nooit staan.'
'Meestal ik ook,' zegt Anne. 'Weet je of er verderop nog iets is?'
Ze laat zich naar beneden ploffen met haar benen uit elkaar en ze zit weer.

De tweede nacht brengt ze in een bos door. Bijna raakt ze daar Wilma kwijt. En dan komt ze aan waar ze moet zijn. Een feestelijk slot van een mooi verhaal in een feestelijk ogend boek.




Op de laatste pagina's houdt de verteller de mogelijkheid open van een nieuw verhaal, een soort vervolg: terugvaren over de rivier.

Al gebeurt er nog redelijk veel in dit verhaal, het moet het vooral hebben van de verteller, de dialoogjes. Zoals het gesprekje met poetsvrouw Greetje op p. 50-51, en dat over broer Willem van Jan, die jongen van hierboven:

'Waar is je broer die Willem heet?' vraagt Anne.
'Die zit in het leger.'
'O, gaat hij naar de oorlog?' zegt Anne.
'Nee, dat niet,' zegt Jan, 'maar als de oorlog hiernaartoe komt, houdt hij hem tegen.'

Of wacht, nog eentje, want poetsvrouw Greet krijgt een lift van Anne en dan komen ze de agent tegen.

'Halt,' zegt de politieagent. Hij steekt een hand omhoog.
'We zijn bij de stad,' zegt Greet, 'ik moet die kant op, de brug over, jij moet rechtdoor, naar het Zwarte Woud. Dank je wel dat ik mee mocht rijden.'
Ze laat zich van het paard glijden.
'Dag agent,' zegt ze, 'wat kan ik voor u doen?'
'Dat weet ik niet, maar ik dacht, mag dat wel, twee mensen op een paard,' zegt de agent. 'Ik weet niet of het mag van de wet. Maar nu het nog maar één mens is, hoef ik niet meer te weten of het mag, want u bent er afgestapt.'

Een voorbeeld voor andere agenten! Die agent haalt overigens nog wel iets uit zijn borstzak dat verdacht eind 20e-eeuws voorkomt, namelijk:

een zwart kastje. Hij drukt op een knop. Dan praat hij in het kastje.
'Het Zwarte Woud ja, van hier af, hoe ver is dat?
Ja, maar met een paard, nee, niet fietsen.
O, dank je wel, ik geef het door, sluiten maar.'

Dat gesprekje over de worst en de zuurkool (en meer) laat ik maar zitten. Lees het zelf maar. Het is te begrijpen voor alle mensen vanaf zo'n 8 jaar, met voorlezen vanaf 6 jaar.



Wouter Klootwijk & Enzo Pérès-Labourdette. Anne, het paard en de rivier. Leopold, 2017, 78 p., ISBN 978 90 258 7220 5.
















vrijdag 2 juni 2017

Taal en de Europese eenheid

In de Comunidad Valenciana wil de deelregering Valenciaans als onderwijstaal invoeren, meldt Taalpost op 2 juni 2017 (bron).  En voorts: Duitstalige jongeren in Italië spreken steeds slechter Italiaans (bron), terwijl de Turkse president Erdogan niet-Turkse woorden zoals arena wil weren (bron), en de 'taaloorlog om de status van het Russisch in Oekraïne een nieuwe fase ingaat' (bron).
Mooi rijtje.

Uit mijn hoofd:
Servokroatisch gold vroeger als één taal, nu hebben we formeel Servisch en Kroatisch. Grootste verschil: de Serven schrijven met Cyrillische letters, de Kroaten met Latijnse letters.
De Catalanen halen regelmatig de pers met taalruzies, doordat de Catalaanse nationalisten bij eventuele afscheiding van Spanje en ook al voordien het Catalaans als enige voertaal zouden willen invoeren.
Iets dergelijks geldt voor het Galicisch in Noord-Spanje en zonder serieuze afscheidingskrampen ook voor het Occitaans in Noordwest-Italië en Zuid-Frankrijk en het Nynorsk in Noord-Noorwegen.
Ook het handjevol mensen dat Gaelic of Welsh spreekt is er in geslaagd een soort formele status voor hun taal te bereiken, waarbij vooral de Ieren (Gaelic) er natuurlijk een fijne portie nationalisme bij mengen.
Mensen die Oekraïens of Russisch spreken kunnen elkaar goed verstaan en kunnen elkaars taal zonder moeite (dus zonder vertaling) lezen. Kleine moeite om ze alle twee tot officiële voertaal in Oekraïne te verklaren. Maar helaas...

Vlamingen spreken steeds slechter Frans, toch een van de twee of drie officiële voertalen van België. (De derde is Duits, vanwege de drie Oostcantons.) Nederlandse jongeren spreken slechts zelden meer dan één buitenlandse taal en dat is dan doorgaans Engels.
In het algemeen beheersen Europese jongeren weinig andere talen dan hun moerstaal en het Engels dat ze per media krijgen toegediend, waardoor er soms met een vreemd soort Amerikaans accent wordt gesproken. Er is mede daardoor een soort Koeterengels (à la koeterwaals) ontstaan, of noem het Europees Engels, dat nogal verschilt van het Engels dat in Groot-Brittannië wordt gesproken.

Een Europese taal is onmogelijk, maar hoe slechter de kennis van andere talen dan je moerstaal, hoe minder eenheid in die Unie.
Bestuurders van de Europese Unie erkennen dat. Er is zelfs een tijdje een taalcommissaris geweest en er is zoiets als een taalbeleid.
'In 2012 presenteerde de Commissie de mededeling 'Een andere kijk op onderwijs: investeren in vaardigheden voor betere sociaal-economische resultaten', waarin twee uitgangspunten zijn geïntroduceerd:
1. In 2020 moet minstens de helft van de 15-jarigen in staat moeten zijn tot het voeren van een simpel gesprek in hun eerste vreemde taal.
2. In 2020 moet minstens driekwart van de leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs ten minste twee vreemde talen leren.' (Bron en zie ook Onze taal.)

Het lijkt me een bescheiden doelstelling. Ze zouden er goed aan doen het onderwijs in drie talen (Duits, Engels en Frans) in alle aangesloten landen te bevorderen. Niks kiezen: gewoon alle drie, met een vierde taal als keuzevak. (Arabisch, Chinees, Italiaans, Pools, Russisch, Spaans, ....) En uiteraard degelijk onderwijs in eigen taal.
Verder is de erkenning van 'regionale talen' (Nedersaksisch, Limburgs, zie ook hier) mooi, maar steek er vooral geen subsidie in.
En wat in ieder geval niet helpt is het verbieden van woorden of hele talen, zoals sommige nationalistisch angehauchte regeringen voorstaan en voorstonden. Gelukkig is dat niet zo makkelijk als die regeerders denken. (Zie coñac onder Franco.)


woensdag 24 mei 2017

Het model Krikhaar-Ros

Op 7 april vond in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, ergens op een bovenzaal, de jaarlijkse studiemiddag plaats van IBBY-Nederland.
IBBY staat voor International Board on Books for Young people, een organisatie met 74 nationale secties, zoals IBBY-Nederland (ook op Facebook).
Van IBBY kun je niet individueel lid zijn, van (stichting) IBBY-Nederland kun je begunstiger ofwel IBBY-vriend worden, voor minimaal € 20,- per jaar.

Die middagen zijn een poging om onderzoekers met elkaar in contact te brengen en de gelegenheid te geven om belangstellenden in te lichten over hun bezigheden.

Ik heb niet geteld, maar de zaal was redelijk vol en ik schat dat er ruim honderd aanwezigen waren.
Zij hoorden
- Monica Soeting over haar werk aan de biografie van Cissy van Marxveldt. Ze promoveerde op 23 januari met deze biografie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het boek verscheen bij Atlas Contact. En als ik er iets van heb opgestoken is het dat Cissy ofwel Setske de Haan een regelrechte snob was.
Monica Soeting in actie.
- Frauke Pauwels over het beeld van exacte wetenschappen in jeugdliteratuur.
- Ellis van Miert over vrouwen en hun relaties in fantasy-verhalen voor jongeren (young adult fantasy). Zij haalde aan de Universiteit van Gent in 2016 haar master met From Verses to Epics. How Madeline Miller's "The Song of Achilles" and Margaret Atwood's "The Penelopiad" Challenge the Forms of Hegemonic Masculinity Found(ed) in Homer's Epics, maar wist evengoed over vrouwenrollen in fantasy wel iets te vertellen.

Ellis van Miert aan het woord.

- Sanne Parlevliet over het beeld van Nederland en de Nederlandse identiteit in jeugdliteratuur van 1848 tot 2010. Gezien het hedendaagse gedoe rond identiteit (ik citeer graag Maxima: 'dé Nederlander bestaat niet', o jee, wat kreeg ze over zich heen) kan dit een interessant onderzoek worden.
- Bea Ros over 'het model Krikhaar-Ros op de schop'. Ook fijn. Bea Ros publiceerde in 1986 samen met Margot Krikhaar Een spannend boek. Warm aanbevolen!, een doctoraalstudie naar recensies van jeugdliteratuur tussen 1965-1984, waarbij ze en passant ook een soort beoordelingsschema maakten.
Dat onderzoek is ze nu aan het overdoen, met een breder corpus aan recensies en versere achtergrondliteratuur. En uiteraard gaat ook dat beoordelingsschema op de schop.

Bea Ros.


De opzet van die middagen is zo dat elke spreker een referent krijgt toegewezen, die start met vragen. Vervolgens kunnen anderen vragen stellen. En Helma van Lierop-Debrauwer (hoogleraar in Tilburg en voorzitter van IBBY-Nederland) fungeerde als gastvrouw, bijgestaan door de immer actieve secretaris Toin Duijx.
Dat werkt goed. Zo krijgt iedere spreker in elk geval enkele relevante vragen ter beantwoording voorgelegd.
En dan is er nog de afsluitende borrel voor de onderlinge contacten e.d.

Een aangename en nuttige middag.



dinsdag 23 mei 2017

De vuurtorenwachter en zijn dochter

Een prettig wondertje: bekende en ervaren illustratrice waagt zich aan het schrijven van een verhaal - en het is meteen bijzonder.

Annet Schaap debuteerde in 1988 met illustraties voor Christine Nöstlinger, Joppe, Julia en Jericho (oorspr. Jokel, Julia und Jericho, 1983). De rest van haar imposante werk hoef ik niet op te sommen, dat doet ze zelf, of zoek anders in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek, die 325 titels vermeldt.

Van haar website valt te leren dat Lampje niet haar eerste schrijfsel is. Zie deze notitie uit 2015:

'Van 1996 tot 1999 studeerde ik aan de Schrijversvakschool ‘t Colofon in Amsterdam. In die tijd maakte ik een aantal jeugdtheaterstukken, liedjes en schreef het libretto van een kinderopera.

Om allerlei redenen schreef ik daarna een hele tijd niet, of alleen in m’n dagboek. Sinds dit jaar ben ik weer begonnen met dichten en schrijven. Als opsteker won ik meteen de Willem Wilmink Gedichtenprijs!'



Terzijde. Die Willem Wilminkprijs (voluit Willem Wilmink Beste Kinderlied Prijs) kent opmerkelijke winnaars en juryleden. Verbazingwekkend dat deze prijs niet is opgenomen in de prijzenlijst van Leesplein. Als die redacteurs vinden dat liederen geen literatuur zijn, vergissen ze zich. Poëzie, ook gezongen poëzie, is vermoedelijk de oudste vorm van literatuur.
Helaas wordt de website van de in 2010 voor het eerst uitgereikte prijs slordig bijgehouden, o.a. ontbreekt een lijst winnaars.



Annet Schaap schreef een verslag van de reis die ze met man en kind door Noord-Amerika maakte. Dat toont enige schrijflust, maar het lijkt me vooral van persoonlijk belang en foto's domineren.



Toch een verrassing dus dat ineens Lampje in de winkels lag. Een verhaal - en meteen een sterk verhaal.
Het is zo'n verhaal dat zich afspeelt in de schemerwereld tussen hier en ginds, tussen wat wij 'onze wereld' plegen te noemen (zij het dan een eeuw of wat geleden) en een wereld die daarop lijkt maar toch net iets anders is. Zo'n wereld waarin schijn en wezen door elkaar lopen. Geen fantasy, alsjeblieft niet, ook geen sprookje, geen koningen, prinsessen, elven en trollen e.d. Wel een vuurtoren waarvan het licht met de hand wordt bediend, een schip met oude piraten, een kermis met gedrochten en een admiraal die zich te paard voortbeweegt. En zeemeerminnen.
Niet alleen daarom moest ik aan Hans Christian Andersen denken, aan zijn zeemeermin die uit liefde de zee verliet - en daarvoor een standbeeld kreeg in de haven van Kopenhagen.
Zijn eventyr lijken vaak ook in 'onze wereld' te spelen, toch gebeuren er zaken die een groot beroep doen op de verbeelding van de lezer - en soms van personages in zijn verhalen, neem bijvoorbeeld 'De nieuwe kleren van de keizer', waarin iedereen uit alle macht zijn best doet om zich de keizer aangekleed voor te stellen, op die paar kinderen na. Of 'Het meisje met de zwavelstokjes', dat zich warmend aan lucifers een mooie wereld voorstelt - en sterft. Of 'De tinnen soldaat', dat een beroep doet op het verbeeldingsvermogen van de lezer - speelgoed komt tot leven, maar blijft toch speelgoed en de soldaat eindigt met zijn liefde (de ballerina) in het haardvuur.



Terug naar die zeemeermin (uit 'De kleine zeemeermin'), want er zijn parallellen. Ook in Lampje verlaat een zeemeermin uit liefde de zee - en wordt verstoten. Ook deze zeemeermin heeft grote moeite met lopen. Maar deze zeemeermin raakt zwanger! (Hoe dat in zijn werk ging wordt niet verteld.) Ze baart een zoon met zeemeermin-trekjes.
Lampje komt die zoon tegen als ze gaat werken in het Zwarte Huis. Daar komt ze terecht als haar vader Augustus moet boeten voor een falend vuurtorenlicht, waardoor een schip vergaat. Bij de confrontatie met de sheriff (!) wordt Augustus zo kwaad dat hij met een stok om zich heen mept. Eigenlijk wil hij de sheriff slaan, maar als Lampje 'Hou op!' roept ('met de stem van haar moeder' - twee jaar eerder overleden) slaat hij haar.

Lampje houdt haar hand tegen haar wang. Die gaat straks heel erg zeer doen, dat kan ze al voelen. Maar nu gloeit alles in haar nog van schrik. Ze heeft helemaal het verkeerde gedaan en het verkeerde gezegd. Haar ogen zoeken die van haar vader. Ze wil 'Ik wou juist helpen' zeggen en ze wil dat hij haar aankijkt en haar weer ziet, zoals dat altijd gebeurt, na een uitbarsting. Het kan een half uur duren, of soms een paar dagen. Maar dan heeft hij altijd spijt. Hij zegt het niet hardop, dat gaat nou eenmaal niet. Maar wel met zijn ogen.
Maar voor hij naar haar kan kijken, voelt Lampje een koude hand in haar nek die haar vooruitduwt, haar eigen kamertje in. Juffrouw Amalia. Zo heet ze, ze weet het weer.

Vader wordt opgesloten in zijn eigen vuurtoren, dochter wordt uit huis geplaatst en moet geld verdienen. Ze komt in het Zwarte Huis van de Admiraal, zie zelf op reis is. Het Zwarte Huis herbergt een monster, zegt men - en zegt huishoudster Martha, die haar verbiedt naar de kamer van het monster te gaan.



Het is niet zozeer de intrige die dit een sterk verhaal maakt. Het is vooral de zorgvuldige stijl die de anonieme verteller hanteert. Sober, rustig, filmisch, en soms alsof ze in het hoofd van de personages zit. Maar intussen verschaft ze de lezer wel precies de juiste details om een sterk beeld te creëren.

Nog een staaltje, van Lampje die voor het eerst in haar kamertje in het Zwarte Huis komt.

De hoge houten trap kraakt, de derde deur links kraakt ook. Lampje staat in haar kamertje en kijkt om zich heen. Het is er koud en het ruikt een beetje naar schimmel. Een stoel staat er, een tafeltje, een kast.
Hier moet ze dus wonen. In haar eentje. Zeven jaar. Ze schudt haar hoofd een beetje. Ze kan de gedachte wel denken, maar ze begrijpt hem niet.
Een raam zonder gordijn kijkt uit over de tuin. Een groot overwoekerd bordes ziet ze en daarachter een ontploffing van heggen, struiken, brandnetels en knoestige bomen, die hun takken naar alle kanten uitstrekken. Lampje kan net een klein stukje van de lucht zien. Geen verte, geen zee. Het begint te regenen, eerst zachtjes, dan harder.
Maar er staat ook een bed, een bed van glimmend koper met een zachte witte sprei. Veel zachter en witter dan thuis. Lampje aait erover en slaat hem een eindje open. Voor het eerst sinds ze hier is glimlacht ze een beetje. Zo smetteloos! Zo schoon!
'Ik zal mijn voeten wassen straks,' fluistert ze tegen het bed. 'Dan maak ik je niet vies.'

Let op de details: het kraken, die paar meubels, de 'ontploffing', de takken die zich 'naar alle kanen uitstrekken'; 'geen verte, geen zee', de regen. En dan die 'zachte witte sprei'. Dit is schrijftalent. Ik moet me ervan weerhouden om nog veel meer te citeren.

De verteller volgt doorgaans Lampje, maar soms ook andere personages. Op p. 76 voor het eerst het monster.

Uit zijn torenkamer ziet het monster haar lopen, een wit vlekje tegen het donkere gras. Hij kijkt naar haar tot ze het huis binnengaat en laat zich dan weer op de grond glijden. Wie dat was, weet hij niet, en het kan hem niet schelen ook. Hij heeft honger.

Natuurlijk gaat Lampje op zoek naar dat monster in de torenkamer (een verre echo van Perrault's Blauwbaard-verhaal) en dat levert de kern van het verhaal op. Ga ik dus niet uit de doeken doen.
Zou ik iets van thema's aan het verhaal moeten geven, dan zijn dat 'vaders' (net als Lampje op dat moment heeft het monster een schier onbereikbare en moeilijke vader) en 'gedrochten' of 'afwijkingen'.
Want het monster is niet het enige wezen in dit rijke verhaal dat, om met Mark Rutte te spreken, 'niet normaal' is. Zo heeft Martha een zoon, Lennie, die een forse gestalte paart aan de geest van een hele lieve kleuter en als enige goed kan omgaan met de twee reusachtige honden.

En later in het verhaal komen Lampje en het monster nog  terecht in een kermisattractie, de tent met 'wereldschokkende gedrochten', waar ze een dwerg ontmoeten, een Siamese tweeling, een vrouw met een baard en een zeemeermin in een aquarium.



De clou van wat volgt is dat deze gedrochten eigenlijk geen gedrochten zijn - zoals het monster eigenlijk geen monster is.

Het verhaal eindigt met een ontsnapping en een redding, en hoewel de timing misschien wat rammelt, levert dat een spannende episode op.
Eén citaat er uit, net te weinig om de intrige prijs te geven:

Ze komt hem tegemoet zinken en Vis haast zich erheen. Hij is net op tijd. Toch? Natuurlijk, zo razendsnel, zo razendsnel kan hij zwemmen. Net op tijd grijpt hij de zoom van haar jurk en sjouwt haar naar boven, tilt haar hoofd boven de golven om lucht te happen. Maar ze hapt niet, ze beweegt niet en ziet bleek als een dode.
'Ademhalen, stom kind! Haal nou adem!' sist Vis, en hij schudt haar door elkaar. Maar ze doet gewoon niet wat hij zegt.
Hij bijt haar, hij weet niks anders, en als ook dat niet helpt, sleurt hij haar door het water naar de rots, waar hij haar neer kan leggen en even nadenken. Hij schaaft haar knieën en haar ellebogen als hij haar over de ruwe steen trekt, maar als ze dood is maakt dat ook niks meer uit, natuurlijk.
'Lampje!' gilt hij in haar oor. 'Lampje! Lamje, word toch wakker alsjeblieft!'
Hij kijkt om zich heen of iemand iets kan doen, of iemand hem, haar kan helpen, maar hij kent niemand, in de hele zee niet.



Wees gerust, ze leeft.
Dan heb ik nog de andere rode draadjes in dit verhaal niet beschreven: haar overleden moeder, wier stem ze vaak hoort; Lennie, in wiens hoofd de verteller soms ook kruipt (essentieel op p. 297); Augustus (wat een prachtnaam, clown en keizer) en zijn worstelingen met zichzelf en de rouw om zijn vrouw; juffrouw Amalia (heel in verte ontwaarde ik verre achternicht Mevrouw Helderder); Buck en de 'piraten'; en meer.

Staan er plaatjes in? Niet veel! Vignetten boven de hoofdstukjes, en ieder van de zes delen wordt voorafgegaan door een dubbelpaginaprent. (Aan een van de prenten is bovenstaande illustratie ontleend.) Uiteraard alle van Annet Schaap, evenals de illustratie die de voorkant siert.

Een prachtverhaal.
Voor lezers van tien en ouder, voorlezen vanaf acht.



Annet Schaap. Lampje. Querido, 2017. ISBN 978 90 2037 9, 324 p.




NB. Voorin staan twee citaten. Een uit Die Dreigroschenoper van Bertold Brecht en een uit, jawel, 'De kleine zeemeermin' van Hans Christian Andersen. Dat laatste:

'Ik wil het,' zei de kleine zeemeermin en ze was bleek als een dode.
'Maar mij moet je ook nog betalen,' zei de zeeheks, 'En het is niet weinig wat ik verlang.'

NB2. In 2018 ontving Annet Schaap voor Lampje de Woutertje Pieterse Prijs.

dinsdag 18 april 2017

Armoede en een happy end

Armoede is een relatief begrip. Wie overleeft, kan zich rijk wanen. Wie geen geld heeft om de nieuwste iPhone te kopen, kan zich arm wanen.
Hoe relatief ook, echte armoede schrijnt. Het noodlot ligt altijd op de loer. Doorgaans in de vorm van honger, ziekte en kou. Eerlijk delen hebben mensen altijd als een deugd beschouwd, maar er komt in de praktijk weinig van terecht. Naast deugden zijn er ondeugden als machtswellust en hebberigheid.
En soms is er niets om te delen. Als de oogsten mislukken, is er niets te eten, zo simpel is dat. Het dreef in de 19e eeuw miljoenen Ieren hun land uit, de oceaan over. Het drijft nu miljoenen mensen in Afrika van hun land.

En zelfs als het land juist genoeg opbrengt, kan het noodlot toeslaan. Een gebroken been en geen geld voor een dokter en een ziekenhuis. Een arme boerin in Tessino breekt haar been, net als het dorp ook nog geteisterd wordt door droogte, medio 19e eeuw. De boer ziet geen andere weg dan zijn zoon meegeven aan een ronselaar die magere jongetjes zoekt voor schoorsteenvegers in Milaan. Zoals deze jongens:

 

Zo begint een klassiek verhaal, dat onlangs weer in herdruk is verschenen en mij ter bespreking werd toegestuurd: Levende bezems van Lisa Tetzner. Het verscheen oorspronkelijk als Die schwarzen Brüder in 1940-'41 en de eerste Nederlandse vertaling verscheen in 1951. Het is in feite door haar en haar echtgenoot Kurt Kläber (schrijversnaam: Kurt Held) samen geschreven: Lisa begon het, Kurt schreef het af. Ze woonden toen als politieke vluchtelingen in Zwitserland en Kurt Kläber mocht niet publiceren, daarom verscheen (en verschijnt) het onder haar naam.

Beide auteurs waren zeer begaan met het lot van arme mensen en Kurt Kläber was zelfs lid van de Kommunistische Partei Deutschland - tot 1938, toen hij er wegens het stalinisme uitstapte, volgens Wikipedia. Geen wonder dat de nazi's niets moesten hebben van hun werk, het werd al snel na 1933 verboden en het echtpaar vluchtte naar Zwitserland.

Toch zou een verhaal als Levende bezems in sommige na-oorlogse socialistische, ´revolutionaire´ groeperingen slecht vallen. Want waar bleef de opstand der verdrukten, de omverwerping van de kapitalistische machthebbers? Grote kans dat de auteurs door hen als renegaten zouden worden betiteld. De redding komt immers niet van het rode front, maar notabene van een lid van de gegoede middenklasse, een Zwitserse arts.
Ik heb, moet ik bekennen, niet de moeite genomen om te onderzoeken of dit vermoeden klopt, maar mij staan nog levendig de boekjes voor de geest die in de 70-er jaren voor kinderen verschenen waarin het revolutionair perspectief lokkend wenkte. Verkrijgbaar in boekhandel De Rode Rat e.d. Dat waren geen verhaaltjes waarin een Zwitserse arts arme schoorsteenvegertjes onder zijn hoede neemt.

Waarschijnlijk is het ontbreken van het revolutionaire perspectief nu net de kracht van het verhaal. Want het zou een wonder zijn als die eenvoudige boerenjongens ervan droomden om de macht over te nemen. Ze wilden simpelweg een beter bestaan, een beetje zoals Charley Chaplin (leeftijdgenoot van de auteurs) dat met groot talent schilderde in zijn films Modern Times en The Great Dictator, en zoals eerder Hector Malot zijn Alleen op de wereld (Sans famille, 1878) liet eindigen.
Niks ´sterft gij oude vormen en gedachten´, niks ´nieuwe krachten´ die 'de wereld steunen' en niks ´internationale die morgen heersen zal op aard´´.
De kracht van het verhaal is juist dat de verteller zijn hoofdpersonen niet sterker maakt dan ze zijn. Ze hebben genoeg lef en hart om onderling solidair te zijn, om bijvoorbeeld een goede begrafenis van een van hen af te dwingen. Niet meer, niet minder.
Ze worden weliswaar ´tot ‘t merg en been uitgezogen´, maar ´de rijkaard leeft zelfzuchtig voort´, al is deze ene (betrekkelijke) rijkaard die hen te hulp schiet dan helemaal niet zelfzuchtig. Want zo´n soort opstand zou een energie en vaardigheid vergen die de schrale schoorsteenvegertjes niet hebben en juist dat is geloofwaardig.
Het is ook meer toeval dan wijsheid die ze in de armen brengt van weldoener Casella brengt.

Inmiddels weten we dat het revolutionair elan niet altijd een happy end teweeg brengt. Ik denk met gemengde gevoelens aan wat ik ooit gelezen en gezien heb over de Franse, de Russische en de Angolese revoluties, en nog lees over de Venezolaanse Chavinistische revolutie, om er enkele te noemen. Het gaat te ver om ze louter als tragedie te zien, want veel mensen gingen er zeker op vooruit, maar om ze nu zonder reserve als een groot succes en een sprong vooruit voor de mensheid te betitelen zou mij te rooskleurig zijn. Geen happy end, dus.

  

En een happy end heeft Levende bezems nu juist wel. Alfredo sterft, maar verder komt het met alle hoofdpersonen en zeker met Giorgio heel erg goed en dat gelukkige einde wordt breed uitgemeten. Heel fijn. En wie weet hebben de auteurs dat met opzet gedaan, vermoedend dat juist veel jonge lezers een happy end zeer op prijs stellen. Intussen nemen die jonge lezers dan kennis van wat samen te vatten valt onder het oude maar nog steeds actuele begrip uitbuiting. Het valt zo samen te vatten, maar gelukkig bekommert de verteller zich niet om theorie, het gaat in dit verhaal om mensen, met al hun beperkingen en betere momenten, en dat maakt het sterk.
In 2013 verscheen nog een Duitstalige verfilming, onder regie van Xavier Koller.

Ik las de Nederlandse versie, heb de Duitse niet bij de hand, kan dus over de vertaling van Annie Winkler-Vonk niets schrijven, behalve dat zij een bekende vertaalster was, die meer werk uit het Duits heeft vertaald, o.a. van Johanna Spyri (Heidi) en Kurt Held. De vertaling is voor deze editie nog bewerkt door Suzanne Braam.
 
Tetzner, Lisa. Levende bezems. Ploegsma, 384 p., ISBN 978 90 216 7719 4. Oorspr. Die schwarzen Brüder, 1940. 

De eerste twee afbeeldingen zijn ontleend aan Wikipedia, de andere zijn van George van Raemdonck.

dinsdag 11 april 2017

De Zevensprong

Ingewikkelde gebouwen met trappen en spiegels en verborgen ruimtes, doolhoven, mystificaties, raadsels, kruispunten, dubbele persoonlijkheden, verwisselingen, vreemde streken, spiegelingen, parallelle werelden, het was en is een kolfje naar de hand van de oude meesteres Tonke Dragt. Haar werk zit er vol van.
Haar debuut, Verhalen van de tweelingbroers (1961, 'vrij naar Babinase balladen'), gaat over twee broers, Jiacomo en Laurenzo, die zo op elkaar lijken dat men de een vaak voor de ander aanziet. In dit verhaal zit al een tweesprong, en er zijn allerlei zaken in tweeën. Wie in tijden van verkiezingen eens naar inspiratie zoekt, kan er terecht voor de Eerste en de Laatste Partij. (Voer voor sociaal-democraten.)
(Babina, overigens, is het land van de tweelingbroers. Of het ook lijkt op de bestaande streken in India en Slowakije...?)




In De Zevensprong (1966 of 1967), dat ik onlangs ter bespreking kreeg toegestuurd, is de 'jongeman' die er de hoofdrol speelt naar omstandigheden schoolmeester Frans van der Steg of avonturier Frans de Rode. Bondgenoot Rob is soms Roberto, soms de Brozem. Ze wisselen ter plekke.
Het jaar van verschijnen lijkt me ook een mooie mystificatie. Volgens Tonke's brief aan de lezers achterin en volgens Leopold (imprint in het boek) verscheen de eerst druk in 1967, dus vijftig jaar geleden, volgens de KB en Wikipedia in 1966. 

Tonke Dragt houdt er wel van alles met alles te verbinden, zoals een goede verteller betaamt, maar liefst met veel kronkelingen en doodlopende wegen. Doolhoven zoals het Trappenhuis in De Zevensprong.
Heerlijk.
Vind ik, tenminste. Maar ik ben natuurlijk niet de enige, want ze heeft de nodige waardering gekregen, ook voor De Zevensprong. Het werd door Karst van der Meulen bewerkt tot tv-serie (1982), luisterboek en musical (2004). Er is nog een website met van allerlei, o.a. een fietsroute rond Ruurlo, waar de tv-serie werd opgenomen.

Wat die ingewikkelde gebouwen betreft, daarvan dook het eerste wel op in De Zevensprong, als ik het goed heb: het Trappenhuis. In tal van latere verhalen keerden ze terug, bijvoorbeeld in De Torens van Februari of in Zeeën van tijd, met die mooie Januaraanse Ambassade.
Al die Dragtiaanse verbeeldingsparels zijn beschreven in ABC Tonke Dragt; De werelden van Tonke Dragt, een prachtig boek van Joukje Akveld & Annemarie Terhell (2013).

Zo'n herdruk van een klassieker is fijn, vooral als het verhaal een hele tijd niet verkrijgbaar was. Dat was met De Zevensprong geenszins het geval, naar mijn indruk. Maar voor mij was het erg lang geleden dat ik het had gelezen en het leek me prettig om het opnieuw te lezen.

Dat was een plezierige en fascinerende ervaring.
Fascinerend, want aan veel woorden en zinswendingen is te merken dat De zevensprong al 50 (of 51?) jaar oud is. Gelaatsuitdrukking, brommer, een onderwijzer die zijn das rechttrekt, of een leerling in de nek pakt (als-ie dat vandaag-de-dag zou doen, zouden de boze ouders de volgende morgen op de stoep staan...) dan wel uitfoetert, of met zijn vuist op tafel slaat, en een mening huldigt en op zaterdagmorgen lesgeeft, een Brozem (woordspeling met nozem), het is niet van deze tijd.
Gevoegd bij het ontbreken van hedendaagse en in de ogen van veel jonge lezers onmisbare attributen als mobieltjes en computers, is het een wonder dat het verhaal nog steeds overeind blijft.
Dat ligt zeer waarschijnlijk aan de ingenieuze intrige (ik hoef die niet samen te vatten) en de levendige verteltrant. Dat kasteeltje in Ruurlo, bijvoorbeeld, dat een rol speelde in de tv-serie, steekt toch wat gewoontjes af bij:

een krankzinnig huis, een huis uit een nachtmerrie... vol torens en torentjes, met hoekige uitsteeksels en bultige aanbouwsels, met scheve schoorstenen en vreemde staketsels op de daken. Het zag eruit alsof het gegroeid was in plaats van gebouwd, zo grillig waren de omtrekken.

Een echt Dragt-huis. Tekenen kon ze het ook:


Dragtiaans is ook het spelen met verwisselingen en mystificaties. Die dubbele persoonlijkheden noemde ik al, maar mooi is dat hoofdpersoon Frans, meester in het vertellen van zelfverzonnen verhalen aan zijn leerlingen, pas langzaam beseft dat hij nu in een verhaal terechtgekomen is dat hij niet zelf heeft verzonnen, en ook langzaam het idee krijgt dat iemand anders hém in een verhaal plaatst, ja, dat misschien zijn leerlingen er meer van weten.

'Misschien toch wel,'zei Frans langzaam. 'Ik ben er helemaal niet zeker meer van dat het Verhaal van de Zevensprong echt is gebeurd...'
'Meester!'zei Maarten ontsteld. 'U hebt het toch niet verzonnen? Van Gr... Gr... en de schat... van Roberto en zijn kanon, en...'
Frans haalde zijn schouders op. 'Daar laat ik me niet over uit,' zei hij. En hij dacht: Als dit verhaal verzonnen is, heb ik het toch zeker niet zelf gedaan! Ik kan wel wat beters fantaseren. Maar wie deed het dan wel? En hoe kan het dat ik het heb beleefd?

Dit spel met werkelijkheid en fantasie is typerend - en fascinerend.
Heerlijk, nogmaals.



Tonke Dragt. De Zevensprong. Leopold, 33e druk, 2017. 304 p., ISBN 978 09 258 7213 7.

NB. Mooi hè, die 7 aan het eind van het ISBN...




maandag 10 april 2017

Turmoil in Turkije - geen IBBY-congres

Er worden honderdduizenden kinderboeken per jaar verkocht in Nederland, toch telt de Nederlandse afdeling van de International Board on Books for Young people (IBBY) niet meer dan zo'n vijfhonderd begunstigers, schat ik.
Dat is jammer, want de IBBY is heus een aardige vereniging, waarin mensen hun uiterste best doen om het kinderboek de aandacht te geven die het verdient.
Ik citeer de doelstelling weer eens:

' Mission
  • to promote international understanding through children's books
  • to give children everywhere the opportunity to have access to books with high literary and artistic standards
  • to encourage the publication and distribution of quality children's books, especially in developing countries
  • to provide support and training for those involved with children and children's literature
  • to stimulate research and scholarly works in the field of children's literature
  • to protect and uphold the Rights of the Child according to the UN Convention on the Rights of the Child. ' 

Wie kan daar nu tegen zijn... Recep Erdogan misschien?

Tot de activiteiten van IBBY hoort het organiseren van een internationaal congres, elke twee jaar. Dat vond tot nu toe plaats op de meest uiteenlopende plaatsen, zie hier. Merendeels heel rustige plekken, maar toch ook iets minder rustige plekken als Mexico City (2014), Macau (2006), Cartagena de Indias (2002), New Delhi (1998), Berlijn drie jaar na de val van de Muur (1992), Nicosia (1984) en Rio de Janeiro (1974).
In 2018 zou het congres in Istanbul zijn. Maar dat gaat niet door. Dat maakte IBBY-voorzitter Wally De Docker bekend tijdens de Internationale Kinderboekenbeurs in Bologna. Dit is het officiële bericht:

Our world is in turmoil. At the start of the 2017 Bologna Children's Books Fair press conference I talked about promoting international understanding and the current tendency of building walls in order to separate nations from one another.  We are now confronted by a situation that affects IBBY directly.  Our colleagues in Turkey are dealing with a situation in their country that is beyond their control. 
However, IBBY needs to react to world events, we are not immune.
So, with a really heavy heart as IBBY president I have to announce that the 2018 IBBY Congress that was scheduled to happen in Istanbul next September has been cancelled.
I want to sincerely thank our IBBY members in Turkey for their dedication, perseverance and good will. They have been preparing for this event for the last 4 years. 
IBBY has a two-year cycle and therefore the IBBY network of members still needs to meet in 2018.  The IBBY Executive Committee is looking into various feasible alternatives and we hope to announce a solution by the end of April this year.

Wally De Doncker
IBBY President
Bologna, 3 April 2017

Ja, Recep Erdogan eigent zich heel wat macht toe. Turkije is nog net geen dictatuur. Toch verbaasde het me te horen dat deze conferentie is afgelast.

Op 7 mei hoorde ik van een bestuurslid van IBBY Nederland dat de organisatie de 'veiligheid van de deelnemers niet zou kunnen garanderen'.
Tja. Wat moet ik me daar nou bij voorstellen. Niemands veiligheid is ooit gegarandeerd. Vliegtuigongelukken, aanrijdingen, berovingen, vervelende ziektes... het is allemaal niet echt te voorkomen, hooguit een beetje te vermijden.
Eigenlijk kan ik mij niet voorstellen dat er ook maar een deelnemer uit de kinderboekenwereld ongewenst zou zijn in de ogen van het Turkse bewind - behalve wellicht een afvaardiging uit Armenië - wat overigens wat mij betreft reden genoeg zou zijn voor afgelasting. Het riekt een beetje naar een angstig IBBY-bestuur - óf naar informatie die beter niet in de openbaarheid gebracht kon worden volgens dat bestuur ('situation in their country that is beyond their control').
Een merkwaardige beslissing.

maandag 3 april 2017

Jeugdliteratuur: kunst in woord en beeld 2

Op 28 januari schreef ik over de komende 26e editie van de Bienále Ilustrácií Bratislava / Biennale of Illustrations Bratislava (kortweg BIB), in (uiteraard) Bratislava, Bibiana, 'International House of Art for Children', en hoe daarvoor werk wordt geselecteerd.

Nu is bekend welk werk naar de tentoonstelling gaat. Het betreft werk van/uit:

Henriette Boerendans, Daar buiten slaapt een aap (uitg. Gottmer)
Irene Goede, Erop of eronder (tekst: Anne Pek) (uitg. Gottmer)
Annemarie van Haeringen, De parkiet, de zeemeermin en de slak (uitg. Leopold)
Alice Hoogstad, Mijn oma is een ooievaar (uitg. Lemniscaat)
Philip Hopman, Hubert de Givenchy (uitg. Leopold)
Yvonne Jagtenberg, Links of rechts? (uitg. Rubenstein)
Martijn van der Linden, Tangramkat (tekst: Maranke Rinck) (uitg. Lemniscaat)
Merlijne Marell, Schobbejacques en de 7 geiten (uitg. Loopvis)
Yke Reeder, Wapper (tekst: Sytse Jansma) (uitg. Afûk)
Roelof van der Schans, Het meisje met de rode paraplu (tekst: diverse auteurs) (uitg. Wijdemeer & Aed Levwerd)
Ingrid & Dieter Schubert, Opvrolijkvogeltje (tekst: Edward van de Vendel) (uitg. Lemniscaat)
Thé Tjong-Khing, Kunst met taart (uitg. Lannoo)
Ludwig Volbeda, De vogels (tekst: Ted van Lieshout) (uitg. Leopold)
Sylvia Weve, Arme rijk (tekst: Bette Westera) (uitg. Gottmer)
Arnoud Wierstra, Babel (uitg. Gottmer).

De samenstelling van de selectiecommisie werd niet onthuld. Jammer, want ze heeft naar mijn idee een goede selectie gedaan.
'En nu maar afwachten of de internationale jury in september één of meer van onze illustratoren zal verblijden met een bekroning.'