Zoeken in deze blog

vrijdag 24 november 2023

Lazy onderzoekers

Daar kwam er weer een langs, zo'n term die Nederlandstalig opgevoede onderzoekers in hun artikelen overnemen uit een Engelstalige (vaan Noord-Amerikaanse) bron omdat ze (denk ik) te lui zijn om een Nederlandstalig equivalent te vinden.
Deze keer was het theory of mind. Zie (o.a.) Wikipedia. In Engelstalige publicaties is de term al in 1991 te vinden en ja, in het Engels klinkt het tamelijk vanzelfsprekend, bijvoorbeeld in titels als Natural theories of mind; Evolution, development, and simulation of everyday mindreading of Empirical failures of the claim that autistic people lack a theory of mind. Geen bezwaar.
Maar we spreken hier Nederlands en iedereen weet dat sales net wat andere connotaties heeft als uitverkoop. En DISCOUNT is niet krek hetzelfde als korting. Sterker, we weten langzamerhand dat Engelstalige opschriften in Nederland doorgaans de bedoeling hebben ons iets te verkopen en mensen die veel Engelse (Amerikaanse) termen door hun taal gooien zijn slordig of ze zijn opscheppers, of allebei. Het gebruik van Engels in een Nederlandse tekst houdt sowieso een extra betekenis tot de term volledig is ingeburgerd, zoals computer of shit (de uitroep, niet het naamwoord). (Ja, sowieso komt uit het Duits, niet uit het Amsterdams.) 
Dat zal met theory of mind niet gauw gebeuren. Dus gezocht: een Nederlandstalig equivalent.

woensdag 22 november 2023

Spruitjes, ho ho ho

Er zijn mensen die iets hebben met Kerstmis. 
 
Zoals een goede vriend van me: nooit zal hij met Kerst op reis gaan, want die tijd is gereserveerd voor de familie, liefst zo uitgebreid mogelijk. Met kerstboom. Met cadeautjes eronder. Met kerstmaaltijd. En dat terwijl hij net als ik een heiden is, niet christelijk opgevoed en evenmin later bekeerd. Goden zijn voor ons een menselijke creatie, niet andersom.

Dat het fijn is om met de donkerste dagen wat licht te maken, dat lijkt me voor de hand liggen, en met een goed kerstdiner met prettige mensen is ook niets mis. Maar verder vind ik het overwegend een wat kitscherig en schijnheilig feest voor een inhalige middenstand. 
Misschien komt dat door het christelijk sausje dat er overheen is gekomen, want het christendom, althans sommige varianten, heeft wel iets met klatergoud en schone schijn. 
De sterren van Bethlehem bungelen boven de koopgoot, en aan de rand staat een plastic kerststal met wat kunstsneeuw. Het dagblad verkoopt complete kerstdiners, en ongetwijfeld beult een bezorger zich af om al die dozen af te leveren bij goed verlichte huizen, en dan krijgt hij op een donker weggetje een klapband en vriest bijna dood in zijn wagen, tot iemand hem ontdekt - of niet. Of het is een lange man met geblondeerd haar, die hem laat doodvriezen en denkt, weer zo'n gast minder.
Tijd voor kerstverhalen. Het kindeke, jawel, met die herders en die drie koningen en zo. Geen plaats in de herberg... Maar ook Dickens' Scrooge en Andersens intens droevige verhaal over 'het meisje met de lucifers' (of zwavelstokjes, wat hetzelfde is), het beste kerstverhaal ooit, dat tegelijk wel en niet goed afloopt. ('Den Lille Pige med Svovlstikkerne', 1845.) (Lees het origineel in vertaling door bijvoorbeeld Annelies van Hees, niet in goedkope bewerkingen.)
 


Alex Smith kan niet tegen Hans Andersen op.
Maar verder heeft hij met zijn Grompus (in het Engels Grumpus) wel een feestelijk kerstkarakter gemaakt, min of meer in de Scrooge-traditie.
In eerste instantie lijkt zijn boek, De Grompus en zijn gluiperige, gruwelijke kerstplan te vallen onder de lach-of-ik-schiet-categorie waarin er zoveel voor kinderen verschijnt. Maar dat is iets te snel beoordeeld. Twee zaken vallen meteen op. Het boek is mooi geïllustreerd, óók door Alex Smith, en het is mooi uitgegeven, compliment voor de uitgeverij, die er een stevig, gebonden boek van maakte, in kleurendruk.
De Grompus zelf knalt je van de kerstkleurige voorkant tegemoet, met zijn lievelingsvoer tussen twee vingers geklemd: een spruit.
Wat ten tweede bij nadere kennismaking opvalt is dat er lekker ouderwets een duidelijke verteller aan het woord is, die niet schroomt om zich rechtstreeks tot de lezer te wenden, o.a. met hoofdstukbeschrijvingen als deze:

HOOFDSTUK 1 (OPNIEUW)

WAARIN WE OPNIEUW BEGINNEN EN JE NETJES WORDT VOORGESTELD AAN EEN BIJZONDER VREEMD WEZEN


Dat dan bovendien zo begint:

Heb je weleens gehoord van De Grompus?
Ik denk van niet, want er is maar één Grompus in de hele wereld. Hij heet eigenlijk Derek Grompus. Afgekort 'De Grompus'. Hoofdletter D voor De en hoofdletter G voor Grompus.

Heerlijk. Tegen alle moderne schrijfcursus-adviezen in. Alsof je bij de verteller op schoot zit - en dat zal met dit boek best vaak gebeuren.
 


De Grompus is een buitengewoon nors en eenzelvig wezen. Niet helemaal mens, niet helemaal dier, gekleed in een versleten wollen trui met afbeeldingen van spruiten. (En op p. 6, 14 en 19 een rode broek, maar die gaat verderop verloren.)
Er steken hoorns uit zijn hoofd en als hij zich opwindt komen er stoomwolkjes uit zijn oren. En hij heeft een stok bij zich, De Stok, waar hij tegen praat, of nou ja, vooral moppert en gromt.
 


Als Kerstmis nadert, wordt hij nog humeuriger, tot schrik van zijn stadsgenoten. Want aan Kerstmis heeft hij echt een geweldige hekel, al dat gedoe met cadeautjes en versieringen en zo. Hij gooit de kerstboom op het plein om, besluit dat er maar een eind aan Kerstmis moet komen en gaat op pad naar de Noordpool met het doel de kerstman en zijn slee vast te lijmen.
Dat loopt wat anders. Hoe, dat zal ik hier niet uit de doeken doen. Ergens in die bonk van een Grompus blijkt toch een gevoelig hartje te kloppen, dat ervoor zorgt dat hij zich op sleeptouw laat nemen door o.a. een lief, vrolijk konijn met een bril. Hieronder staat het bij zijn voet. (Dat die konijnenoren wat op mondjes of kutjes lijken, laat ik even voor wat het is.)
 

 
Het wordt een echt kerstverhaal.
 


Alex Smith maakt karikaturale tekeningen waar het vakmanschap en plezier vanaf spettert. Die maken het verhaal, samen met de op zich tamelijk gewone tekst. Wat me daarin opviel is dat de eerste hoofdstukken een wat andere toon hebben dan de laatste.
Als Grompus na het opstaan ontdekt dat zijn spruiten op zijn, ontvlamt hij aldus:
 
Hij sloot zijn ogen.
Hij haalde diep adem.
Toen ging hij VOLLEDIG UIT ZIJN DAK.
Hij schreeuwde en gromde en stampte en brulde.
Hij riep scheldwoorden die ik hier niet mag opschrijven (maar ik kan je vertellen dat 'kont' vaak voorkwam) en stormde tien minuten lang door de kamer. Uiteindelijk liet hij zich, met zijn gezicht naar beneden, op de grond vallen.
Zijn maag rommelde weer. Hij riep dat-ie stil moest zijn.
Geen spruitjes in huis was een RAMP.
De Grompus zuchtte. Hij moest boodschappen doen, en hij HAATTE boodschappen doen.
En als je denkt dat zijn humeur al slecht genoeg was...
Wacht dan maar eens af war er daarna gebeurde!
 
   HOOFDSTUK 4
 
  WAARIN EEN BOODSCHAPPENTOCHT NIET HELEMAAL VOLGENS PLAN VERLOOPT
 

De Grompus raasde de volgende minuten als een onweersbui door het huis, terwijl hij zich voorbereidde op zijn tocht naar de groentewinkel.
Hij ramde zijn voeten in zijn schoenen en schreeuwde van ergernis. Hij hield er niet van om veters los te maken en hij hield er niet van om ze weer te moeten strikken, dus duwde en wrong hij zijn voeten gewoon in zijn schoenen, waarbij hij vaak omviel. Hij pufte als een zwijn, ging weer staan en greep zijn trui.

Dat was op p. 19/20.
Op p. 144 is het 

'Dat konijn is een lastpak!' gromde De Grompus, terwijl hij de sneeuw uit zijn ogen veegde. En toch was hij hier, middenin de nacht in een sneeuwstorm, verwoed naar haar op zoek.
En toen werd het hem langzaam duidelijk. Donsbal was een irritant, ratelend bolletje vacht, en ze had inderdaad AL die vervelende dingen gedaan, maar ze had er ook voor gezorgd dat hij uit die boom werd gered. Ze had hem de weg gewezen, ze had warmte en onderdak voor hen gevonden en ze had het zelfs voor elkaar gekregen dat ze naar de Noordpool waren gevlogen om een missie te voltooien die ze niet helemaal begreep. Ze had al die dingen gedaan omdat... Waarom?
Hij dacht hard na.

Tot welk inzicht hij kwam, moet je zelf maar lezen. Het is een echt kerstverhaal.
 

Smith, Alex T. De Grompus en zijn gluiperige, gruwelijke kerstplan, vertaald uit het oorspronkelijke Noordpools door Alex T. Smith. En daarna in het Nederlands door Johanna Rijnbergen. Lemniscaat, 2023. ISBN 798 90 477 1572 6, 176 p. Oorspr.: The Grumpus and His Dastardly, Dreadful Christmas Plan. Macmillan, 2022.

dinsdag 21 november 2023

Neus, oren, vingers, tenen

Samen met je peuter onderzoeken wat er allemaal aan je lijf zit: het blijft leuk en wordt al eeuwen gedaan. Er bestaan versjes voor, van het aloude Duimelot tot het op een willekeurige onderwijswebsite aangetroffen zeer simpele

Dit zijn mijn wangen
Dit is mijn kin
Dit is mijn mond
Met tanden erin

Dit zijn mijn ogen
Mijn oren, mijn haar
Dit is mijn neus
En nu ben ik klaar

Melodie zelf te bedenken. Tekst anoniem of van 'juf Angélique'.
 
Er zijn ook boeken voor, zoals Het grote kijk- en voorleesboek voor rond de 2 jaar van Marianne Busser en Ron Schröder (Ploegsma, 2019) of Handjes in de lucht van Marcel Vaarmeijer (Luitingh-Sijthoff, 2020).
Het mag onbeduidend lijken, maar voor veel peuters is het naast een groot genoegen (aandacht!, geborgenheid!) ook een mooie kennismaking met boek en jawel, literatuur.
 
Afgelopen maand belandde Het neus, tenen en buik boek op de bespreektafel. Ook zo'n boek, de titel toont het al en de voorkant toont meteen dat de auteur er rekening mee heeft gehouden dat kinderen allerlei huidskleuren kunnen hebben. Dat geldt ook voor het binnenwerk.
 
 

Dat zal voor sommige ouders nog wat studie vergen, als ze echt helemaal nooit dit soort spelletjes hebben gedaan. Maar niet getreurd, het blijft best een aardig boek, juist door die veelkleurigheid.
 
 

Nicholls, Sally, en Gosla Herba. Het neus, tenen en buik boek. Vertaling Mino van der Lubbe. Gottmer, 2023. ISBN 798 90 257 7648 2, 28 p. Oorspr.: The Nose, Toes and Tummy Book, Andersen press, 2023.

vrijdag 10 november 2023

Voorlezen, beter lezen, doorlezen, blijven lezen

Misschien hanteert Stichting Lezen (NL) deze slogan al een tijdje, maar ik viste hem op uit een persbericht over weer een nieuwe poging om ergens collectief het lezen te bevorderen, namelijk het 'Leesoffensief "Heel MBO leest"'. 
Een mooie slogan, die de 'doorgaande lijn' in de leesbevordering zoals Stichting Lezen die ziet heel goed samenvat, hoewel 'Lees je nu, lees je later' ook wel goed bekt.

Citaat uit het persbericht:

Op 10 november 2023 lanceren Kennispunt MBO Taal en Rekenen (MBO Raad), Stichting Lezen en Mbo Taalacademie (ITTA) het Leesoffensief ‘Heel mbo leest!’ op het gelijknamige congres in Amersfoort. Heel mbo leest! is het landelijke initiatief om vrij lezen, leesmotivatie en leesbevordering op te nemen in het mbo-onderwijs. Doel van het leesoffensief: de taalontwikkeling van studenten extra stimuleren en daarmee schoolprestaties verbeteren en kansengelijkheid vergroten.

Het leesoffensief: net zo divers als het mbo-onderwijs
Om scholen op weg te helpen, publiceren Kennispunt MBO Taal en Rekenen (MBO Raad) en Stichting Lezen de Handreiking Leesoffensief –‘Heel mbo leest!. Voor het opstellen van de handreiking spraken zij met verschillende mbo-scholen en bibliotheken. De inspiratie, waardevolle tips én valkuilen die uit de gesprekken naar voren kwamen, staan in de praktijkvoorbeelden. Het leesoffensief blijkt net zo divers te zijn als het mbo-onderwijs zelf!
 
 
Over de handreiking:
 
De Handreiking Leesoffensief – ‘Heel mbo Leest!’ bevat praktische tips en handvatten om met lezen aan de slag te gaan. Vanwege de enorme diversiteit in het mbo-onderwijs en de wijze waarop het leesoffensief wordt vormgegeven, dient de handreiking gelezen te worden als een wegwijzer, want dé handreiking voor hét leesoffensief bestaat niet.
 
Nu maar hopen dat die handreiking voor de gemiddelde mbo-leraar al niet teveel lettertjes bevat. 
Het is eigenlijk bar droevig dat in zo'n handreiking het belang van leesvaardigheid moet worden verdedigd. Dat spreekt kennelijk niet meer vanzelf. Het gebeurt zo:
 
• Lezen is goed voor de taalontwikkeling, want:
◦ lezen vergroot de woordenschat
◦ het lezen van langere teksten geeft beter inzicht in de structuur van teksten
◦ het lezen van langere teksten leert studenten om verbanden te leggen

• Lezen verbetert schoolprestaties.

• Lezen vergroot het concentratievermogen.

• Lezen vergroot de kansen in de maatschappij, maar ook de kennis óver de maatschappij.

• Lezen vergroot het inlevingsvermogen en vermindert vooroordelen.

• Werkgevers hebben baat bij taalvaardige werknemers, omdat zij bijvoorbeeld:
◦ behoefte hebben aan personeel dat effectief kan communiceren en/of
◦ behoefte hebben aan personeel dat kan omgaan met veiligheidsvoorschriften of
instructies op de werkvloer.

• Mbo-studenten lopen het risico om onvoldoende geletterd de school te verlaten:
◦ aandacht voor lezen verkleint dit risico en werkt dus preventief

• Taalachterstanden veroorzaken problemen die vaak achteraf gerepareerd moeten worden
bijvoorbeeld via:
◦ taalhuizen, waar taallessen worden gegeven aan mensen die moeite hebben met
lezen en schrijven
◦ schuldhulpverleningstrajecten, omdat mensen met een taalachterstand vaker
schulden hebben

• De mate van geletterdheid houdt verband met gezondheid en levensverwachting


Terzijde: werknemers hebben ook wel baat bij taalvaardige werkgevers. 

Terecht wordt in de handreiking gepleit voor adequate aanwezigheid van boeken op school, in de vorm van een eigen bibliotheek of collecties van de openbare bibliotheek. 
Over de vraag welk leesgoed zou moeten worden aangeboden is echter niets te vinden. Dat antwoord moeten kennelijk andere experts leveren, te vermoeden valt dat ook hier zwaar geleund wordt op de openbare bibliotheek. Gelukkig heeft die net weer wat financiële ondersteuning gekregen van de Nederlandse regering.
Voor een ander verschijnsel in het mbo is wel aandacht, maar heel gering: dat veel mbo-studenten sowieso slecht kunnen lezen en dus nog iets in te halen hebben voordat ze aan een boek beginnen. Hiervoor wordt verwezen naar de Handreiking taalbeleid in het mbo van het Kennispunt MBO Taal en Rekenen.

donderdag 9 november 2023

Kinderen kiezen

Op 22 november dit jaar zijn er verkiezingen voor de Tweede Kamer van het Nederlandse parlement. Ieder die 18 jaar of ouder is, de Nederlandse nationaliteit heeft en niet veroordeeld is wegens valsemunterij of soortgelijke misdrijven mag een stem uitbrengen. 
 
 
Om zijn jongere lezers voor de verkiezingen te interesseren heeft het tijdschrift Kidsweek een Kieswijzer gemaakt.
 
De Tweede Kamerverkiezingen komen eraan! Wat vind jij van een smartphone-verbod in de klas? En hoe moet Nederland omgaan met de wolf?
 
Deze Kieswijzer 'bedoeld voor kinderen van 8 tot 13 jaar', maar voor het invullen doet dat er niet toe. Heel leuk, iedereen kan hem invullen, ik ook. Heb aan het eind naar waarheid mijn leeftijd ingevuld, maar toen ik de tweede keer '10' had ingevuld, ging het ook. Grappig, kwam beide keren bij Denk uit, vermoedelijk doordat ik zo gul was om 'mee eens' in te vullen bij de stelling dat vluchtelingen hier mogen blijven als het in hun land van herkomst weer 'veilig' is, en er geen vraag over abortus of vrijen buiten het huwelijk bijzat. Dat soort vragen vindt de Kidsweek-redactie wellicht niet geschikt voor de doelgroep. Voor de goede orde: ik ga niet op Denk stemmen.

Op 22 november mogen abonnees of iedereen ook een stem uitbrengen via Kidsweek. Laat ik nou stiekem vermoeden dat ook dan iedereen mee kan doen... Daar zijn risico's aan verbonden.

PS d.d. 20-11: de meeste Kidsweek-lezers stemmen GroenLinks. Zoals het bericht luidde: 'De standpunten van GroenLinks-PvdA passen het best bij de mening van kinderen van 7 tot 13 jaar. Dat blijkt uit een analyse van de Kidsweek Kieswijzer, die tot nu toe ruim 37.000 keer is ingevuld.'
PS d.d. 24-11. 'De mening van kinderen van 7 tot 13 jaar past het best bij de politieke partij GroenLinks-PvdA. Dat blijkt uit de resultaten van de Kidsweek Kieswijzer, die al tienduizenden keren is ingevuld.' Dat is dan een iets andere voorkeur dan die uit andere peilingen onder jongeren blijkt...

dinsdag 31 oktober 2023

Heel lang geleden...

was er eens een meisje. Ze heette Atta en was een Mengelmeisje van elf jaar oud. Ze raakte weg van huis en haard en na een lang verblijf bij de Neanders kwam ze weer thuis. 
Dat is de kern van dit verhaal door Jolien Janzing, met enkele soms paginagrote, sfeervolle illustraties door Linda Faas, met onder andere, heel fijn, een kaart op de schutbladen. 'Een vrolijk prehistorisch avontuur over een heerlijk eigenwijs meisje'. noemt de auteur het op haar website. Jolien Janzing prijst zichzelf graag aan, getuige haar Instagram-account, X-account en haar eigen website, waarop ze vermeld citaat vervolgt met

Jolien Janzing maakte naam met haar historische romans voor volwassenen. Nu zet ze de stap naar de jeugdliteratuur – met verve!

Atta is een kind – krachtig, impulsief en nieuwsgierig naar de wereld – dat je direct in je hart sluit. Haar spannende, humoristische avontuur was illlustrator Linde Faas op het lijf geschreven. Het resultaat is een boek dat nu al niet meer weg te denken is uit de kinderliteratuur!


Oef. 
In ieder geval geen tekst bedoeld voor haar veronderstelde lezers - kinderen. Eerder een meme, nou ja, zeg maar cliché, uit marketingkokers. Atta is met groot gemak 'weg te denken' uit de jeugdliteratuur. Humoristisch vind ik het niet en of ik Atta 'direct in mijn hart sluit', laat ik graag in het midden.
Spannend is het voor de bedoelde lezers van 10 à 12 jaar vast wel en ja, Atta is wel te omschrijven als 'krachtig, impulsief en nieuwsgierig naar de wereld'.

De intro is niet slecht:

  


En het kaartje mag er zijn:



In deze context speelt het verhaal zich af. Tijd: 'oertijd'. Plaats: zie kaart. Verfrissend dat er geen enkel verband wordt gelegd met wat er bekend wordt verondersteld over hoe mensen in de 'oertijd' leefden. Het is een levendig en spannend fantasieverhaal dat zich in een verzonnen oude wereld afspeelt en dat is op zich genoeg.
 
Maar de volwassen lezer die wel eens iets heeft gelezen over heel oude tijden legt natuurlijk verband tussen Neanders en Neanderthalers, vooral als op p. 49 over de Neanderjongen Noz staat:

Hoewel hij niet zo groot was als Wildo, schatte ze dat hij ongeveer even oud moest zijn. Zijn voorhoofd was laag en zijn wenkbrauwen staken net als bij Omoe uit als een overhangende rots.

Dat is hoe Neanderthalers doorgaans worden afgebeeld. 
Deze Neanders zijn voorzien van een krom taaltje.
Als Atta na een gevecht met een mammoet is afgedwaald van de jagersgroep en na een bange nacht en een aanvaring met een leeuw wordt gevonden door Noz en vervolgens terecht komt bij zijn clan, roept opperhoofd Dottie

'Jij wondermeissie! Leeuwie slecht, leeuwie boos. Mie haat leeuwies!' Ze pakte Atta stevig bij haar pols. 'Kom mee, schattie. Jij niet bang.'

Tot zover even dit verhaal.

Want deze poging om een verhaal te plaatsen in de begintijd van het mensdom deed me onmiddellijk denken aan een ander verhaal, The Kin van Peter Dickinson, dat monumentale Britse kinderboek uit 1998, dat in 1999 in een Nederlandse vertaling door Nan Lenders, Kinderen van de Maanvalk, bij Gottmer verscheen.The Kin is nog steeds in de handel, ook als e-boek, de vertaling is alleen tweedehands verkrijgbaar.
Kinderen van de Maanvalk is een lang verhaal, eigenlijk een bundel van vier verhalen, met vijf hoofdpersonen, dat zich afspeelt in 'Afrika, zo'n tweehonderdduizend jaar geleden'.

De eerste moderne mens heeft zich ontwikkeld. Er zijn nog andere mensen op de wereld, eerdere menselijke soorten, maar deze zijn de eerste Homo sapiens sapiens, de soort waartoe iedereen ter wereld tegenwoordig behoort. Zijn zijn waarschijnlijk de eerste mensen die taal gebruiken. Zij kunnen spreken.
Aanvankelijk zijn er nog erg weinig van deze nieuwe mensen, maar ze zijn slim en sterk en het gaat hun goed. Hun aantal groeit, dus moeten ze zich verspreiden en nieuwe gebieden zoeken waar ze kunnen wonen. Die verspreiding gebeurt golfsgewijs, met lange perioden ertussen. Dit boek gaat over zo'n groep van deze mensen, de stam van de Maanvalk, net nadat zo'n golfbeweging is begonnen. Ze zijn gedwongen om de gebieden waar ze sinds mensenheugenis geleefd hebben te verlaten en op zoek te gaan naar nieuwe leefgebieden.

Een citaat uit de uitvoerige inleiding, 'Voor je begint te lezen', die in ieder geval een duidelijke achtergrond schetst. Des te verrassender is de volgende alinea:

Ik heb vrijwel alles verzonnen. De echte mensen die in die tijd leefden hebben erg weinig sporen achtergelaten - de stenen werktuigen die ze maakten, fossielen van hun eigen botten en de botten an de dieren die ze aten, de as van hun vuren, enzovoort. Wat waren ze voor mensen? Hoe leefden ze? Zelfs de deskundigen kunnen er alleen maar naar gissen, met behulp van hun fantasie en de weinige feiten die bekend zijn. En dat heb ik dus ook gedaan.

Het resultaat is indrukwekkend.
Voor enig begrip van de opbouw in vier verhalen bleek het nuttig het uitgebreide commentaar van Peter Dickinson te lezen. Daaruit blijkt dat hij oorspronkelijk uit geldnood begon aan een veel kleiner verhaal, dat uiteindelijk uitmondde in het eerste verhaal in dit werk, 'Het verhaal van Suth'. Maar hij werd al schrijvende zo gegrepen door de mogelijkheden die zich ontvouwden dat hij er drie bijschreef, het laatste, 'Het verhaal van Mana', in zes weken. Dat was naar de zin van de redacteur bij zijn Britse uitgever: zij vond meteen dat het één groot boek moest worden. Het kwam terecht op de shortlist van de Carnegie Medal for Writing, een toonaangevende Britse bekroning van jeugdliteratuur.

Er is een groep van vijf kinderen en jongvolwassenen die zich losmaakt van een zwervende groep om enkele jongere kinderen te redden die waren achtergelaten. Ze vinden die kleine kinderen en trekken samen door, echter een andere kant op als de grote groep. Ze lijden nogal wat ontberingen maar weten zich in leven te houden en komen onderweg mensachtigen tegen die er anders uitzien en op mensen lijken maar niet kunnen spreken. Ze communiceren onderling met geluiden, grommen, kreten en zo en blijken redelijk vredelievend en geneigd tot samenwerking. Menselijk genoeg om zich ook met de kinderen te kunnen verstaan en vice versa en samen weten ze het te rooien in een vruchtbare vallei.
Eén van de niet-sprekers trekt zelfs met de groep mee, nadat een aardbeving hun vallei verwoest. Daarbij komen ze weer nieuwe stammen tegen, zoals de 'vismensen', die in het moeras wonen. Op een gegeven moment moeten ze zich ook verweren tegen andere, veel agressievere mensen, die er niet voor terugdeinzen om te doden en die ze de demonmannen noemen.
Dit is een wel heel erg korte samenvatting van de vier verhalen, die elkaar opvolgen en zo samen toch één verhaal vormen, dat een flinke periode omspant: de oudsten worden volwassen, de jongere kinderen pubers, de baby's kinderen. De niet-sprekende man trouwt met een van de jonge vrouwen (Mana) en ze krijgen een kind, dat, zo blijkt na een jaar of wat, tot hun vreugde kan spreken.
Zo'n korte samenvatting doet geen recht aan de diepte van dit verhaal, waarin dood en leven langskomen, zwak en sterk, omgaan met gehandicapte stamgenoten (Tinu, de vijfde hoofdpersoon), liefde en verlies, goed en kwaad. En waarin ook nog eens, in korte verhalen tussendoor, mythen worden verteld van die eerste mensen, verhalen in verhalen dus, even fictief als inventief en geloofwaardig.

Onbegrijpelijk of niet, ik citeer de laatste alinea's.

Noli legde haar steen neer, kwam naar haar toe en pakte haar hand vast.
'Mana', zei ze. 'Okern is mens. Op een dag kiest hij. Kijk maar naar Goma. Zij is goed, goed. Ze zegt bij zichzelf: Dit is goed. Ik doe het. Dit is slecht. Ik doe het niet. Daar heeft ze geen woorden voor nodig. Ze is mens.'
'Mana, goed is een woord. Slecht is een woord. Maar het is meer, meer. Het is... ik weet niet wat het is, maar het is iets van mensen.'
Mana keek naar Okern. Ja, hij was mens, dacht ze. En Noli had gelijk. Ze herinnerde zich de plotselinge woede die in haar was opgekomen op de Plaats Waarover Niet Gesproken Werd, bij de gedachte dat de demonmannen hadden gekozen om te zijn wat ze waren. Die woede was van Maanvalk gekomen, dacht ze. Die woede had gemaakt dat ze de oude demonman getrotseerd had en zich luidkeels tegen hem verzet had.
Ja, goed of slecht ... of hij nu de waarheid zou weten over zijn eigen ouders of niet ... op een dag zou Okern kiezen.
Dat was iets van mensen.

Wat in deze verhalen met de spraak van de personages gebeurt is fascinerend. Die is niet krom, niet ongrammaticaal, maar wel eenvoudig, met korte zinnen.
Vooruit, nog een citaatje (p. 506), uit een overleg na het vinden van een dood kind en een vrouw die zich verborgen had:

'Ik zeg dit,' zei Chogi ten slotte. 'Haar huid is zwart. De huid van de demonmannen is donker, als die van ons. De huid van de jongen is donkerder. Een demonman nam deze vrouw. Hij was de vader. De jongen is haar zoon. Ze wil hem niet. Maar hij is haar zoon.'
'Dit is verdrietig, verdrietig,' zei Bodi.

Dat is een heel andere manier om met verzonnen spreektrant om te gaan als die in Atta.
Daar spreken de Mengelmensen, tot wie Atta hoort, gewoon modern Nederlands en de Neanders krom. Waarmee ik weer terugkeer naar het eerstgenoemde boek, dat in dezelfde tijd zou kunnen spelen. De 'oertijd', jawel...
Het sterkste van Atta is de episode die beschrijft hoe Atta, omdat ze niet als de andere meisjes en vrouwen bessen en knollen wil zoeken, met haar broer en anderen op jacht gaat. Die moeten haar wel meenemen, want ze zijn al te ver om haar terug te sturen. Ze raken slaags met een forse mammoet en Atta raakt na hard wegrennen verdwaald. Ze maakt een bange nacht door, wordt 's ochtends ook nog belaagd door een leeuw, verweert zich met haar speer maar valt in katzwijm en als ze bijkomt blijkt de leeuw dood en even later komt die Neanderjongen op de proppen, die haar over zijn schouder slingert en meeneemt. 
Waar het me om gaat is de twijfel van Atta, aldus beschreven:

Er zijn van die momenten in een mensenleven dat je op het punt staat iets te doen waarvan je weet dat het heel fout kan aflopen. Als ze nu terugkeerde, kon ze haar moeder en de andere vrouwen vast nog vinden. Maar als ze doorliep, moest ze haar plan om de mannen in te halen doorzetten.

Dat laatste doet ze. Maar van wie is nu die gedachte in de eerst geciteerde zin: van Atta of de verteller?
Over haar besluit denkt ze in de volgende episodes nauwelijks na en dat vind ik een gemiste kans op wat diepgang.
Ze is druk bezig met de zeden en gewoontes van de Neanders. Ze willen haar eigenlijk houden, als vervanging van een gestorven meisje, maar ze weet te ontsnappen en komt uiteindelijk in een scène die ongetwijfeld veel lezers zal ontroeren haar clan weer tegen. Ook deze samenvatting doet het verhaal te kort, het is rijk aan details. Ik meld er een paar: Atta heeft een tamme wolf als huisdier, bij de Neanders huist een tamme sabeltandtijger. Die wolf brengt Atta op het spoor naar huis. De jongen die Atta vond heet Noz en wil eigenlijk met haar trouwen, maar Atta wil liever haar huis, waar ze al iemand op het oog heeft. Noz is zo edelmoedig om haar daarbij te helpen in plaats van te mokken. En Atta komt onderweg ook nog in een grot waarop de wanden prachtige tekeningen van dieren staan, mooi geschilderd door Linde Faas (p. 130) ... toch weer een verwijzing naar onze eigen wereld en de sporen van vroeger, laten we zeggen de grotten van Lascaux. Wel wat toevallig, net als zo'n panorama zoals zich dat op p. 120 ontvouwt, dierentuin-achtig, als een soort ouderwetse schoolplaat.

De Neanders klommen de helling op. Daarbeneden lag een prachtige vallei vol dieren. Ze hadden het Land over Zee bereikt. Atta's mond viel open van verbazing. Er liep een kudde bizons en er waren reuzenelanden en reuzenherten, een aantal mammoetmoeders met hun jongen en een volledige familie bosneushoorns. De dieren kwamen drinken aan een helderblauwe vijver en van bovenaf kon je in het hoge gras een paar sabeltandtijgers zien sluipen.

Nou ja, afijn. Kon Atta al weten dat die elanden en herten zo reusachtig waren? 

Kortom, niks mis met Atta, geen topper, beetje gewoontjes van stijl, plusjes en minnetjes maar verder best een onderhoudend boek. Peter Dickinson stijgt daar met zijn Kinderen van de Maanvalk ver boven uit en verdient het opnieuw op de markt te worden gebracht. 
En die vergelijking ligt voor de hand doordat beide verhalen zo ver terug in het verleden zijn geplaatst.
 
   

Janzing, Jolien. Atta. Met illustraties van Linde Faas. Lemniscaat, 2023. ISBN 978 90 477 1489 7, 140 p.
Dickinson, Peter. Kinderen van de Maanvalk. Illustraties: Saskia Masselink. Vertaling: Nan Lenders. Gottmer, 1999. ISBN 90 257 3137 6, 540 p. Oorspr.: The Kin, Macmillan Children's Books, 1998.