Zoeken in deze blog

donderdag 18 november 2021

Ive en Evi

Tiener Ive gaat met tegenzin met haar ouders op vakantie naar een Waddeneiland. 
Op weg naar de veerboot met haar vader (moeder komt een dag later) in zijn oude auto vindt een verkeersongeluk plaats, waarbij ze door de voorruit op de motorkap belandt. Dat levert haar een hersenschudding op en een gezicht vol wondjes door het versplinterde glas en (blijkt later) een splinter in haar linkeroog.
Op het eiland blijkt dat haar vader en moeder onderling het een en ander uit te zoeken hebben en dat zit Ive dwars, net als de gevolgen van het ongeluk. Een op raadselachtig wijze verschijnende en verdwijnende, zeer onafhankelijke vriendin Evi neemt haar onder de hoede en stelt haar voor uitdagingen (‘truth or dare’).

Zoals altijd wanneer een auteur besluit dat de hoofdpersoon de verteller van het verhaal is, vergt het enige suspense of disbelief en goede wil om te aanvaarden dat die hoofdpersoon zo welbespraakt is en haar woorden zo vaardig weet te kiezen. Daarbij helpt dat veel auteurs dit procédé gebruiken. We zijn er als lezer aan gewend, aan ‘ik-verhalen’, zoals veel recensenten ze noemen.
Anne van Praag doet dat regelmatig en heeft met haar veertienjarige Ive in Noorderlicht weer zo’n verteller geschapen. Ik gaf me als lezer wel gewonnen, ook al is Ive’s vertelstijl niet geheel conform de gemiddelde spreektrant van een veertienjarig meisje dat vooral houdt van voetbal en erg bezig is met wat anderen van haar vinden. Er zit gelukkig weinig jongerentaal in, ondanks een enkel zinnetje als (p. 22)

Die klap fuckt met mijn hersenen, dat is wel duidelijk.

Of uithalen als deze, één bladzijde verder:

O nee, het is de Uniheks, is ze ons gevolgd? Mama heeft gelijk, dat wijf is echt overal.

Maar dan volgt:

Maar nee, deze Uniheks werkt bij de VVV, het kantoor dat op het eiland volgens mijn vader ‘alles maar dan ook alles’ regelt voor toeristen. De vrouw heeft net zo’n gepoederd huidje en perfecte make-up als de echte Uniheks. Net zulk steil haar ook.

Geen tienertaal, wel soepel geformuleerd, maar zo’n toevoeging over ‘het kantoor’ is duidelijk bedoeld als extra uitleg voor lezers. Zoiets strookt niet met de aard van de verteller, maar hier kan het want het preludeert op volgende observaties over deze ‘Uniheks de Tweede’ en haar vader.
Die soepele formulering geldt de hele roman. Het mag dan niet de typische stijl zijn van een veertienjarig meisje, het laar zich wel lekker vlot lezen en haar perspectief wordt consequent volgehouden.
Ik zal het citaat van hierboven nog even vervolgen om daarvan een staaltje te tonen:

‘Een vader en een dochter, dat kan niet missen.’ Uniheks de Tweede gaat tussen mij en mijn vader in staan. ‘Hoi, ik ben Maud.’
Ik knipper met mijn ogen, weinig licht daar op die kade.
‘Wat fijn dat je er bent, Maud,’ slijmt mijn vader.
‘Natuurlijk, joh. Wast zullen jullie geschrokken zijn.’ Maud gluurt naar al mijn pleisters. ‘Gaat het met al die tassen? Mijn auto staat daar.’


In dat perspectief gaat het dus verder. Heel consequent en het maakt vereenzelviging met de verteller makkelijk, maar het ontneemt ons helaas de mogelijkheid om meer te horen over de innerlijke roerselen van vader en moeder dan wat uit de observaties van Ive moet blijken. 
Heel veel oog heeft die daar niet voor, hetgeen past bij een gemiddeld veertienjarig meisje. Wel heeft Ive pijlsnel door dat die Maud haar papa wel érg aardig lijkt te vinden – en ze blijkt ook nog eens een vrouw alleen, zij het met kinderen. Net een scheiding achter de rug…
Dit soort geflirt van papa en mama met anderen dan elkaar, dat kan Ive slecht hebben.
Uniheks, overigens, is de benaming door haar moeder van papa’s secretaresse op de universiteit.

Sowieso is scheiding een thema, want het botert niet tussen papa en mama. Deze vakantie in een huisje op een Waddeneiland (welk wordt niet genoemd) is zíjn idee, mama komt een dag later omdat ze nog iets te doen heeft in het hondenasiel, en eigenlijk komt ze vooral om haar oude vriendin Clara te zien, die op het eiland een manege heeft, en zorg voor paarden combineert met zorg voor verstandelijk gehandicapte kinderen. Mama blijkt zich zeer hier zeer op haar plaats te voelen. Papa en mama gaan hun eigen gang, vooral mama, en Ive tracht ze zonder succes tot elkaar te brengen. Hoe zorgzaam papa ook is, ze moet zich vooral zelf vermaken en dat valt niet mee. Het regent continu, het ietwat aftandse huisje ligt afgelegen.
Ze heeft echter Evi ontmoet, heel raadselachtig want die dook op pal na het ongeluk, terwijl ze nog bij lag te komen op de motorkap. Evi komt haar vaag bekend voor, maar ze weet niet hoe & wat. Een bleek, zwartharig, sportief meisje, dat zegt in haar eentje in de jeugdherberg te wonen, graag rent en zwemt, ook paard kan rijden, ja, ze kan eigenlijk alles, moeiteloos en heel zelfstandig. Met haar doet ze ‘truth or dare’-spelletjes, waarbij Evi altijd voor dare kiest.
In de apotheose verdwijnt Evi op even raadselachtige wijze. Dat verdient toelichting.

Maar eerst die apotheose.
Daar wordt op behoorlijke wijze naartoe gewerkt. De opbouw van dit verhaal is in orde.
Tot het programma hoort wadlopen, op de laatste vakantiedag, en papa heeft een verrassing. Dat wadlopen vindt ‘s avonds plaats, met een heldere sterrenhemel, en papa heeft uitgedokterd dat er dan ook kans is op noorderlicht. Als dat uitkomt is Ive aanvankelijk boos, want haar was ooit een reis naar Lapland beloofd om dat noorderlicht te zien. Ze trekt zich terug en laat zich door Evi meevoeren en bijna overhalen door een geul naar een andere zandbank te lopen. Als het water wel erg hoog komt, wordt ze bang, ze wil terug. Evi laat haar in de steek en zwemt verder. Ive ploetert door het water terug en wordt gered doordat men haar met een bootje is gaan zoeken.
In detail gaat dat zo dat ze eerst het bootje hoort en de stem van excursieleider Stanley die roept dat ze nog even een omweg moeten maken om bij haar te komen. Dan gaat Ive bijna kopje onder en

Mijn hele lichaam bibbert en mijn oog doet gloeiend veel pijn, ik zie ineens weer overal lichtflitsen. Of is het toch het noorderlicht? Laserstralen die over me heen schieten, een lucht die alle kleuren heeft behalve die hij moet zijn: zwart. Ik kijk nog één keer naar het bootje en het lijkt alsof er zich een schim van losmaakt. Het volgende dat ik zie is dat het bootje oplost in het donker.
‘Hallo Ive,’ zegt Evi.
Ik weet dat ik niet moet dromen nu, dat ik moet blijven watertrappelen, mezelf helpen met filmpjes in mijn hoofd. Het is het een of het ander: anders zink ik. Maar Evi staat ineens zo mooi in het midden van het Noorderlicht. Haar haar is niet meer zwartgeverfd, juist spierwit als een interessante pruik. Het past mooi bij het wit van haar huid, en haar ogen… ‘Daar ben ik weer, Ive, ik zei het toch? Als je me nodig hebt, dan ben ik er gewoon.’Evi heeft ineens ook witte kleren aan, net als de sneeuwkoningin, maar dan jong en onweerstaanbaar. Achter Evi wervelt de lucht in de meest prachtige kleuren als een omgevallen verfdoos. Alles tinkelt en tovert, het lijkt op vloeibare muziek, als zoiets kan.
Evi lacht om die gedachte met haar allerzachtste gezicht. Haar ogen zijn dus tunnels, je zou erin kunnen verdwijnen, niets dan licht en lucht. Ik strek mijn hand uit.
En het is licht en lucht. Inderdaad. Het besef is er onmiddellijk: niets dan licht en lucht, mijn hand gaat er dwars doorheen. Met een klap terug in het ijskoude water en mijn oog prikt erger dan ooit.


Dan duikt ineens papa op. Die neemt haar de laatste meters op zijn rug. En dan is ze gered en komen ze gedrieën bij in het huisje, dekens om zich heen, en op een bepaald moment moet ze zo hard huilen dat de splinter uit haar oog schiet.
Eind goed al goed, papa en mama vinden een manier om zonder ruzie hun leven in te richten met plaats voor Ive.

De raadselachtige vriendin Evi: draai de letters om en er staat Ive. Het blijft onbenoemd in het verhaal, er is bij vertrek zelfs nog een kiter (met knalgeel haar) die naar haar zwaait en Ive denkt (p. 186, vijfde alinea voor het eind) dat ‘ze haar vast nog wel eens gaat tegenkomen, zoals dat gaat met goede vrienden’, maar voor de aandachtige lezer kan ze een soort alter ego zijn van Ive, de kant van Evi die haar ertoe zet om haar grenzen te verkennen.
Dat is een verteltruc die hier goed werkt en Ive’s tweestrijd beter uitbeeldt dan wanneer ze het als verteller zelf onder woorden had moeten brengen. Het verhaal krijgt er iets verrassends door. Anderzijds is Evi’s optreden in deze cruciale scène tweeslachtig: lokt ze Ive de dood in? Of wekt ze op tot actie? Wat bedoelt ze met ‘Als je me nodig hebt, dan ben ik er gewoon’?

Dat laatste citaat toont ook de zwakke kant van deze vorm van vertellen. Ive ligt in paniek in het koude water en is toch in staat om dat als een verslaggever allemaal weer te geven, inclusief beeldspraak en associaties (laserstralen, interessante pruik, sneeuwkoningin, omgevallen verfdoos, vloeibare muziek, ‘als zoiets kan’, ogen als tunnels). Dat vergt wel véél suspense of disbelief… Eigenlijk moet je op zo’n moment vergeten dat het verhaal verteld wordt en het als in een film voor ogen zien.
Film is trouwens een subthema in het verhaal. Ive vertelt in het begin dat ze vaak ‘filmpjes’ ziet in haar hoofd en heeft als project voor school besloten een film te maken over haar vader en zijn werk, en op p. 179 memoreert ze:

Als er die nacht een filmploeg met een drone in de buurt zou zijn geweest, hadden ze mooie shots kunnen maken vanuit de maanloze lucht.

[…]

Daar waar de weg ophoudt staat nog één allerlaatste huisje en daarbinnen brandt wel degelijk licht.

[…

Het meisje heeft iets op het puntje van haar vinder: het is heel klein, maar het glinstert opvallend fel in de oplichtende gloed van het vuur. Zij en haar ouders kijken ernaar, brengen het dicht bij hun gezicht alsof het een kostbare diamant is. Ze schudden hun hoofden, lachen een beetje. En dan ineens, alsof ze er alweer genoeg van heeft, schiet het meisje het fonkelende dingetje weg, paf, zo in de haard voor zich waarin de vlammen nog steeds hoog oplaaien.

Het lijkt wel alsof de auteur hier een hulpmiddel heeft toegepast omdat ze er niet op vertrouwt dat haar verteller dit ook zonder dit filmbeeld levendig genoeg had kunnen vertellen. Dramatisch slotbeeld!
Alleen is het geen slotbeeld, want er volgt nog een laatste hoofdstuk om mogelijke ‘en toen, en toen’-vragen van lezers tegemoet te komen, ik noem het maar het eind-goed-al-goed-hoofdstuk. Voor veel jonge lezers wellicht bevredigend, maar verhaaltechnisch minder sterk.

Noorderlicht is door zulke zwakke puntjes niet het meesterwerk dat ver uitstijgt boven het gemiddelde corpus jeugdliteratuur, maar wel degelijk vakwerk, dat het predicaat goede (jeugd)literatuur mag krijgen.
 
 
Praag, Anna van. Noorderlicht. Lemniscaat, 2021. ISBN 978 90 477 1253 4, 188 p.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten