Zoeken in deze blog

maandag 3 september 2018

De stem en de schrijver

In mijn besprekingen wijs ik graag op de stem van de verteller. En dat de verteller van het verhaal (of het gedicht) niet vereenzelvigd moet worden met de schrijver, de naam die op het boek staat.
Dat kan soms wat kunstmatig zijn, maar is alleen al van belang omdat de schrijver verder leeft, en de verteller niet. Die blijft zoals-ie in dat ene kunstwerk is, gestold als het ware, tot het kunstwerk zo oud is dat er een bewerker opduikt, of tot er een vertaler opduikt die aan die stem een eigen accent geeft.

Daarom was ik blij met de column van Niña Weijers in De Groene Amsterdammer 30-8-2018 (p. 50).
Zoals het een columnist betaamt in het geheel niet wetenschappelijk, maar persoonlijk en treffend.
Ik ga die column hier niet reproduceren. Een citaat:

Mijn buitenkantleven is klein, en wat er zich aan de binnenkant afspeelt, daar valt verder niet over te praten (Baldwin: ‘I doubt whether anyone – myself at least – knows how to talk about writing’). Hoewel er op heel veel momenten ook schrikbarend weinig aan de binnenkant gebeurt. Soms lijkt mijn toestand op de zin waarmee een criticus destijds Becketts Waiting for Godot samenvatte: ‘Nothing happens, twice.’ Al was dat, volgens die criticus, iets positiefs.
Schrijven is niet moeilijk omdat een plot ingewikkeld is of een spanningsboog of dialogen of perspectiefwisselingen. Het is moeilijk vanwege dat spanningsveld tussen wel en niet willen weten. Intuïtie en intellect moeten ergens samenkomen op het papier, terwijl ze eigenlijk met elkaar in conflict zijn. Je moet zoeken naar een stem die alleen kan bestaan door er niet naar te zoeken, en alles wat ertoe doet bevindt zich ergens onder de bodem (Fitzgerald: ‘All good writing is swimming under water and holding your breath’). 
Wie dat niet meteen begrijpt, raad ik aan de column in zijn geheel te lezen.
De aanleiding was het verzoek om een lezing te geven over haar literatuuropvatting. Dat ging haar niet makkelijk af:

Aan Baldwin moest ik denken toen ik de afgelopen dagen schreef aan een lezing die moest gaan over mijn literatuuropvatting. Of ja, schreef – veruit de meeste energie ging op aan verzet tegen het schrijven. Het is leuk, en soms zelfs belangrijk (voor jezelf; de wereld heeft er verder weinig aan), om na te denken over wat literatuur wel en niet moet zijn, maar niet als je een boek aan het schrijven bent. Hoe hooggestemd je idealen ook zijn: als je een boek schrijft kun je helemaal niet bezig zijn met die idealen. Die komen na afloop weer, en vormen zich hooguit naar het boek dat je net hebt geschreven.

Heel treffend. In haar column komt dat laatste stukje tekst overigens vóór het eerstgeciteerde.


zaterdag 1 september 2018

Fabeldieren en waar ze te vinden

Eind 2017 ontving ik op eigen verzoek het kleine boekje Fabeldieren en waar ze te vinden. Op de voorkant staat: J.R. Rowling, Fabeldieren en waar ze te vinden, door Newt Scamander. Op de titelpagina staat: Fabeldieren en waar ze te vinden, Newt Scamander, alias J.K. Rowling, vertaling Wiebe Buddingh'. Onder het 'Voorwoord van de schrijver (alleen bedoeld voor de 'Voor Tovenaars'-editie)' staat Newt Scamander. En ook:

In 2001 verscheen er een speciaal voor Dreuzellezers bestemde herdruk van de eerste editie van mijn boek Fabeldieren en Waar Ze Te Vinden. Het Ministerie van Toverkunst had met die unieke herdruk ingestemd om geld in te zamelen voor Comic Relief, een welbekend goed doel onder Dreuzels. 
[...]
Professor Albus Perkamentus toonde zich bereid een voorwoord te schrijven [...].

En de Inleiding start met

Over dit boek
Fabeldieren en Waar Ze Te Vinden is het resultaat van narstig onderzoek en vele lange reizen. Als ik terugkijk in de tijd, naar die zevenjarige tovenaar die op zijn slaapkamer uren bezig was om Horklumps in stukken te snijden, ben ik jaloers bij de gedachte aan de reizen die hem nog te wachten staan.

Terwijl 'Over de auteur'  achterin gaat over Newt Scamander...
Mystificatie alom. Harry Potter-lezers kunnen de naam Newt Scamander natuurlijk thuisbrengen als een personage uit die verhalen. Niks alias dus, gewoon een product van de rijke verbeelding van J.K. (Joanne) Rowling. Zie ook hier.
En ja, het boek verscheen al in 2001, zoals uitgeverij De Harmonie in het colofon ook netjes vermeldt. De uitgave van 2017 is wel een herziene druk. Om te zien wat er veranderd is ten opzichte van 2001, zou ik die uitgave moeten hebben, en die heb ik niet. Het zal niet veel zijn, misschien alleen het voorwoord.

Het meest amusante deel van dit boek vind ik niet de 'Fabeldieren van A tot Z', hoe fantasierijk ook, maar de verhandeling onder de titel 'Wat is een dier?', waarbij we al snel belanden bij de tweedeling wezen en dier. Een wezen kan aanspraak maken op rechten en een stem in het bestuur van de magische wereld.
Niet eenvoudig!

Iedereen kent de extremisten die actie voeren om Dreuzels tot 'dieren' te laten verklaren; iedereen weet dat de centauren de status van 'wezen' hebben geweigerd en verzocht hebben om 'dier'  te mogen blijven.

Of:

Verscheidene hoogst intelligente schepsels worden als 'dier' gekwalificeerd omdat ze niet in staat zijn hun eigen brute inborst te overwinnen. Acromantula's en Mantichora's zijn intelligent en kunnen spreken, maar proberen wel elk mens dat in hun buurt komt te verslinden.

Alle dieren en wezens zijn dus schepsels en naast dieren en wezens zijn er dus kennelijk ook mensen, waaronder, ondanks die extremisten, Dreuzels. Of mensen zijn ook wezens, dat is me niet duidelijk. Dreuzels en fabeldieren (fantastic beasts) gaan niet goed samen en tovenaars hebben daar veel werk aan.

De hulp van het Departement van Mystificatie wordt uitsluitend ingeroepen bij ernstige tovenaar-Dreuzelconflicten. Sommige magische catastrofes of ongelukken zijn zo verschrikkelijk opvallend dat Dreuzels alleen om de tuin geleid kunnen worden met behulp van gezag van buitenaf. In zo'n geval neemt het Ministerie van Mystificatie rechtstreeks contact op met de Dreuzelpremier, om een plausibele en niet-magische verklaring te zoeken voor de gebeurtenis. De onophoudelijke inzet van dit departement bij hun pogingen om alle Dreuzels ervan te overtuigen dat elk fotografisch bewijs voor de Kelpie in Loch Ness vervalst is, heeft er in grote mate toe bijgedragen dat een situatie die op een gegeven moment totaal uit de hand dreigde te lopen, nu weer geheel onder controle is.

 (Kelpie.)

Dat soort werk. De privatiseringskwaal heeft de tovenaarswereld duidelijk nog niet bereikt, het is een en al bestuur en ministerie, er wordt niets uit- of aanbesteed.

Dit alles lijkt me vooral voer voor Potterliefhebbers.
Heel wat fabeldieren zijn ook buiten de Potterwereld bekend, bijvoorbeeld de sfinx, de draak, de centaur, de eenhoorn, de chimaera, de kelpie (!), en de manticore, hier Mantichora genoemd, evenals de hier tot fabeldieren bestempelde fee, kabouter en trol. Maar de beschrijvingen zijn aangepast aan de Potteriaanse wereld, met classificatie en al, en zijn veel fabeldieren (zoals de hierboven genoemde horklump) uitsluitend daar te vinden.



J.K. Rowling. Fabeldieren en waar ze te vinden. De Harmonie, 2017, 5e herziene druk. ISBN 978 94 633 6011 1, 144 p. Oorspr.: Fantastic Beasts and Where To Find Them, 2001.




maandag 27 augustus 2018

Konijnentango

Vaak mijd ik de tekst op de achterkant van het boek. De eerste regels en/of prenten, die wil ik. Als het meezit, lees ik door en kom ik pas op het laatst aan de achterkant toe. Als het tegenzit, kan ik het niet laten om op zeker moment toch te kijken waarom ik het boek volgens de uitgeverij zou moeten lezen.

Zo begon ik dus argeloos aan Konijnentango. Het lag voor me, ik opende het boek. Maar al snel zag ik dat de prenten tekstloos zijn en dat iedere prent ogenschijnlijk een spiegeling onder-boven bevat, gescheiden door een soort waterrand. Ogenschijnlijk, want je hoeft maar even te kijken om te zien dat er boven en onder de rand net iets anders staat afgebeeld.
Toen draaide ik het boek toch maar om - en voor me lag Konijnentango. Ik opende het boek - enzovoort.
Dit boek bevat twee verhalen ineen en welk verhaal je het eerst tot je neemt, hangt af van het toeval. Zelfs de rug van het boek bevat twee titels, gespiegeld. Zo zijn er ook twee titelpagina's inclusief colofon. Nergens een uitgeverijbabbel te vinden.

Daardoor blijft ook onduidelijk wie nu wat maakte. Op de twee titelpagina's en voorkanten (dit boek heeft geen achterkant!) staan vermeld: Daan Remmerts de Vries en Ingrid & Dieter Schubert. De prenten zijn herkenbaar van dit laatste duo. Dus wat doet Daan daar? Leverde hij het idee, het ontwerp? Ik zal het eens moeten vragen...

Hoofdpersonen van deze twee verhalen zijn twee rechtop lopende, schaars geklede konijnen: een met een ketting van rode steentjes of parels, en een met een groene stropdas met zwarte streepjes, en beide konijnen hebben een rechteroog met een zwarte rand eromheen, alsof iemand ze net een blauw oog heeft geslagen.
Hem? Haar?
Ook al zijn de konijnen verder bloot, geslachten zie je niet. Het is dus pure conventie om aan te nemen dat het beest met die ketting een haar zou kunnen zijn en dat met die stropdas een hem. Ik volg die conventie hier maar even.

In beide verhalen doen de konijnen een dansje met elkaar dat halverwege iets te wild gaat, waardoor zij (met die ketting dus) in een boom verzeild raakt. Ze komt er gelukkig ook weer uit en ze vinden elkaar weer, eind goed al goed, althans in het ene verhaal.
Het zijn dus beesten met menselijk gedrag en dat is natuurlijk een aloude traditie in de literatuur, al vanaf Aesopus en vroeger, via Reinaart de Vos, tot uitbundig in onze hedendaagse prentenboeken, inclusief Olie B. Bommel en Mickey Mouse. Vaak dient het dierlijk aspect een menselijke eigenschap te versterken. Waarom hier konijnen? Geen idee. Misschien omdat ze er wat lief en onbeholpen uitzien, met van die schattige wipstaartjes? In ieder geval hebben ze voor konijnen bijzonder talenten: ze kunnen dansen en een boom in klimmen.

Het ene verhaal begint met haar op de cover (en hem als weerspiegeling). Ze kijkt naar de maan. Hij komt aanhuppelen, ze wrijven hun neuzen tegen elkaar en beginnen een dansje. Tegen het ochtendgloren gaat het kennelijk zo wild dat zij met een boogje in de mooi zwart-wit gevlekte boom (berk?) terechtkomt. Ze klautert er weer uit, plukt een bloem uit de groene bladerhoop onder de boom en voort gaat de dans, waarbij de bloem met een boogje bij twee kikkers belandt, maar in de volgende prent ineens weer in haar handen is en de prent dáárop helemaal weg is. De dans gaat door maar er komt een eigenaardig gat met witte slierten in, ja, in wat, de bodem of het wateroppervlak, mogen we zelf verzinnen, en op de laatste prent staart zij in haar eentje verbijsterd in dat gat - of over de rand. Haar weerspiegeling draagt een stropdas...

... en in het andere verhaal staart híj dus over die rand in het water, waarin ook de opkomende zon weerspiegeld wordt. (Zijn weerspiegeling draagt een ketting. Het meisje van zijn dromen?) Ineens wordt er iets in dat water gegooid. Een streek van haar? Ze verschijnt op de volgende prent en kijkt wat ondeugend, terwijl hij de druppels van zich af schudt. Dan beginnen ze een dans. Als de zon ter kimme neigt, wordt die dans zo wild dat hij haar bij haar ketting lijkt weg te slingeren, ze verdwijnt met haar hoofd in de groene bladerhoop onder de boom en klimt dan omhoog de boom in. (Twee kikkers kijken verschrikt toe.) Overmoedig? Ze valt eruit, hij vangt haar op en houdt haar kennelijk een hele tijd vast, want bij haar val is de lucht nog rood van de ondergaande zon, maar op de prent waar zij in zijn armen ligt is er al schemer en komt de maan op. Ze wrijven hun neuzen tegen elkaar. Daarna zwaait hij haar uit (met zijn stropdas) en op de laatste prent kijkt hij naar de maan. Zijn weerspiegeling draagt een ketting...
Draai het om en je kunt weer opnieuw beginnen. Dit boek is nooit uit, je kan het eeuwig blijven lezen! Een perpetuum mobile in prentenboekgedaante.

 of: 

Twee simpele verhalen, op elkaar lijkend maar toch net iets anders.
Dit prentenboek lijkt niet gemaakt voor die verhalen, maar uit pure prentenboekmakersvreugde: laten we eens een kunstje vertonen, iets ingenieus maken.
Dat is gelukt, want het is een groot genoegen om die twee verhalen meer dan eens te bekijken. Het echtpaar Schubert kán prenten maken - dat wisten we natuurlijk al lang en alleen al de expressie in die konijnenkoppen bewijst het opnieuw.
Laat Daan dan het idee hebben geleverd, een schitterend idee.
Het leverde een heel bijzonder prentenboek op.

 


Daan Remmerts de Vries, Ingrid & Dieter Schubert. Konijnentango. Hoogland & Van Klaveren, 2017. ISBN 978 90 8967 221 6, 24 p.





zondag 26 augustus 2018

Het heel grote vogelboek

Alleen al de voorkant van dit boek maakt het bijzonder. Een formaat dat veel te groot is voor een gangbare vogelgids, en een illustratie die de indruk wekt van een eeuwenoude tekening van vogels, en van welke… Na lang turen denk ik, warempel, twee gewone ijsvogels en een witte.
Dat eeuwenoud klopt, dat maakt de tweede inleiding meteen duidelijk.
De tweede, want de eerste inleiding gaat over de bekende vraag: wat was er eerder, de kip of het ei. De verteller, of laten we maar zeggen Bibi, geeft een resoluut antwoord: het ei. Waarom, lees dat zelf, het is overtuigend genoeg.




Uit de tweede inleiding leren we dat de illustraties van Het heel grote vogelboek ontleend zijn aan een veel ouder boek, Nederlandsche Vogelen, geschreven tussen 1770 en 1829. Christiaan Sepp tekende, Cornelis Nozeman schreef tot hij stierf, zoon Jan-Christiaan Sepp zorgde voor de uitgave. Cornelis Nozeman steef in 1786, zijn werk werd voortgezet door achtereenvolgens Martinus Houttuin (tot 1798) en Coenraad Temminck.
Het boek bestond uiteindelijk uit vijf delen, met 250 soorten en bijbehorende afbeeldingen. Van dat boek bestaan nu nog enkele exemplaren. Voor de illustraties in Het heel grote vogelboek werd gebruik gemaakt van dat in de Koninklijke Bibliotheek. Helaas zijn niet alle 250 afbeeldingen in Het heel grote vogelboek terechtgekomen, er is een selectie gemaakt van slechts ’dertig geluksvogels’. Jammer! Maar begrijpelijk, in het perspectief van de uitgever. Het boek telt nu 76 pagina’s. Vermoedelijk dacht de uitgever dat een boek van honderden pagina’s onverkoopbaar zou zijn. Ik ben daar niet zeker van en zag Het te grote vogelboek al voor me…
Door deze tweede inleiding leren we ook dat Nozeman een echte onderzoeker was, die erop uitging om vogels te bekijken, terwijl zijn opvolgers ‘kamergeleerden’ waren.
En dat wordt ons allemaal opgedist in het zeer soepele en eigenzinnige, enthousiasmerende proza van Bibi, een kenmerkende mengeling van luchtigheid en gewetensvolheid.




Die ’dertig geluksvogels’ staan in een volgorde die niets te maken heeft met onderlinge verwantschap. Dat was in Nederlandsche Vogelen ook zo: daarin werd de volgorde bepaald door de volgorde waarin Nozeman de vogels aantrof met nest en eieren. Het ging hem namelijk om vogels die in Nederland (of hoe ons land op dat moment ook moge heten) broedden en hij wou bewijzen, die hij deels zelf opzocht. Alleen de zwaan bewaarde hij voor het laatst en dat is in Het heel grote vogelboek overgenomen, net als de volgorde van de selectie. Het begint met de gaai en eindigt met de knobbelzwaan. Een zwanenzang, inderdaad.




Als naslagboek is dit boek dus ongeschikt. De samenstellers hebben dan ook niet de moeite genomen om een register te maken en een inhoudsopgave ontbreekt ook.

Het is een platenboek, bedoeld om de prenten te bekijken en te lezen wat er bij staat, en dat is alleszins de moeite waard. Want die teksten zijn niet overgenomen uit het oudere boek, Bibi schreef ze. Daarbij treedt ze soms in gesprek met ‘meneer Nozeman’, of hij mengt er zich zelf in:

Wat zegt u, meneer Nozeman? Dat er dan gelukkig ook weer wat meer grutto’s op de menukaart komen te staan? We dachten van niet. Wij houden tegenwoordig, net als u, veel van de grutto. Niet op het bord, maar wel scharrelend in het gras. (p. 19)

Het zijn onderhoudende en informatieve teksten. Bij iedere tekst staat een kadertje met de elementaire gegevens van de soort: wetenschappelijke naam (wordt op p. 13 uitgelegd in een ‘Vogeltwiet’), Rozemans naam, aantal legsels, aantal eieren, nest, aantal broedparen, voedsel, verblijf - en eetbaar of niet, typisch iets uit het oude boek. De grutto:

De eieren zijn net zo goed als die van de kievit, en de grutto’s zelf zijn ook een lekkernij, zegt Nozeman.

Maar meestal staat er:

Volgens Nozeman niet.

De selectie ontbeert iedere ratio. Misschien waren deze tekeningen het mooist, maar volgens Bibi zijn de geluksvogels ‘zomaar, in het wilde weg’ gekozen. Het is dus absoluut niet een presentatie van de meest algemene of kenmerkende vogels in ons land. Huismus, koolmees, merel, kauw, houtduif, witte kwikstaart, kokmeeuw, wilde eend, blauwe reiger… ze ontbreken.
Maakt niet uit, het blijft vooral een amusant boek met mooie platen. Voorbeelden daarvan ook hier.



Voor de vogelkenners som ik op wat er tussen gaai en knobbelzwaan wél in staat: bruine kiekendief, grote bonte specht, grutto, roodborst, aalscholver, winterkoning, klapekster, nachtegaal, fazant, fuut, ooievaar, roek, sperwer, middelste zaagbek, waterral, ijsvogel (inderdaad, de coverillustratie, met albino), houtsnip (‘volgens Houttuin zijn die net zo lekker als een patrijs’), ransuil, krakeend, putter, roerdomp, draaihals, jan-van-gent, blauwborst, zeearend, grote stern en buizerd.



Bibi Duman Tak. Het heel grote vogelboek. Lannoo/KB, 2017. ISBN 978 94 014 4129 2, 76 p. 

zaterdag 25 augustus 2018

Voor altijd en even

is de titel van een mooi, raadselachtig prentenboek. Het is van Sarah Jacoby en vertaald door Imme Dros. De oorspronkelijke Amerikaanse titel luidt Forever or a Day.
Sarah Jacoby's haar website toont dat ze al een behoorlijk oeuvre aan knappe, stijlvaste illustraties heeft opgebouwd, met indrukwekkende opdrachtgevers. Alleen nog geen prentenboek, het is echt haar eerste.



De schutbladen tonen de wassende en afnemende maan. De daarop volgende dubbelpagina een streep licht, waardoor een vrachtwagentje rijdt met het opschrift Times. Aan begin en eind een schijnende lantaarnpaal en er vliegt iets uit dat vrachtwagentje. Een krant? Daarop volgt een dubbelpagina met wat meer licht en een dame die een hond uitlaat, met diezelfde lantaarnpalen. Dan een enkele pagina waarop het wagentje door de straten van een stad rijdt, nóg meer licht en de lantaarnpaal is uit.



Daarna een waarop een jongetje uit het raam kijkt waardoor een bundel licht binnenvalt (hieronder deel van de pagina)




en de eerste tekst:

Het lijkt alsof je het bijna aan kunt raken.

Ja, wát? Het licht, dacht ik.

Maar de volgende pagina's zetten me op het spoor van de tijd. Ja inderdaad, Times, komt enkele keren terug. Misschien wel een knipoog naar een van Jacoby's opdrachtgevers, de New York Times. De hele reeks beelden beslaat één dag. Wie zal ontkennen dat er verband is tussen licht en tijd...?
Ik schreef 'reeks beelden' omdat ik nogal moest invullen en interpreteren om er een verhaal van te maken - als ik dat al zou willen.
Dat zou dan ongeveer samen te vatten zijn als: een jongetje gaat met zijn vader en moeder een dagje naar oma en opa (wit haar) - en met hen door naar strand en ergens buiten.




De avond valt, het wordt nacht.

De laatste prent toont datzelfde gezinnetje in een soort tent, die overigens erg op een opengeslagen boek lijkt (zie onder, deel van de pagina), maar het zal wel thuis zijn want (mooi detail) dezelfde schommelstoelen en gitaar als in het begin duiken op en er is immers een nachtelijke trein aan voorafgegaan.
Mooi effect: in de opening van die tent als een opengeslagen boek wordt een boek voorgelezen.
Laatste woorden, onderin deze prent:

Als ik bij jóú ben, is het altijd goed.




Natuurlijk doe ik dit boek tekort als ik het alleen als een verhaal zie. Tekst en beeld hebben samen meer weg van een raadsel.

De een denkt er wel aan...
... de ander niet.



Waaraan? Wat is het in

Zij willen dat het omvliegt.

Of:

Wie zoekt, die vindt het niet.

Of:

Het dreunt als drums... kadoeng... kadoeng... kadoeng...



Het ritme van de trein als metafoor van de tijd? Begeleid door de vensters met het landschap daarachter? Een mooie vondst. Een een beetje weemoed voor de voorlezer - of ook de luisteraar?



Is dit een beetje hoe voor altijd voelt?

Het kan volgens mij mooie gesprekken opleveren, vooral met wat oudere kleuters, die nog maar net enig besef krijgen van tijd, van dagen die voorbijgaan. Met het nodige terugbladeren, opnieuw bekijken.
Intussen valt er veel te ontdekken op die prenten. Bijvoorbeeld in de trein een zestal heren in Zwitsers of Beiers kostuum, van wie er een zijn hoed kwijtraakt op de volgende prenten (de hoed is wel te vinden! goed zoeken). Of het vosje dat kijkt naar het kampvuur. Fraai is ook dat de trein (aan begin en eind) bijna oogt als een speelgoedtrein, zie detail (!!) hieronder  - maar niet op de prenten ín de trein (zie boven).




Wat ziet een klein jongetje voor zich als het gaat over de trein: zijn speelgoedtrein... (Hij heeft er een, dat zie je in het begin, ook zo'n mooi detail.)

Het laat zich (voor)lezen alsof het de originele tekst is. Ik ken de Amerikaanse tekst niet, maar volgens mij heeft Imme Dros het prachtig vertaald. Om dat te tonen nog één citaat:

Of ik mijn ogen dichtdoe, of ik slaap
of ik de zon nu zie of denk aan gister,
bij alles raast het door en door en door

Je grijpt ernaar, het glipt je door de vingers.
Je kunt het niet met iemand anders ruilen
bijvoorbeeld voor een appel of een ei.

Met opzet heb ik de citaten en prenten niet in volgorde geplaatst. Het boek heeft een formaat dat zich moeilijk laat scannen op een eenvoudige A4-scanner, vandaar dat sommige afbeeldingen hierboven niet de hele pagina tonen. Andere afbeeldingen heb ik op internet gevonden in diverse recensiesites.
Het is altijd een dilemma: ik kan geen prentenboek bespreken zonder afbeeldingen, maar ik wil ook niet het boek prijsgeven. Wie dus denkt dat-ie op grond van deze bespreking al voldoende weet, moet ik toch dringend aanraden dit prachtige, dromerige boek te kopen (of lenen). (Prijs in NL: € 14,99.)




Sarah JacobyVoor altijd en even. Leopold, 2018. ISBN 978 90 258 7414 8, 32 p. Oorspr.: Forever or a Day, 2018. Vert.: Imme Dros.

NB1. Interessant is dat de Amerikaanse uitgave een andere voorkant heeft dan de Nederlandse:


Het maakt me nieuwsgierig naar de overwegingen van Leopold en/of Imme Dros om een prent uit het binnenwerk te kiezen, liever dan deze niet in het binnenwerk voorkomende prent.

NB2. Chroniclebooks, de Amerikaanse uitgever, had een aardig interviewtje (13 Questions with Debut Children’s Book Author, Sarah Jacoby).







donderdag 23 augustus 2018

Vakdidactiek en de onleesbaarheid van onderzoeksverslagen

Bij Levende Talen Magazine 2018-5 ontving ik een bijlage getiteld Vakdidactisch onderzoek en de onderwijspraktijk. Een kloek werk, formaat LTM (A4), 104 pagina's. Blijkens de inleiding was dit een initiatief van promovenda Jasmijn Bloemert: ze vond dat 'haar onderzoek alleen geslaagd is wanneer de opbrengsten ervan gedeeld kunnen worden met scholen en docenten, en wel op zo'n manier dat zij het ook daadwerkelijk als nuttig zien.'
Er waren er meer met dat idee en het resultaat werd deze bijlage, onder redactie van Jasmijn Bloemert, Kees de Glopper, Wander Lowie, Clary Ravensloot, Klaas van Veen en Johan Graus (eindredactie). Een grotendeels Gronings gezelschap, voorzover ik kan nagaan.

Er staan 20 artikelen in en die ga ik niet samenvatten, ik pik er hier en daar iets uit. Ze zijn er in twee soorten: samenvattingen van onderzoek en wat persoonlijker getinte opstellen. Van die laatste trok 'Helder gedacht en helder geschreven' van Klaas van Veen mijn aandacht. Het beste opstel in deze bijlage.
Intro:
'De resultaten van vakdidactisch onderzoek moeten per definitie relevant zijn voor docenten. Voorwaard is wel dat die onderzoeken helder zijn bedacht en helder opgeschreven.'

Waarvan akte.
En het opstel begint met een schot voor de boeg:

'Eén van de antwoorden op de vraag waarom er zo weinig onderwijsonderzoek daadwerkelijk wordt gebruikt in de school, heeft te maken met de onleesbaarheid van veel van dit soort onderzoeken. Vaak is het nodeloos theoretisch of methodologisch ingewikkeld, moeilijk geschreven, vol met jargon en barstensvol met referenties, gepubliceerd in Engelstalige tijdschriften die kennelijk in de onderzoekswereld hoog scoren maar waar je als docent meestal niet bij kan komen.'

Nou, dat kunnen minstens de helft van de artikelschrijvers van deze bijlage zich in meer of mindere mate aantrekken, net als de redactie van LTM. Die artikelschrijvers  hadden dit opstel kennelijk nog niet gelezen. En:

'Natuurlijk moet onderwijsonderzoek goed theoretisch en methodologisch onderbouwd zijn, maar dat is nog geen reden om ingewikkeld te schrijven of om jargon te gebruiken.'

Dat 'helder bedacht' legt hij zo uit:

'Naast het helder en toegankelijk formuleren is het een kenmerk van onderzoek dat het goed 'bedacht'  is: "Niets is gemakkelijker dan zo te schrijven dat geen mens er wat van snapt, zoals er ook niets moeilijker is dan belangrijke gedachten zo uit te drukken dat iedereen ze wel móét begrijpen." Dat is een uitspraak van Schopenhauer.

Het is verleidelijk om alle andere bijdragen in deze bundel hieraan te toetsen, zoals ik (nog onwetend van dit opstel) deed met dat artikel dat ik in mijn bespreking van nummer 5 behandelde.
Ik zal dat niet doen, te veel bloedspetters, met al dat gegoochel rond 'feed-up, feedback en feedforward', bijvoorbeeld in zo'n artikel dat het stappenplan Prépablog aanbeveelt voor het werken met schrijfopdrachten. Niet dat dit stappenplan geen nut zou kunnen hebben, maar het artikel had makkelijk met de helft kunnen worden bekort. Of het ontmoedigende artikel van Hans Das over 'Hoe lezen leerlingen poëzie en wat betekent dat voor onze lessen'. Ontmoedigend niet omdat de strekking zo erg is, integendeel, luisteren naar en praten met je leerlingen kan immers nooit kwaad, maar door de zware wetenschappelijke deken die eroverheen wordt gelegd, met bijbehorend stijf proza.

Het is jammer, zulke artikelen, want al met al is dit natuurlijk een prachtige verzameling lopende onderzoeken, die ondanks de wetenschappelijke stijfselkist voldoet aan het doel dat de samenstellers beoogden.
Er is wel weinig aandacht voor de bagage van de docent zelf. Die komt uit de meeste bijdragen toch te voorschijn als de meester die worstelt met de vraag hoe hij (of zij, enz.) zijn leerlingen de nodige kennis en vaardigheden zou kunnen bijbrengen. Niet of minder (heb niet álles nauwkeurig gelezen) met de vraag welke positie de docent zelf in dat proces inneemt, op welke manier hij het best met zijn leerlingen kan omspringen, of zijn kennis inderdaad het alpha en omega is, of hij wel de nodige inspiratie biedt. Er worden de nodige protocollen en schema's over de lezer uitgestort, maar nergens staat te lezen hoe een docent louter door zijn inspirerende rol zijn leerlingen tot grote hoogte zou kunnen brengen.

Ik herinner me dat er een onderzoek is geweest naar welke leesmethode het best zou werken in het basisonderwijs. Uitkomst: succesvol leesonderwijs hangt vooral af van wie er voor de groep staat, méér dan van de gebruikte methode...



Levende Talen Magazine (LTM) wordt uitgegeven door Levende Talen. Het richt zich in het Nederlands tot talendocenten en alle anderen die beroepshalve of persoonlijk belang stellen in het talenonderwijs. LTM verschijnt achtmaal per jaar. 
Leden van Levende Talen ontvangen acht keer per jaar Levende Talen Magazine én vier keer per jaar Levende Talen Tijdschrift. Het lidmaatschap is voorbehouden aan natuurlijke personen.
Zie verder onder lid worden.

Scholen, bibliotheken, vaksecties kunnen zich abonneren op Levende Talen Magazine en Levende Talen Tijdschrift, alleen als combi.

Een abonnement op Levende Talen Magazine (8x) én Levende Talen Tijdschrift (4x) kost voor instellingen en niet-leden € 140 (buitenland € 170). Opzegging dient schriftelijk te geschieden een maand voor het einde van het lopende jaar. Bij opzegging na 1 december wordt het abonnement geacht stilzwijgend te zijn verlengd tot en met 31 december van het daarop volgende jaar.

U kunt een abonnement aanvragen door een e-mail te sturen naar bureau@levendetalen.nl.






woensdag 22 augustus 2018

Gij zult lezen! ... Maar waarom eigenlijk?

Dat was de uitdagende kop boven een artikel van Wilma de Rek in de Volkskrant 7-7-2018, vlak voor vakantietijd. Voor ik de bijlage bij het oud papier doe, toch nog even memoreren.



Wat lekker sombere passages (over de gemiddelde leeftijd van bezoekers van literaire evenementen) vormen de opmaat naar het raadplegen van deskundige hoogleraar Adriaan van der Weel en hoezee, Wilma komt tot de slotsom dat het wel degelijk zorgwekkend is dat jongeren steeds minder lezen'.
Waarmee ze m.i. bedoelt: minder fictie lezen, minder literatuur.

Met name op de korte termijn, antwoordt Adriaan van der Weel. Want hoe de verre toekomst er uit ziet, geen idee. Want 'we kunnen niet voorspellen hoe anders hoe anders die wereld eruit gaat zien, maar mijn punt is: die gáát er anders uitzien! De digitale revolutie zal op iets langere termijn enorme consequenties hebben. Het zijn allemaal dozen van Pandora.'

Waarvan acte.

Voorlopig liggen de kiosken nog vol kranten, tijdschriften en boeken.




maandag 20 augustus 2018

Een dromerig jongetje

Er zijn kinderen die meer dromen dan waken: hun verbeeldingskracht sleept ze mee ver buiten de wereld om hen heen. Zo'n (voor mij heel herkenbaar) kind is de jongen Boaz, de hoofdpersoon van Een indiaan als jij en ik van Erna Sassen.



Dat boek had ik aangevraagd op grond van de titel en eigenlijk verwachtte ik (zeker na de tekening op de titelpagina, hierboven) een soort documentair boek over indianen - nogal naïef. Net zo naïef als Boaz.
De eerste bladzijden, pakweg tot p. 18, was ik niet enthousiast. Een wat brave tekst, door een anonieme verteller die de hoofdpersoon dicht op de huid zit, zoals in heel veel kinderboeken,  en (dacht ik) op een rode achtergrond wat informatie over indianen. Dat klopte alleen voor p. 17 en soortgelijke kadertjes verderop, p. 13, hoewel geheel rood en geheel over indianen, bleek deel van het verhaal, hoewel dat op de volgende bladzij verdergaat met een onverwachte wending:

Aïsha is ook zonder indianentooi verschrikkelijk mooi.
Dat rijmt.
Aïsha is ook 
zonder indianentooi 
verschrikkelijk 
mooi.
Dat komt door die donkerbruine ogen waarmee ze een beetje droevig kijkt.
Ze kwam zomaar ineens de klas in wandelen.
Nou ja, zomaar ineens, dat zal wel niet, want juf Annie zei: 'Zo jongens en meisjes, hier is ze dan eindelijk: onze Aïsha.'
Dus dat betekent dat de juf al eerder had verteld dat Aïsha eraan zat te komen.
Maar dat had Boaz gemist.

Dat laatste zinnetje verraadt dat de verteller soms heel even afstand neemt van haar hoofdpersoon, net als in zinnetjes als:

Maar weet je wat nou zo toevallig is...
Er is een indiaan bij Boaz in de klas gekomen. Een echte!

Hoewel dat nu juist weergeeft wat Boaz denkt, dat wel, wordt met dat 'maar weet je'  de lezer aangesproken - en niet door Boaz.

Tekening 'door Aïsha'
Nou ja, toch maar doorlezen, dacht ik.
Gaandeweg werd ik iets milder, en langzaamaan gewonnen. Dat ligt vooral aan de manier waarop de verteller Boaz in beeld brengt, als een lief, fantasievol, dromerige jongetje dat moeilijk vrienden maakt en zich vooral op zijn gemak voelt bij zijn oma en zijn schatkamer (bij oma!) van indianenspullen. Om zijn ouders gerust te stellen fantaseert hij wat vrienden, bij wie hij dan zogenaamd speelt terwijl hij in werkelijkheid in zijn eentje door de duinen zwerft. Hij is zo bezig met indianen dat hij heel laat doorkrijgt dat Aïsha geen indiaan is maar een Syrisch meisje. Tegen die tijd is hun vriendschap al zo hecht dat hem dat niets uitmaakt. Ze maken samen een werkstuk over de Maya's.
Het grootste drama in het verhaal is dat Boaz' vader op het idee komt dat Boaz een klas kan overslaan. Dan blijft hij misschien beter bij de les. Als Boaz dat hoort loopt hij weg, niet naar zijn oma maar naar de duinen, waar hij 's warmte zoekt bij de halfwilde pony Cisco en verdwaalt als hij avonds met de pony's verder de duinen in gaat. Zijn vlucht en later de harde gesprekken (die hij hoort) tussen oma en vader en tussen zijn vader en moeder, dat wordt allemaal fraai verteld. Hij vat moed, denkt na en vertelt zijn vader in tien minuten (meer tijd krijgt hij niet) waarom hij vooral niet een klas wil overslaan. Vanwege Aïsha. Ook een mooi stuk (p. 112-114).
Het werkt. Boaz komt bij oma met een mooie veer, die hij van zijn vader heeft gekregen, met een kaartje erbij:

'Het is waarschijnlijk een veer van een torenvalk, denkt papa. Hij weet het niet zeker. Maar ik ben er erg blij mee. Wat denk jij, oma?'
Oma draait de veer voorzichtig rond en bewondert hem van alle kanten.
'Al was het een veer van een dooie mus, dan nóg zou ik er blij mee zijn,' mompelt ze.
'Wat zeg je?' Boaz buigt zijn hoofd naar oma toe.
'Ik zei dat het inderdaad een heel bijzondere veer is,' zegt oma, 'en dat ik goed kan begrijpen dat je er erg blij mee bent.'
Boaz knikt.
'Héél erg blij.'
'En heeft vader je ook verteld waarmee je hem hebt verdiend?'
'Ja, dat heeft hij,' zegt Boaz. 'Wil je het weten?'
'Heel graag.'
'Het was een moeilijke zin, maar hij staat op het kaartje, wacht even...' Boaz zoekt in zijn rugzak naar het kaartje van papa.

'Voor Boaz. Omdat hij de moed heeft om voor zijn geluk te vechten,' leest hij voor.

Oma is er stil van.
Boaz staat tevreden te glimlachen.
'Deze krijgt een ereplaats in mijn museum,' zegt hij.
'Nou, dat lijkt me wel!'
'En er is nog meer goed nieuws,' zegt Boaz.
'Toe maar...'
'Ik hoef geen klas over te slaan!'

Eind goed al goed. Op het laatst volgt nog een wijs gesprekje tussen Boaz en oma over wat een echte indiaan kenmerkt, en Boaz kan 'moeiteloos opsommen':

'Een echte indiaan denkt lang na voordat hij iets zegt; hij houdt heel veel van dieren en van de natuur, en hij is dapper en moedig.'
'Oké...' Oma staat weer even met haar hoofd te knikken.
'Dan is Aïsha een echte,' besluit ze. 'Je had toch gelijk.'
'Denk je?'
'Ja toch?'
'Ja.'
'En jij ook.'

Einde.



Een indiaan als jij en ik is mooi vormgegeven door Martijn van der Linden. De schutbladen én de dubbele pagina na het titelblad (hierboven) zijn geheel bedekt met figuren in stijl met de illustraties die her en der de pagina's sieren, die doen denken aan de versieringen en tekeningen die op zeer oude Zuid-Amerikaanse gebouwen en beelden te vinden zijn.


Erna Sassen. Een indiaan zoals jij en ik. Leopold, 2018. ISBN 978 90 258 7395 0, 124 p.




zaterdag 18 augustus 2018

'Er wordt te vaak met gemakzucht voor kinderen geschreven'

De parels in Literatuur zonder leeftijd zomer 2018 (afl. 106) bevinden zich achterin: de Annie M.G. Schmidt-lezing van Anna Woltz en de Woutertje Pieterse-lezing van Frauke Pauwels.
De eerstgenoemde is alleen in LZL te lezen, de tweede is ook online te vinden.

De Annie M.G. Schmidt-lezingen zijn een reeks lezingen door auteurs van jeugdliteratuur, geëntameerd door IBBY Nederland, met steun van o.a. het Literatuurmuseum (voorheen Letterkundig Museum) en de Universiteit van Leiden. IBBY staat voor International Board on Books for Young people.
Dit jaar werd hij gehouden door Anna Woltz en haar lezing mondde uit in een pleidooi om kinderen als publiek serieus te nemen.
Ik citeer:

Er wordt met te veel gemakzucht voor kinderen gewerkt - of laat ik me bij mijn eigen leest houden: er wordt te vaak met gemakzucht voor kinderen geschreven. Ik zeg niet dat de boeken die we schrijven literairder of ingewikkelder moeten zijn. Ik zeg wel dat elk boek met liefde gemaakt moet worden, met de volle aandacht van de schrijver en met werkelijk respect voor de lezer. Het feit dat volwassener groter zijn dan kinderen, dat ze al langer leven en meer woorden kennen, betekent niet dat ze een kinderverhaal wel even uit hun mouw kunnen schudden.

Waarvan acte, met instemming. Haar pleidooi zal door de toehoorders ongetwijfeld positief gewaardeerd zijn. Ondanks haar aankondiging níet voor eigen parochie te gaan preken en nu eens niet het nut van leesvaardigheid te benadrukken, deed ze dat (preken voor eigen parochie) met dat pleidooi uiteindelijk dus toch. Niettemin is het een genoegen haar vertoog te lezen, niet in de laatste plaats wegens haar heerlijke zijpaden.

Frauke Pauwels hield haar voordracht tijdens de uitreiking van de Woutertje Pieterse Prijs, in 2018 toegekend aan Annet Schaap wegens Lampje. Twee van de vijf titels die voor deze prijs genomineerd werden, zijn non-fictie: De zweetvoetenman. Over rechtszaken & regels (en een hoop gedoe) van Annet Huizing en Margot Westermann (Lemniscaat) en Wij waren hier eerst van Joukje Akveld (Gottmer). (Beide titels werden even later bekroond met een Zilveren Griffel.)
Frauke Pauwels hield een pleidooi voor het 'openen der poorten' voor non-fictie. Terecht, natuurlijk. Het opstel, of met zijn deftiger Engelse naam essay, hoort evengoed tot de literatuur als het verhaal (incl. de roman), de poëzie (incl. het lied) en het theater. Ook haar opstel is een genoegen om te lezen.

Het opstel hoort thuis in de retorica, die in de Oudheid al hoog gewaardeerde kunst om te overtuigen, waarbij eloquentie of welsprekendheid een rol speelt. Een goed opstel is zo geschreven dat je je als lezer eigenlijk wel wil laten overtuigen.
Het wetenschappelijk artikel is in beginsel een verslag, een boekstaving van onderzoeksresultaten. Niettemin kan de auteur van zo'n artikel zeker wel van de retorica gebruik maken. Ook hij of zij zou immers moeite kunnen doen om de lezer te overtuigen van de geldigheid van zijn of haar bevindingen. Ook onderzoeksresultaten kunnen welsprekend en overtuigend gebracht worden, zelfs binnen het stramien van het moderne wetenschapsartikel.

Het siert de redactie van LZL dat ze ruimte maakt voor opstellen als bovengenoemde. En soms ook voor columns e.d. Het is wel jammer dat de meeste artikelen in LZL in retorisch opzicht dat niveau niet halen.
Hoewel het niet meer in het colofon wordt benadrukt, is aan de artikelen wel te merken dat er een academische status wordt nagestreefd. Dat is op zich lovenswaardig, want daarmee biedt LZL een podium aan onderzoekers van jeugdliteratuur en het is op zich al prettig dát die onderzoekers er zijn. Maar het maakt de artikelen soms onnodig zwaar.

Laat me één voorbeeld bespreken van zo'n artikel. Het gaat om het artikel van Daniëlle Roestenburg over 'Ted van Lieshout in de rol van publieke intellectueel' (ondertitel), met als titel een citaat: 'Ik wil literatuur maken. Maar ik wil ook bijdragen aan de maatschappelijke discussie'.

Dat artikel begint heel essayistisch en raak met een verwijzing naar het optreden van 'bestsellerauteur' Griet Opdebeeck in een uitzending van De wereld draait door, waar ze vertelde vroeger misbruikt te zijn, gaat dan naar Mijn meneer van Ted van Lieshout en zijn optreden in een uitzending van Pauw & Witteman, en net als je denkt, hier start een fraaie beschouwing over Ted van Lieshout in de openbaarheid, zwenkt ze opzij, want er moet een verantwoorde definitie komen van het begrip publieke intellectueel. Want dat is 'niet eenvoudig te omschrijven en af te bakenen'.
Doe het dan niet, denk ik dan, we begrijpen het toch wel ongeveer.
Maar ja, dat is niet wetenschappelijk verantwoord. Dus duikt Daniëlle de vakliteratuur in, om aan te komen met een 'heuristische definitie' van Odile Heynders, hoogleraar 'Vergelijkende Literatuurwetenschappen' (meer dan 1 wetenschap?) te Tilburg - dezelfde universiteit waar Daniëlle aan studeerde. Hoe toevallig. Die 'heuristische definitie' blijkt van toepassing op allerlei auteurs 'die zich door middel van literaire strategieën, niet alleen binnen de grenzen van de tekst zelf, maar ook buiten hun romans, uitlaten over maatschappelijke ontwikkelingen of problemen'. (Heynders. Arme 'publieke intellectueel' die zich niet met 'literaire strategieën' bemoeit met de maatschappij...)
Daniëlle haalt er nog Thomas Vaessens bij, en nóg meer literaire auteurs, om dan eindelijk weer terug te keren naar haar onderwerp, Ted van Lieshout. Die ze uiteraard toetst aan 'Heynders' model'.
Die toets doorstaat hij min of meer, maar helaas, 'de intentie alleen is niet genoeg om aan de functie van publieke intellectueel te vervullen. Publieke intellectueel-zijn is immers een rol en ook afhankelijk van een publiek en media.'
Of zoals Heynders het definieert: 'de publieke intellectueel (...) creëert bewust een persona in de media die een effect heeft op het publiek.'
Je kan roepen wat je wil, als niemand luistert en antwoordt, ben je nog geen publieke intellectueel.

En dan volgt na een op zich interessant maar te kort overzicht van Ted van Lieshouts openbare handelingen en na een nog veel langere verhandeling over die toetsing het strenge oordeel:

Van Lieshout functioneert dus wel als publieke intellectueel, maar wordt niet als zodanig (h)erkend, omdat hij als jeugdschrijver de juiste culturele autoriteit lijkt te missen. Zijn goede prestaties en reputatie binnen het jeugdliteraire veld, leveren niet de publieke autoriteit en maatschappelijke erkenning op die een publieke intellectueel wel nodig heeft. Daarmee is Van Lieshout een auteur die misschien genuanceerd de heersende opinie verstoort, maar er tot nu toe niet in geslaagd is om de rol van publieke intellectueel te vervullen. Misschien moet zijn grote moment als publieke intellectueel dan nog komen.

Wat mij leert dat je volgens Daniëlle wel kan functioneren als publieke intellectueel, maar het dan nog niet bent. Rara. En dat je ook een niet-juiste culturele autoriteit zou kunnen hebben.
Of: hoe een artikel na een veelbelovend begin de mist in kan gaan. Want wat doet het er toe, of Teds openbare doen en laten voldoen aan Heynders' criteria. De toetsing ontneemt ons het zicht op de beschreven persoon, én op Daniëlle's eigen waardering. Heel jammer.

Enfin, ik laat het bij dit ene artikel.
Er staat natuurlijk nog veel meer in dit themaloze zomernummer, dat veel dikker is dan ons wordt beloofd, zie onder. Zoals recensies, en artikelen over de 'beeldvorming van Suriname in Surinaamse en Nederlandse prentenboeken', 'Bouwstenen voor een ethische benadering van life writing voor jongeren', 'Een kritische analyse van de voorstelling van dieren in de Gouden Boekjes' en (dat is wel interessant naast dat opstel!) 'Wetenschappelijke registers in fictie en non-fictie voor kinderen' van Frauke Pauwels, waarbij het onderzochte corpus overigens uit zegge en schrijve zes kinderboeken beslaat.



Literatuur zonder leeftijd verschijnt drie keer per jaar in de vorm van een boekje van circa 140 pagina’s en wordt uitgegeven door de Stichting IBBY-sectie Nederland.
Abonnementsprijzen 2018: instellingen € 47,50; particulieren € 34,50; studenten € 24,50 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar (reeds verschenen nummers worden toegezonden). Losse nummers: € 19,95 per stuk.
Men kan zich als abonnee aanmelden via het secretariaat: IBBY-Nederland@planet.nl. Wie zich aanmeldt krijgt als welkomstgeschenk alle nummers van jaargang 2017. 

Literatuur zonder leeftijd 106, ISBN 978 94 6167 369 6, 192 p.






woensdag 11 juli 2018

Competentie

Het woord competentie wordt veel gebruikt in onderwijsland en dan vooral in de onderwijsdidactiek. Volgend de online gratis Van Dale betekent competent 'bevoegd, bekwaam'. Helaas is niet iedereen die ergens toe bevoegd is ook altijd bekwaam, maar daarop gaat de Van Dale niet in.
In het onderwijs is competentie iets dat gemeten moet worden. Docenten (zelf allen competent, nemen we aan) willen weten of hun studenten competent zijn.
In Levende Talen Magazine 2018-5 duikt het op in een artikel door Gerdineke van Silfhout en Esther Arrindell met de onheilspellende titel 'Fictie- en literatuuronderwijs formatief ingestoken, de aanpak in de lerarenopleiding als voorbeeld'.

Het onheil zit het hier in de contaminatie fictie- en literatuuronderwijs, en in het onbegrijpelijke formatief ingestoken.
Om met dat laatste te beginnen, uit het artikel begreep ik dat formatief hier in tegenstelling tot summatief wordt gebruikt en dan gaat het om toetsing.
'Voor de beoordeling is het uitgangspunt dat de ontwikkeling van de student (of leerling), in dit geval de leesontwikkeling, centraal staat. Dus niet enkel het eindproduct, maar juist ook de weg daarnaartoe.' En:
'Waar het bij summatief toetsen gaat om toetsing als eindmeting om te bepalen wat een student kent of kan, heeft formatieve evaluatie als primair doel studenten inzicht te geven in hun eigen leerproces en hun onderwijs op maat te geven. Toetsen met een formatieve functie zorgen ervoor dat de docent: (a) helder heeft waar de student naartoe werkt (feed-up); (b) een goed beeld krijgt waar de student staat (feedback); (c) weet hoe hij de student naar de gewenste situatie kan leiden (feedforward).'

Juist ja.
Ik stel vast: toetsen kan zowel werkwoord als naamwoord zijn, als het moet in één alinea.
Ik stel voor: dat we gaan onderzoeken wanneer 'de docent' iets helder heeft en welke instrumenten hij of zij nodig heeft om een goed beeld te krijgen. Daarvoor moet 'de student'  in ieder geval stáán, zoveel is duidelijk. Als-ie zit, kijkt 'de docent'  er wellicht overheen. Of 'de student'  ook staand ergens naartoe moet werken, is niet zeker. Ergens naartoe werken zal wellicht impliceren dat 'de student' een doel heeft. Misschien staat de student soms op om te kijken of het doel al in zicht is. Zo niet, dan neemt de docent hem of haar bij de hand, op naar de gewenste situatie.
Of nee, ze nemen elkáár bij de hand, want uit het artikel blijkt dat volgens de beschreven module verwacht wordt dat de studenten elkaar in drietallen toetsen.

Help. Arme student. Arme docent.
Arme docent, die het moet doen met studenten die soms 'niet zoveel met lezen hebben' (goeiemorgen, en dat moet gaan lesgeven...), en die niet zelf mag toetsen (tijd te kort, de module duurt maar zeven weken) en dus zijn studenten aan het werk moet zetten, maar van wie wél verwacht wordt dat-ie 'weet waar de student staat'. Een beetje praten over de gelezen 10 (tien) kinderboeken hoort er natuurlijk ook bij en ik neem aan dat 'de student' uiteindelijk ook een cijfertje verwacht.
Arme studenten, niet omdat ze die tien boeken moeten lezen, maar omdat ze in drietallen moeten gaan turven om erachter te komen wat hun competentie is en weinig gelegenheid krijgen tot diepgaande gesprekken met hun docent over wat ze lezen, laat staan dat er aandacht wordt besteed aan de vraag wat kinderen van die boeken (zouden kunnen) vinden, dat er geoefend wordt in voorlezen en presenteren. Er wordt wel van hen verwacht dat ze over enkele jaren voor de groep staan. Formeel is er wel een subdoel dat hiermee te maken heeft, maar uit de beschrijving van de module (het gaat vooral om boekanalyse) krijg ik niet de indruk dat dit waargemaakt wordt.

Ik gun die studenten, ook hen die 'niet zoveel met lezen hebben', een bevlogen docent, die moeiteloos kan vertellen over al het moois dat er te vinden is in de kasten met kinderboeken, die er prachtig uit kan voorlezen, en die de tijd heeft en neemt om met zijn of haar studenten afzonderlijk te praten over hun leeservaringen, ze tips te geven, en die bekwaam (pardon, competent) genoeg is om enkele mooie klassegesprekken te organiseren over boeken. Bovendien geeft deze docent oefeningen in voorlezen en boeken presenteren: heel belangrijk in het basisonderwijs. En praat-ie met zijn of haar studenten over hun toekomstige leerlingen: wat zouden zij ervan vinden.
Reken maar dat die docent een gunstige invloed heeft op hun literaire competentie. Cijfertje? gewoon een ouderwets 'mondeling', waarbij niet zozeer feitjes worden overhoord, als wel gesproken over ervaringen met en meningen over boeken.

Het lijkt me armoe troef, die module van Gerdineke van Silfhout en Esther Arrindell.

De auteurs denken daarover uiteraard heel anders.
Ik gun ze het laatste woord, in hun eigen schitterende onnavolgbare proza vol redundantie en jargon (zij denken niet na, zij reflecteren; competentie blijkt een telbaar begrip; je hebt kennelijk ook niet-noodzakelijke voorwaarden; e.d.), inclusief indeling in alinea's (niet):

Het mooie van deze aanpak is dat er aandacht is voor de ontwikkeling van verschillende dimensies van literaire competentie en dat studenten op elk van die dimensies kunnen groeien. Dat maakt de aanpak ook zo waardevol voor het primair en voortgezet onderwijs. Daarnaast zorgt deze aanpak ervoor dat literaire competenties zichtbaar worden gemaakt. Dit is een noodzakelijke voorwaarde om literatuuronderwijs formatief vorm te kunnen geven. Studenten weten wat de doelen zijn waarnaar ze toewerken en kunnen hun ontwikkeling tijdens het proces met de docent en medestudenten monitoren, evalueren en bijsturen. Juist het investeren in het verhelderen van doelen en nagaan waar studenten op dat moment staan in hun leesproces, waar ze al beter in zijn of waar juist nog potentieel ligt, zorgt voor een goede basis. Zo wordt het mogelijk om groei zichtbaar te maken en later in het proces feedback te geven en met elkaar op het leer- en leesproces te reflecteren. Deze aanpak stelt tenslotte ook de dialoog en de interactie met en over het boek centraal, een andere voorwaarde voor formatief leesonderwijs. Interactie is voor ontwikkeling in literaire competentie onmisbaar, en een sleutel voor succes in elke fase van de formatieve toetscyclus.

Zucht.